id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.506 Rolnummer: A. 164563/XIV-23166 Zaak: Arrest 158506 - - 09/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 18:51 Fiche Arrest nr 158.506 van 9 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.506 van 9 mei 2006 in de zaak A. 164.563/XIV-23.
- In zake : XXX, wonende te 2322 MINDERHOUT, Venhoef 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 25 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 juni 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat N. VAN DER SMISSEN die, loco Advocaat E. CALUWAERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; XIV-23.166-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, werpt verzoeker volgend middel tot nietigverklaring op. Genomen uit de schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, met name schending van het de motiveringsplicht en redelijkheidbeginsel. Verzoeker gaf tijdig aan de Vaste beroepscommissie te kennen dat hij onmogelijk aanwezig kon zijn op de zitting wegens ziekte. Hij staafde zijn verzoek tot uitstel met een medisch attest. Zonder enige motivering werd het medisch attest dat verzoeker bijbracht van de hand gewezen. Bovendien werd door de Vaste beroepscommissie afbreuk gedaan aan het recht van verzoeker persoonlijk ter zitting aanwezig te zijn. De situatie van verzoeker, zijn ervaringen in zijn land van herkomst en de afgelegde reisweg zijn zeer complex, zodat een verhoor hierover enkel zin heeft, indien verzoeker op de zitting aanwezig is. Het belang van persoonlijke aanwezigheid op de zitting is dan ook groot. De Vaste beroepscommissie nam een beslissing die de grenzen van evenwicht en redelijkheid overschrijdt door te stellen dat -ondanks het gestaafde voorafgaande verzoek van verzoeker, er niet kon ingegaan worden op het verzoek tot uitstel.”; 1.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins verplicht is de behandeling van de zaak uit te stellen wanneer, om medische redenen, om verdaging wordt gevraagd, maar soeverein oordeelt of er al dan niet geldige redenen voorhanden zijn om het gevorderd uitstel te verlenen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, in de bestreden beslissing wel degelijk wordt aangegeven waarom de vraag tot uitstel en het bijgevoegd medisch attest worden verworpen, met name omdat “voormeld attest op geen enkele wijze aanduidt dat appellant op 20 juni 2005 in de onmogelijkheid verkeert zich te onderwerpen aan een verhoor ter zitting”; dat door het gevraagde uitstel om voormelde reden te verwerpen het recht van verzoeker om persoonlijk aanwezig te zijn niet werd geschonden; dat, met toepassing van artikel 57/17 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, na vastgesteld te hebben dat de vreemdeling niet op de terechtzitting van 20 juni 2005 verscheen en zich niet heeft laten vertegenwoordigen door zijn advocaat, louter op grond van dit motief de bestreden beslissing kon nemen; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-23.166-2/3 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.166-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.