id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.505 Rolnummer: A. 166375/XIV-23662 Zaak: Arrest 158505 - - 09/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 18:50 Fiche Arrest nr 158.505 van 9 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.505 van 9 mei 2006 in de zaak A. 166.375/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sri Lankaanse nationaliteit, op 26 september 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 augustus 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 15 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-23.662-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. THOMAS die, loco Advocaat S. BUYSSE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep.. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen; van het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in bestreden beslissing het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen grondig onderzoek instelt naar verzoekers vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, bij een terugkeer van verzoeker naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet afdoende is. Dat door de Vaste Beroepscommissie zelf geen echt grondig onderzoek werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, bij een terugkeer naar zijn land, Sri Lanka. Dat immers er inderdaad sprake is van een wapenstilstand in het land van verzoeker maar dat de mensenrechten nog steeds in gevaar zijn. Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen nalaat precies de situatie van de mensenrechten in Sri Lanka te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. http://www.amnesty.nl/landeninfo/llp_sril_2005.shtml "De wapenstilstand tussen de regering en de Tamil Tijgers (Liberation Tigers of Tamil Eelam, LTTE) bleef van kracht, ondanks een aantal schendingen en de nog altijd vastzittende vredesbesprekingen. De mensenrechtensituatie in het noordoosten verslechterde aanzienlijk na een gewelddadige splitsing binnen de LTTE in april en een drastische toename van het aantal politiek gemotiveerde moorden. Ofschoon een groot aantal kindsoldaten werd vrijgelaten tijdens de interne strijd, bleven de LTTE kinderen inlijven, onder meer door middel van ontvoering. In november kondigde de regering "reactivering " van de doodstraf aan. Marteling in politiehechtenis kwam naar verluidt veel voor en slachtoffers die verhaal haalden werden bedreigd en gemolesteerd. Er werd weinig vooruitgang geboekt bij het berechten van veiligheidsagenten wegens mensenrechtenschendingen uit het verleden. Religieuze minderheden werden in het nauw gedreven, onder meer door aanvallen op christenen en moslims en het indienen van een wetsvoorstel om bekeringen aan banden te leggen." Mijn cliënt riskeert wegens zijn verleden vervolgd te worden. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, vreest te worden vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees duidelijk actueel is en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. XIV-23.662-2/4 Dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat deze motivering niet kan beschouwd worden als een precieze, adequate en pertinente motivering van een bevestigende beslissing; welke besluit tot een ongegronde (in de zin van de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951) asielaanvraag. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Verzoeker heeft volgende grieven inzake de vaststelling van de feiten: Dat verzoeker genoegzaam zijn afkomst door zijn kennis van het land heeft aangetoond. Verzoeker heeft een subjectief element vrees aangetoond. Dat verzoeker daarom niet begrijpt waarom het asielrelaas niet verder onderzocht werd en enkel verwezen wordt naar een document waaruit zijn vrees niet langer actueel zou zijn. Terwijl dit in strijd is met andere beschikbare informatie. Dat overeenkomstig de Vreemdelingenwet de beslissingen met redenen zijn omkleed. Dat aan iedere administratieve rechtshandeling draagkrachtige motieven ten grondslag moeten liggen. Dat de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in bestreden beslissing het artikel l,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen grondig onderzoek instelt naar verzoekers vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, bij een terugkeer van verzoeker naar zijn land.”; 1.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker in wezen stelt dat de bestreden beslissing nalaat de mensenrechtensituatie in Sri Lanka te beoordelen, waardoor, onder meer, de zorgvuldigheidsplicht wordt geschonden, waardoor hij riskeert te worden vervolgd bij terugkeer en hij niet begrijpt dat zijn asielaanvraag niet diepgaander wordt onderzocht en slechts wordt verwezen naar een document waaruit de actualiteit van zijn vrees niet meer zou blijken; dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat verzoeker niet duidelijk maakt wie hij juist vreest bij terugkeer naar Sri Lanka, de Sri Lankaanse autoriteiten dan wel de LTTE; dat in de bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bestreden beslissing volgens de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht wordt gemotiveerd dat verzoeker in de huidige omstandigheden geen vluchtelingenrechtelijke vrees dient te koesteren; dat wordt vastgesteld dat de betrouwbare informatie door verzoeker niet wordt tegengesproken, noch dat hij aangeeft waarom hij nog vervolging dient te vrezen, dit alles omstandig toegelicht in de motivering van de bestreden beslissing; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen over de juistheid en de objectiviteit van zijn informatiebronnen; dat deze beoordeling door de administratieve cassatierechter niet kan worden overgedaan; dat, gelet op de motivering van de bestreden beslissing moet worden geconcludeerd dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de beslissing op afdoende wijze heeft gemotiveerd en daarbij zorgvuldig te werk is gegaan; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-23.662-3/4
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.662-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div