id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.485 Rolnummer: A. 164669/XIV-23203 Zaak: Arrest 158485 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 18:49 Fiche Arrest nr 158.485 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.485 van 8 mei 2006 in de zaak A. 164.669/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 16 juni 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; XIV-23.203-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van de artikel 57/22 van de Wet betreffende de toegang tot het grond-gebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980; Dat de tegenpartij haar beslissing motiveert dat verzoekster te weinig objectieve elementen aanbrengt waaruit blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging kan hebben; Dat, om de gegronde vrees voor vervolging te beoordelen in het geval van een zgn. réfugié sur place, het in de eerste plaats van belang is na te gaan of de acties die een persoon buiten het eigen land heeft ondernomen van die aard zijn dat ze door de eigen overheid gekend zijn, en dat ze aanleiding kunnen geven tot een vervolging in de zin van de Conventie van Genève: “Une personne peut devenir un "réfugié sur place " de son propre fait, par exemple en raison des rapports qu'elle entretient avec des réfugiés déjà reconnus comme tels ou des opinions politiques qu'elle a exprimés dans le pays ou elle réside. La question de savoir si de tels actes suffisent à établir la crainte fondée de persécution doit être résolue à la suite d 'un examen approfondi des circonstances. En particulier il Y a lieu de vérifier si ces actes sont arrivés à la connaissance des autorités u pays et de quelle manière ils pourraient être jugée par elles. » (Art. 96 Guidé des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié). In casu wordt door de tegenpartij niet tegengesproken dat de acties van verzoeksters echtgenoot bij de Iraanse overheid bekend zijn. Dat de tegenpartij echter stelt dat niet is aangetoond dat Iraniërs in gelijkaardige situatie als die van verzoeksters echtgenoot bij terugkeer, vervolgd zouden worden; Dat de tegenpartij bovendien stelt dat er in dit concrete geval geen elementen worden aangebracht dat verzoeker bij terugkeer vervolgd zou worden; Dat verzoeksters echtgenoot echter zijn lidmaatschap van een oppositiepartij voorlegt; Dat het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken in haar Ambtsbericht voor Iran van april 2004, op pagina 107 stelt: "Duidelijk zichtbare politieke activiteiten gericht op omverwerping van het onder de Geestelijk Leider ressorterende islamitische staatssysteem kunnen in Iran straft vervolging opleveren. Vervolging vindt plaats op grond van de artikelen 183196 van het Wetboek van Strafrecht, die mohareb 'strijd tegen God' en mofzed fi'l arz 'verderf zaaien op aarde' strafbaar stellen en de artikelen 498-512 van het Wetboek van Strafrecht. Zowel leden van gewapende oppositiegroeperingen als personen die deze organisaties ondersteunen, kunnen onder deze artikelen vallen. De straffen die volgens artikel 190 van het Wetboek van Strafrecht op deze delicten staan, zijn gevangenisstraf, lijfstraffen of in het zwaarste geval de doodstraf”. Dat verzoekers dus aangeven om welke reden zij specifiek denken geviseerd te zullen worden; Dat verzoekster meende te kunnen vertrouwen op het principe "dat de verklaringen van de verzoeker een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk. plausibel en oprecht zijn" (HATHAWAY, The Law of Refugee Status, 101 e.v.); Dat de tegenpartij, door hieraan toe te voegen dat verzoeker het reële risico op vervolging bovenop zijn zeer plausibele verklaringen nog zou moeten bewijzen, zonder overigens tevoren deze vraag te hebben gesteld, een tegenstrijdige motivering geeft die niet in overeenstemming is met de bepaling van artikel 57/22 van voornoemde Wet van 15 december 1980;”; XIV-23.203-2/4 1.
- Overwegende dat het middel kritiek bevat op de beoordeling van de feiten en er derhalve in wezen toe strekt de beoordeling van de feitenrechter in verband met de geloofwaardigheid van verzoeksters asielrelaas en van de toestand in haar land en streek van herkomst te laten overdoen, hetgeen evenwel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de Proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft; dat noch uit het verzoekschrift dat bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werd ingediend, noch uit het zittingsverslag van de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, blijkt dat de verzoekende partij de aandacht heeft gevestigd op het Nederlandse Ambtsbericht waarnaar in het huidige verzoekschrift wordt verwezen, noch dat zij expliciet heeft gewezen op de Iraanse wetsbepalingen waarvan zij de toepassing vreest bij een eventuele terugkeer; dat deze verwijzingen niet dienstig voor het eerst in graad van cassatie kunnen worden aangevoerd; dat de eerbiediging van de motiveringsplicht, noch de rechten van verdediging inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motieven op grond waarvan ze voornemens is een beroep af te wijzen vooraf dient mee te delen aan de vreemdeling, noch dat zij vooraf dient aan te duiden welke precieze bewijzen zij van de vreemdeling, die om erkenning als vluchteling vraagt, verwacht; dat op de vreemdeling zelf de verplichting rust om, in de mate van het mogelijke, bewijselementen ter staving van zijn relaas aan te voeren en het ontbreken ervan te verklaren; dat de kritiek van de verzoekende partij dat de motivering van de bestreden beslissing tegenstrijdig is waar, enerzijds, wordt verwezen naar het voordeel van de twijfel dat kan worden verleend door de verklaringen van de vreemdeling als voldoende bewijs te beschouwen en, anderzijds, de eis om de reële risico’s bij terugkeer te bewijzen moet worden verworpen; dat in de bestreden beslissing klaar en duidelijk wordt gesteld dat dit voordeel slechts kan worden verleend in de mate de verklaringen van de betrokken vreemdeling mogelijk, waarschijnlijk en eerlijk zijn en bovendien coherent en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat uit de alinea waarin dit principe werd opgenomen onomstotelijk blijkt dat in casu slechts een algemene regel waaraan men zich wenst te houden wordt geponeerd, zonder enige uitspraak te doen over het al dan niet beantwoorden van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen hieraan; dat de motivering van de bestreden beslissing voor het overige op een afdoende wijze aangeeft waarom tot de weigering van erkenning wordt besloten: het gebrek aan leidinggevende functie binnen de oppositiepartij waarvan verzoeksters echtgenoot beweert lid te zijn, het gebrek aan bewijs waaruit zou blijken dat de Iraanse overheid op de hoogte is van het feit dat hij faxen heeft verstuurd of eraan heeft meegewerkt, op basis van de algemene situatie in Iran toont hij niet aan dat hij een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren omwille van zijn activiteiten in België en dat hij evenmin bewijzen voorlegt waaruit zou XIV-23.203-3/4 blijken dat personen die in een gelijkaardige situatie verkeerden bij terugkeer naar Iran werden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag; dat in de mate dat het enig middel ontvankelijk is, het niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.203-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.