← België

Arrest 158479 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.479 Rolnummer: A. 164132/XIV-23024 Zaak: Arrest 158479 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 18:49 Fiche Arrest nr 158.479 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.479 van 8 mei 2006 in de zaak A. 164.132/XIV-23.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. VERHEYEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 64, bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 8 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 3 juni 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. VERHEYEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-23.024-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen, evenals van art. 57/6 en van art. 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging, de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 2.1.
  4. Algemeen Dat de bestreden beslissing een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; Dat bijgevolg de Vaste Beroepscommissie haar beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge ondermeer blijken uit de hierna (2.1.2.) opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie; Dat meer in het bijzonder de verplichting tot motivering van haar beslissingen door de Vaste Beroepscommissie bepaald werd in artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. "B.S.", 31 december 1980; Dat het artikel 57/6 van de Wet van 15 december 1980 in punt 4, tweede lid bepaalt; “De beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling, zomede deze tot intrekking van die hoedanigheid worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak". Dat het artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 bepaalt: "De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed ..." Dat de bestreden beslissing dit principe schendt, niet alleen voor wat betreft de voorwaarden dat de beslissing met redenen omkleed moet zijn, maar eveneens voor wat betreft de voorwaarde om de omstandigheden van de zaak dienen vermeld te worden; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft naar aanleiding van schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen dat de motivering veen wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (Cass. 12 mei 1932, "Pas.”, 1932, I, 166); Dat moet besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan de Vaste Beroepscommissie voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat het de wil van de wetgever geweest is te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd; 2.1.
  5. Betreffende de standaardbeslissing die door de Vaste Beroepscommissie werd genomen. Dat de bestreden beslissing slechts op een zeer summiere wijze gemotiveerd heeft; Dat er geen rekening werd gehouden met de grieven van verzoeker en hierop niet geantwoord werd; XIV-23.024-2/7 Dat men niet de moeite heeft gedaan om de ware toedracht en de inhoud van het verhaal van verzoeker te onderzoeken; Dat de Vaste Beroepscommissie uitsluitend stelt dat er geen vrees voor verzoeker voor vervolging op politieke gronden hoewel de Vaste Beroepscommissie eveneens stelt dat in principe het verhaal van de kandidaat vluchteling moet aanvaard worden tot er geen tegenstrijdigheden worden vastgesteld en dit op basis van de gangbare doctrine; - HATHAWAY, J., The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84 - UNHCR, Guide des Procédures et Critères à appliquer pour déterminer le statu de réfugié, Genève, 1992, p. 54 2.1.
  6. Betreffende de standaardmotivering. Dat men hier met een gewone standaardmotivering voor de dag komt om de beslissing van het Commissariaat-Generaal te kunnen bevestigen; Dat de Vaste Beroepscommissie een punt ontwikkelt om het eigenlijke verhaal van verzoeker niet te moeten onderzoeken met name door de politieke activiteiten van verzoeker in België kan verzoeker bij zijn thuiskomst slechts enkele ondervragingen te wachten staan en niets meer; Niets is minder waar daar de realiteit anders is; Recentelijk heeft een ambtelijke mededeling van de Internationale Federatie voor de Mensenrechten van 26 september 2003 gerapporteerd dat twee terdoodveroordelingen uitgesproken werden in Iran tegen een jonge man van 27 jaar, die beschuldigd werd van lidmaatschap van de democratische partij van Kurdistan in Iran, en tegen een man van 38 jaar, die beschuldigd werd van contacten met de Moedjahedin. Amnesty Internatio- nal heeft zich diezelfde dag in dezelfde zin uitgelaten. Op 18 juli 2003 heeft deze organisatie verklaard gechockeerd te zijn door de omstandigheden van de dood in de gevangenis van mevr. Z. K., een Iraans-Canadese fotografe. Een eenvoudige lezing van de jaarrapporten van Amnesty International leert dat de vrees van verzoeker gegrond is. In Iran worden de mensenrechten inderdaad dagelijks met de voet getreden: grote aantallen politieke gevangen worden nog steeds vastgehou- den. Velen worden veroordeeld zonder te zijn berecht of worden veroordeeld na oneerlijke processen. De vrijheid van meningsuiting wordt onderdrukt. Tegenstanders van het regime worden in het openbaar gegeseld en/of terechtgesteld, onder meer door steniging en onthoofding; Dat artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen niet toelaten dat er standaardclausules gebruikt worden; Dat immers de situatie voor elke bestuurder (in casu kandidaat-vluchteling) in concreto dient beoordeeld te worden; Dat de motivering woordelijk dezelfde is als deze van vele andere beslissingen; Dat er niet geoordeeld werd op grond van bepaalde feiten eigen aan het asielverhaal van verzoeker en zulks een discriminatie uitmaakt ten opzichte van kandidaat vluchtelingen met andere nationaliteiten; Derhalve is de beslissing niet naar behoren gemotiveerd en is de motivering zelfs tegenstrijdig; Dat verzoeker wel degelijk dient te worden aanzien als politiek vluchteling op grond van het Verdrag van Genève dd. 28.07.1951, vermits er ernstige aanwijzingen bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1/A en meer bepaald op politieke, etnische en sociale gronden; Het middel is dan ook ernstig”; 1.1.
