← België

Arrest 158588 - - 10/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.588 Rolnummer: A. 132001/XIV-13522 Zaak: Arrest 158588 - - 10/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 18:58 Fiche Arrest nr 158.588 van 10 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.588 van 10 mei 2006 in de zaak A. 132.001/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BEERNAERT, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Hugo Verrieststraat 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 20 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 29 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.522-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat J. BEERNAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX komt op 21 januari 2002 België binnen en vraagt op 22 januari 2002 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 23 juli 2002 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 31 juli 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op de zitting van 26 november 2002 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat J. BEERNAERT, gehoord. 1.
  7. Op 19 december 2002 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: “U verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Teheran. Volgens uw verklaringen werd u twee jaar geleden gearresteerd en veroordeeld omdat u als muzikant had opgetreden op een verboden feestje. U verklaarde dat uw huidige problemen, waardoor u Iran bent ontvlucht, ontstaan zijn omwille van uw relatie met uw tante. Uw tante, Touran Massoumi is even oud als u en jullie hadden sinds jullie kindertijd een goede band met elkaar. Rond uw achttien jaar begon u met haar een seksuele relatie. Onder druk van haar familie trouwde ze op 18/06/1380 ( Iraanse jaartelling, stemt overeen met 08/09/2001). Na haar huwelijk ontmoette u haar vaak op de momenten dat haar man nachtdienst had. In de nacht van 10/10/1380 (31/12/2001) werd u door hem en zijn vrienden betrapt toen u zich met uw tante in bed bevond. U bent via het balkon gevlucht maar vergat uw jas. U bent XIV-13.522-2/10 onmiddellijk naar het huis van een vriend, Davood Hafik geweest, U belde uw bevriende buur Shahroh Azizi op. Hij zei dat uw huis door de politie omsingeld was en vroeg u wat er gaande was. U sprak met hem af in het huis van Hafwi. Daar besloten jullie dat het beter was dat u Iran verliet. U bent op 17/10/1380 (07/01/2002) uit Iran vertrokken. U bent in België toegekomen op 21/01/2002 waar u dezelfde dag asiel hebt aangevraagd.”; Overwegende dat appellant zijn identiteit aantoont aan de hand van een militaire kaart; dat hij eveneens een vertaald diploma neerlegt van het secundair onderwijs; dat appellant stelt dat zijn familie zich van hem heeft afgekeerd en hem weigert te helpen; dat hij wel documenten kan neerleggen omdat al zijn documenten toevallig bij zijn vriend lagen en niet bij zijn ouders; dat een dergelijke toelichting niet ernstig is en bovendien door appellant later ter zitting tegengesproken wordt daar hij beweert dat zijn moeder de gerechtsdocumenten aan zijn vriend gaf; Overwegende dat appellant niet aantoont wanneer hij zijn land verliet en in België toekwam; dat appellant ter zitting stelt dat hij in Tabriz met een smokkelaar naar een dorpje reed; dat hij toen in een containervrachtwagen is gestapt en na twee weken is aangekomen in België; dat hij niet weet welke landen hij heeft doorkruist en geen enkele nadere toelichting kan geven over zijn reisweg; dat appellant de plicht heeft mee te werken om de waarheid te achterhalen; dat hij in verband met zijn reisweg onvolledige en vage verklaringen aflegt en aldus vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt; Overwegende dat appellant ter zitting herhaalt dat hij voor overspel werd veroordeeld; dat dit tegenstrijdig is met zijn verklaring dat hij een ongehuwde man is; Overwegende dat appellant een document neerlegt van de politiediensten, de Neruye Entezami; dat dit document geen specifieke informatie vermeldt in verband met de aangebrachte feiten; Overwegende dat appellant daarbij een vonnis neerlegt dat vermeldt: "bevestigt de schuld van de betrokkene en volgens de paragraaf A van het artikel 82 van de Islamitische correctionele wetgeving en oordeelt dat de beschuldigde van de eerste rij [is appellant] en de tweede rij [is de tante] moeten terechtgesteld worden; Dat het vonnis enkel verwijst naar artikel 82 met name de verboden seksuele relaties onder meer wegens bloed- of aanverwantschap; dat het niet mogelijk is dat de tante als gehuwde vrouw enkel volgens dit strafwetsartikel werd veroordeeld tot de dood; dat dit document een begin van bewijs kan zijn doch slechts één element is in het dossier en op zich onvoldoende is tenzij het ondersteund wordt door de verklaringen van appellant; dat het evenmin aannemelijk is dat appellant geen kennis heeft van het gevoerde proces; Overwegende dat appellant in zijn verzoekschrift stelt dat zijn vrees voor vervolging niet zozeer is gericht tot de staat maar wel tot de echtgenoot van de tante: "Verzoeker is tevens van oordeel dat de beoordeling van het tweede motief van medeplichtigheid aan overspel enkel teruggaat tot het citeren van de bestraffing door de Iranese strafwet, maar geen rekening houdt met de gevolgen die de Islamleer aan oneer voorbehoudt. Art. 20.21 verleent de vrouwen wel eervolle rechten en verplichtingen, maar hun echtgenoten hebben een graad boven hen. De man wordt door het overspel van zijn vrouw onteerd. Die oneer kan hij op de persoon met (w)ie zij dit overspel pleegde wreken. De wijze waarop hij die wraakneming uitvoert speelt geen rol maar geeft in elk geval voor de betrokken aanleiding tot een vrees voor de aanslag op zijn integriteit zelfs op zijn leven. Wanneer verzoeker in zijn verklaringen beweert dat hij de doodstraf riskeert dan dient dit niet uitsluitend in de context van de penale bepalingen te worden benaderd maar ook in de context van de maatschappij en het geloof en de mentaliteit waarin wordt geleefd.”; Dat de verklaringen van de appellant coherent en plausibel moeten zijn; dat hij een poging moet ondernemen bewijselementen aan te brengen ter staving van het relaas en bij het ontbreken hiervan een aannemelijke uitleg moet geven; dat de verklaringen geloofwaardig moeten zijn (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, par. 195 e.v., Genève, 1979); dat dit in casu niet het geval is; dat appellants verklaringen niet coherent, noch geloofwaardig, zijn; dat hij over de contacten met zijn familie niet eenduidig is; dat appellant ter zitting geen informatie kon geven over het bestaan van zijn minnares en tante, noch over haar lot; XIV-13.522-3/10 Dat hij niet aantoont dat er een tante is die effectief werd beschuldigd van overspel met een neef en tot de dood door steniging is veroordeeld; dat een steniging voor overspel zonder bijkomende misdaad, dermate ongewoon is in Iran dat het zeker in de aandacht zou zijn gekomen van de goed georganiseerde vrouwen- en mensenrechtengroepen; dat appellant ter zitting niet kan toelichten waarom hij niet via publieke bronnen de veroordeling voor overspel van zijn tante kan aantonen; dat hij hierin eveneens zijn eigen betrokkenheid bij deze feiten had kunnen aantonen; dat appellant zijn relaas niet aannemelijk, noch geloofwaardig, maakt; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”;
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “3.b.