  7. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de artikelen 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (vreemdelin- genwet) niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor XIV-23.024-3/7 vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 1.2.
  8. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de Vaste Beroepscommissie niet de moeite heeft gedaan de integrale toestand van verzoeker te onderzoeken; Dat de Vaste Beroepscommissie heeft nagelaten de grond van de zaak te onderzoeken door op een lichtzinnige wijze te besluiten tot de ongegrondheid en de bevestiging van de beslissing van het CGVS waarbij aan verzoeker bevel werd gegeven het land te verlaten; Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat de Vaste Beroepscommissie bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; Dat nogmaals dient opgemerkt te worden dat de Vaste Beroepscommissie niet consequent opgetreden is; Dat dit des te meer blijkt uit de nalatigheid om de grond van de zaak te onderzoeken; Dat verzoeker wenst te verwijzen naar het hierboven vermelde”; 1.2.
  9. Overwegende dat verzoeker niet het minste element aanvoert waaruit blijkt dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing; dat niet wordt aangetoond op welke wijze machtsafwending is gepleegd; dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen haar bevoegdheid te buiten zou gaan mocht zij, wegens het belang van de zaak, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.3.
  10. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “- schending van de rechten van de verdediging: Dat verzoeker niet de kans gekregen heeft om zich te verdedigen op het standpunt van de Vaste Beroepscommissie dat de visie van verzoeker totaal opzij schoof; Dat de Vaste Beroepscommissie de problemen van verzoeker niet heeft onderzocht;”; 1.3.
  11. Overwegende dat de eerbiediging van de rechten van verdediging niet inhoudt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motieven op grond waarvan ze voornemens is een beroep af te wijzen, vooraf dient mee te delen aan de vreemdeling; dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat, ondanks het feit dat verzoeker van mening is dat enkel een standaardmotivering werd gegeven zonder het persoonlijke relaas van verzoeker te onderzoeken, toch een onderzoek naar verzoekers betrokkenheid bij de aangevoerde feiten werd gevoerd, zoals ook aangegeven in de motivering; dat het derde middel niet gegrond is; XIV-23.024-4/7 1.4.
  12. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “- inbreuk op de Conventie van Genève: Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de Commissaris Generaal op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis had, als op grond van de overige omstandigheden die verzoeker thans laat gelden, tot de kennelijk en volkomen en kennelijke onredelijkheid minstens onwettig- heid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schenkding van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er een subjectieve vrees in hoofde van verzoeker aanwezig is voor zijn leven, zijn fysieke integriteit en zijn vrijheid in het land van herkomst; Dat indien het bevel om België te verlaten uitgevoerd zou worden zulks een moeilijk te herstellen nadeel zou teweegbrengen; Dat verzoeker niet wenst terug te keren naar Iran, gelet op de inbreuken van de mensenrechten aldaar;”; 1.4.
  13. Overwegende dat in de mate dat het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A

(2), van het Vluchtelingenver- drag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het vierde middel niet ontvankelijk is; 1.5.
  1. Overwegende dat verzoeker als vijfde middel aanvoert: “- inbreuk op art. 3 en 8 van het EVRM Dat niemand mag onderworpen worden aan een mensonterende en mensonwaardige behandeling; Dat op deze manier het Recht op het gezinsleven geschonden wordt; Dat verzoeker met zijn familie recht heeft op een socio-economisch welzijn in België op basis van art. 8 van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens waarvan de Raad van State bij arrest nr 43821 dd. 13.07.1993 verklaard heeft dat deze beschikking wel degelijk van toepassing is; - DR. des Etrangers 1994, nr 77, blz 27”; 1.5.
  2. Overwegende dat het vijfde middel niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijderingsmaatre- gel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene uitspraak wordt gedaan; dat het vijfde middel niet ontvankelijk is; 1.6.
  3. Overwegende dat verzoeker als zesde middel aanvoert: “- inbreuk op art. 1 van het Verdrag tegen Foltering en andere vrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aangenomen te New York op
  4. 12.
  5. XIV-23.024-5/7 Wanneer verzoeker zou dienen terug te keren naar zijn land hij wordt blootgesteld aan opzettelijk hevige pijn en hevig leed lichamelijk dan wel geestelijk wat in strijd is met het vermelde verdrag;”; 1.6.
  6. Overwegende dat het zesde middel, niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijderingsmaatre- gel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene uitspraak wordt gedaan; dat het zesde middel niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-23.024-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.024-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.