  10. Machtsoverschrijding volgend uit de artikelen 48 en volgende van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van de vluchtelingen, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Overeenkomstig art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de juridische en feitelijke overwegingen die aan de basis van de beslissing liggen worden vermeld. Zij moeten afdoende zijn. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken trof op 28.02.2002 een beslissing waarbij het verblijf verzoeker werd geweigerd op grond van de overweging dat het ingeroepen motief van medeplichtigheid aan overspel geen verband houdt met de criteria bepaald bij art. 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, noch met andere criteria die de toekenning van asiel weigeren. Tegen deze beslissing tekende verzoeker beroep aan met aanvulling van het ingeroepen motief met het motief sub één vermeld. Hij vulde op 24.05.02 een omstandige vragenlijst in. Dit gaf aanleiding tot een ontvankelijkheidbeslissing van noodzaak van verder onderzoek met dezelfde dagtekening. Tenslotte volgde op 23.07.02 een beslissing van ongegrondheid van zijn asielaanvraag, waartegen beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen werd ingesteld. In de motivering van zijn verzoekschrift tot hoger beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelde verzoeker dat de bestreden beslissing geen rekening hield met het aangehaalde motief van optreden voor een groepering die het regime niet genegen was en de daaruit voortgevloeide vervolging en bestraffing. Naar de Iranese binnenlandse context toe geeft dit aanleiding tot een verdachtmaking van inbreuk op art. 1 van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran. Dat artikel beoogt een gunstig klimaat tot stand te brengen voor de aangroei van morele waarden gebaseerd op geloof en vroomheid en de strijd tegen ieder vorm van ondeugd en corruptie. Art. 26 van dezelfde wet verbiedt de oprichting van groepen of welkdanige verenigingen die de criteria van de Islam, die de basis zijn van de Islamitische republiek, kunnen schenden. Het bestaan en instellen van een regime van bespieders en verklikkers is niet te negeren. Zie de tekst van art. 174 van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran dat het bespieden van de gedragingen van ambtenaren organiseert. In deze context volstaat het éénmalige omgaan met groeperingen die het regime niet genegen zijn om verder het voorwerp van bespieding uit te maken en voortdurend zijn handel en wandel te zien nagaan. Die vorm van vrijheidsbeknotting dient te worden beoordeeld als in aanmerking komend voor de draagwijdte van de vervolging in de zin van art. 1 van het Internationaal verdrag. XIV-13.522-4/10 De bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen ontmoet dit argument op geen enkel punt. Niettemin is het van aard om constitutief te zijn voor de vervolging in de zin van voormeld artikel. Tijdens de verdere behandeling van zijn asielaanvraag legde verzoeker documenten omtrent zijn identiteit en opleiding neer. Hij bekwam die via een vriend. Op de vraag hoe hij in het bezit kwam van de voorlegde documenten houdt hij voor dat hij die bekwam via een vriend aan wie ze door zijn moeder waren overhandigd. De beslissing beschouwt die toelichting als niet ernstig Waar betrokkene geen enkel contact met zijn familie heeft is hij enkel aangewezen op een contact met een vriend. Wanneer hij deze vraagt om documenten te bekomen die in het bezit van zijn moeder zijn dan vraagt deze vriend die documenten bij haar op en bezorgt ze aan verzoeker. Dat contacten met familie, na zijn land te hebben verlaten en inmiddels ter dood te zijn veroordeeld, te vermijden zijn, om te voorkomen dat tegen hen represailles worden getroffen, lijkt op zijn minst aannemelijk en is niet van aard om aan de ernst van die toelichting te twijfelen. Dat verzoeker verborgen in een gesloten container geen beschrijving van zijn reisroute kan geven is nogal in het oog springend en niet van aard om verzoeker daar een gemis aan medewerking aan te meten en zijn geloofwaardigheid in het gedrang te brengen. Bij de behandeling van de zaak voor de Vaste Beroepscommissie was verzoeker inmiddels in het bezit gekomen van een afschrift van de veroordeling door een strafrechtbank te Teheran die hem en zijn tante, waarmede het overspel werd gepleegd, ter dood veroordeelt. Dit stuk wordt als bewijselement afgedaan met de beschouwingen: dat het niet ondersteund is door de verklaringen van verzoeker en het evenmin aannemelijk is; dat hij geen kennis heeft van het proces; dat hij ter zitting niet kan toelichten waarom hij niet via publieke bronnen de veroordeling wegens overspel van zijn tante kan aantonen; dat het niet mogelijk is volgens het in het vonnis aangehaalde artikel 82 dat zijn tante tot de dood werd veroordeeld. Dit alles wordt vanuit dezelfde invalshoek van ongeloofwaardigheid benaderd en beoordeeld. Echter volkomen ten onrechte. De inhoud van dit artikel wordt hier immers duidelijk miskend. Artikel 82 van de Islamitische Strafwet beschouwt het plegen van overspel met nauwe bloedverwanten, waaronder ook een tante ressorteert, als incest en straft de beide overtreders met de doodstraf. Dit maakt meteen duidelijk dat verzoeker op dit vlak de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan inroepen. Het motief door verzoeker aangehaald houdend de vrees voor de gevolgen die de Islamleer aan onteren van de man door het overspel van zijn vrouw voorbehoudt wordt afgedaan als niet coherente, ongeloofwaardige verklaringen. Dat verzoeker niet eens over informatie beschikt over zijn tante, zijn minnares, over haar lot mag hem niet ten kwade worden geduid. Aan de basis ligt toch manifest de vrees voor verdere vervolgingen waar deze personen kunnen worden aan bloot gesteld. De wettelijke context voor de vrees spruitend uit de wraakneming van de man wordt in het verzoekschrift klaar toegelicht. Art. 20.21 verleent de vrouwen wel eervolle rechten en verplichtingen, maar hun echtgenoten hebben een graad boven hen.(2;228) De man wordt door het overspel van zijn vrouw onteerd. Die oneer kan hij op de persoon met wie zij dit overspel pleegde wreken De wijze waarop hij die wraakneming uitvoert speelt geen rol doch verwekt in elk geval voor de betrokkene de vrees voor de aanslag op zijn integriteit of zelfs op zijn leven. Wanneer verzoeker in zijn verklaringen beweert dat hij voor zijn leven vreest van de kant van die man dan dient dit niet uitsluitend in de context van de penale bepalingen te worden benaderd maar ook in de context van de maatschappij en het geloof en de mentaliteit waarin wordt geleefd. De man van die tante is een Koerd. Die staan als fanatiek in hun godsdienstbeleving bekend. Hij heeft samen met de drie vereiste getuigen klacht ingediend ook tegen verzoeker. Volgens de Koran staat die boven de wetsartikels en kan hij ongestraft verzoeker vermoorden, castreren en dergelijke aanslagen op zijn fysieke integriteit plegen. Aan dergelijke vervolgingen ten prooi staan dient als een gegronde vrees en vervolging in de zin van het Verdrag te worden aangezien.”; XIV-13.522-5/10 2.1.
  1. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Verzoekers eerste middel: "Machtsoverschrijding volgend uit de artikelen 48 en volgende van de wet van 15.12.1980, artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van de vluchtelingen, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen". De verwerende partij merkt vooreerst op dat de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen geenszins toepassing vindt ten aanzien van de in casu bestreden beslissing dd. 11.09.2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (R.v.St. nr. 103.260, 06.02.2002). Betreffende de vermeende schending van de motiveringsplicht laat verwerende partij ten overvloede gelden dat in toepassing van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd. De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoeker zodanig in gevaar was dat deze zijn land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. Immers, de argumentatie van verzoeker is kennelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald van de waarachtigheid van de door verzoeker afgelegde verklaringen. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht van de door verzoeker afgelegde verklaringen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze verklaringen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers eerste middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen te betwisten, dient ook dit middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat verzoeker in zijn middel slechts enkele aspecten (van motivering) van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen 'betwist' en daarbij niet aantoont dat in de veronderstelling dat zijn kritiek op de betrokken overwegingen in het raam van de onderhavige rechtspleging beoordeelbaar en, in voorkomend geval, correct zou zijn, quod non, de bestreden beslissing daardoor, in haar geheel genomen niet langer zou worden geschraagd door een afdoende motivering. Er werd het naar oordeel van de verwerende partij naar behoren voldaan aan de motiveringsplicht, nu in de bestreden beslissing uitvoerig wordt verwezen naar o.a. het feit dat de neergelegde stukken slechts een begin van bewijs zijn, op zich onvoldoende zijn en de verklaringen van verzoeker niet coherent, geloofwaardig en plausibel zijn, en dat hij geen aannemelijke uitleg geeft voor de door hem aangehaalde motieven. Het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker behoort te worden afgewezen. XIV-13.522-6/10 In zoverre de verzoekende partij de artt. 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie dd. 28.07.1951 geschonden acht, laat de verwerende partij gelden dat in het geval de door de verzoeker ingeroepen vluchtmotieven van gemeenrechtelijke aard zijn, zij niet vallen onder de criteria van de Conventie van Genève en daarenboven verzoekers verklaringen niet coherent, geloofwaardig en plausibel zijn er dan ook geen reden is om het verhaal van betrokkene verder te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28.07.195
  2. Derhalve kan er in die zin geen sprake zijn van de door verzoeker ingeroepen schending van de artt. 1 en 33 van het verdrag van Genève dd. 28.7.1951 betreffende de status van vluchtelingen. In antwoord op verzoekers kritiek m.b.t. het niet bewijzen van zijn reisweg kan dan weer worden opgemerkt dat de 'reisweg' van een kandidaat-vluchteling van groot belang is bij de beoordeling van een asielaanvraag, en dat de bewijslast hieromtrent in beginsel rust op verzoeker, die in de mate van het mogelijk bewijzen moet aanbrengen ter staving van zijn relaas (zie onder meer UNHCR, Guide de procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1979, 53). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft, in het licht van de door haar gemaakte en in de bestreden beslissing weergegeven vaststellingen, terecht geoordeeld dat verzoeker geen enkel reisbescheid voorlegde, hij onvolledige en vage verklaringen dienaangaande aflegde, en hij op dit punt aldus vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers tweede onderdeel van het eerste middel niet kan worden aangenomen. In zoverre verzoeker stelt dat in de in casu bestreden beslissing geen melding zou zijn gemaakt van de door hem ingeroepen motieven met betrekking tot verzoekers omgang met groeperingen die het regime niet genegen zijn en de gevolgen die daaraan verbonden worden in Iran, merkt de verwerende partij op dat de verplichting om een beslissing met redenen te omkleden niet behelst dat op alle argumenten van een procespartij behoort te worden geantwoord. Te meer verzoeker van zijn vermeende omgang geen bewijzen voorlegt en zich beperkt tot loutere beweringen die in het geheel van verzoekers vluchtrelaas weinig geloofwaardig en waarschijnlijk overkomen. Bovendien is het uiterst merkwaardig dat verzoeker deze argumenten niet van in het begin, bij het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken ontwikkelde. Om de bestreden beslissing te verbreken, volstaat het niet dat verzoeker vermeldt dat rond bepaalde door hem voorgelegde stukken of aangehaalde feiten door de Vaste Beroepscommissie niet werd geargumenteerd of er beweerdelijk geen rekening werd gehouden met bepaalde elementen. Verzoeker dient concreet aan te tonen dat één of meerdere door hem opgeworpen middelen (!) niet werden beantwoord en, in voorkomend geval, dat deze niet beantwoording door de wel in de beslissing gemaakte vaststellingen niet wordt verantwoord. Dit bewijs wordt niet geleverd. Verzoekers eerste middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 2.1.
  3. Overwegende dat verzoeker repliceert : “Eerste Middel: Motiveringsplicht in toepassing van art. 57/22 van de Vreemdelingenwet van15.12.
  4. Dit artikel stelt "met redenen omkleed" en "met vermelding van de omstandigheden van de zaak".Verwerende partij is van mening dat de motivering in de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan deze vereisten beantwoordt. Nochtans houdt de bestreden beslissing geen enkele weergave in van het gegeven bestaande in het optreden als muzikant voor een groepering die het regime niet genegen was en de daaruit voortgevloeide vervolging en bestraffing. Niettemin is dit gegeven constitutief voor de vervolging in de zin van art. 1 van het Internationaal Verdrag, zoals in het verzoekschrift tot beroep werd naar voorgebracht met verwijzing naar de bepalingen van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran (art. 1, 26, en 174) De éénmalige omgang met groeperingen die de criteria van de Islam en ergo van de XIV-13.522-7/10 Islamitische Republiek kunnen schenden volstaat om blijvend het voorwerp van bespieding en daaruit volgende vervolging uit te maken. De bestreden beslissing motiveert niet ten genoege van rechte de negatie van het bewijs dat voorvloeit uit de neerlegging van de tekst van het verdict van de Rechtbank van Islamitische Republiek van Iran, zijnde de Correctionele Rechtbank van Islamshahr van 2 juni 2002 dat oordeelt dat verwerende partij moet terechtgesteld worden. De bestreden beslissing beoordeelt dit vonnis met de beschouwing dat het niet mogelijk is dat de tante als gehuwde vrouw enkel volgens dit strafwetsartikel werd veroordeeld tot de dood. Dit is geen voldoende motivering. Immers volgens artikel 82 van de Islamitische Strafwet kan overspel bedreven met zeer dichte bloedverwanten (o.m. met een tante) worden bestraft met de doodstraf van de overspelige man en overspelige vrouw. In weerwil van de tekst van de wet in algemene bewoordingen gaan voorhouden dat het niet mogelijk is houdt een bewering in die in strijd is met de tekst van het artikel zelf en vooral in strijd met de tekst van het vonnis. Als motivering voor de verwerping van een vonnis kan bezwaarlijk gelden dat het niet mogelijk is. Het vonnis veroordeelt verzoeker tot de doodstraf en de Vaste Beroepscommissie zegt het is niet mogelijk. Voorhouden dat het niet aannemelijk is dat verzoeker geen kennis heeft van het gevoerde proces gaat al evenmin als motivering op. Het vonnis dateert van 2 juni
  5. Reeds van 22 januari 2001 vertoeft verzoekende in België. Hoe kan hij dan kennis hebben van het gevoerde proces? Dit beantwoordt geenszins aan de vereiste motiveringsplicht. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen negeert op die wijze stukken die precies worden verschaft om het verhaal van verzoeker te versterken en de beoordeling van zijn verhaal als ongeloofwaardig tegen te gaan.. Dat verzoeker geen uitleg kan geven over het bestaan en het lot dat naderhand na de uitspraak werd beschoren aan zijn tante/minnares kan niet in aanmerking worden genomen als een element om te besluiten tot ongeloofwaardigheid van zijn verhaal. Het is toch voor de hand liggend dat hij met haar en haar onmiddellijke omgeving geen contact gaat opnemen om te informeren hoe het met haar gaat op gevaar af van de plaats waar hij gevlucht is prijs te geven. Onderdeel van het Middel: Schending art. 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie van 28.07.195
  6. De door verzoeker ingeroepen vluchtmotieven beperken zich niet tot gemeenrechtelijke motieven maar ook tot politieke motieven. Die laatste werden echter door de bestreden beslissing volkomen over het hoofd gezien. Aannemend dat niet (expliciet) op alle argumenten van een procespartij moet worden geantwoord dan valt dit te begrijpen in de zin dat uit een motivering ook impliciet een argument wordt beantwoord. Ter zake is dit geenszins het geval. Het argument in kwestie van vervolging en vrees voor vervolging uit hoofde van politieke sympathieën of medewerking met politieke groeperingen die het regime niet genegen zijn werd in de getroffen beslissing helemaal niet impliciet afgedaan. Dit is een concreet middel dat niet werd beantwoord. Deze hiaat in de motivering is van belang omdat de vrees van verzoeker voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag hier is op gebaseerd. ' Het gemis aan beschrijving van de reisweg is niet van doorslaggevend belang bij de beoordeling van de asielaanvraag. Wanneer uit de omstandigheden van het vervoer blijkt dat geen gelegenheid wordt geboden om uit te maken welke reisweg wordt gevolgd, dan kan het aan de vervoerde niet ten euvel worden geduid dat hij die niet precies kan beschrijven. Dit zou dan eerder aan de vervoerder moeten toegemeten worden want hij is het die dit precies wil vermijden. Dit kan geenszins als een element van ongeloofwaardigheid worden aangezien. Tweede Middel: Beginselen van behoorlijk bestuur zijn eveneens van toepassing op de Vaste Beroepscommissie daar zij als elk rechtscollege gehouden is tot behoorlijk motiveren. Het machtsmisbruik is duidelijk aangewezen in het negeren van middelen van substantiële aard zoals het openlijk omgaan met politieke groeperingen die het regime niet tolereert, en ervoor te zijn gestraft geworden.”; 2.1.
  7. Overwegende dat in zijn opeenvolgende verklaringen en in het bijzonder in zijn beroepschrift van 31 juli 2002 aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verzoeker melding heeft gemaakt van, enerzijds, zijn veroordeling omwille van een XIV-13.522-8/10 optreden tijdens een verboden feestje en, anderzijds, van zijn relatie met zijn gehuwde tante; dat uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat, wat laatstgenoemde feiten betreft, te weten zijn relatie met zijn gehuwde tante, zijn asielaanvraag werd verworpen omdat zijn verhaal op een paar cruciale punten ongeloofwaardig overkwam, onder meer, omdat hij als ongehuwde man niet voor overspel kan worden veroordeeld en omdat hij niet aantoont dat er een tante is die effectief werd beschuldigd van overspel met een neef en tot de dood door steniging is veroordeeld, temeer daar een steniging voor overspel zonder bijkomende misdaad dermate ongewoon is in Iran dat het zeker in de aandacht zou zijn gekomen van de goed georganiseerde vrouwen- en mensenrechtengroepen; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, wat het voorgehouden overspel betreft, deze feiten foutief zou hebben gekwalificeerd, noch dat zij de bewijskracht van de aan haar voorgelegde stukken, waaronder het vonnis, of van de inhoud ervan zou hebben miskend door er een uitlegging aan te geven op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; dat met zijn loutere, niet met concrete gegevens onderbouwde bewering dat artikel 82 van de Islamitische strafwet ook het plegen van overspel met een tante als incest beschouwt en beide overtreders met de dood straft, verzoeker geenszins aantoont dat de informatie waarop de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich steunt -en die zich in het administratief dossier bevindt- om te stellen dat hij, enerzijds, als ongehuwde man niet voor overspel kan worden veroordeeld en dat zijn tante, anderzijds, als gehuwde vrouw onmogelijk enkel volgens artikel 82 van de Islamitische correctionele wetgeving kan veroordeeld worden tot de dood, onjuist zou zijn; dat haar dan ook geen miskenning van de bewijskracht van de stukken kan worden verweten; dat, wat evenwel de ingeroepen veroordeling wegens zijn optreden op een verboden feestje betreft, verzoeker op goede gronden aanvoert dat in de bestreden beslissing enkel gewag wordt gemaakt van het aangevoerde overspel, doch dat uit geen enkel motief -ook niet impliciet- blijkt dat met de aangevoerde veroordeling en de daarmee samenhangende vrees rekening werd gehouden, niettegenstaande hij hier in zijn beroepschrift uitdrukkelijk op wees; dat de bestreden beslissing op dit punt dan ook niet naar behoren met redenen is omkleed; dat het eerste middel gegrond is, XIV-13.522-9/10 BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt de beslissing van 19 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd verzoeker als vluchteling te erkennen. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.522-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.