id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.588 Rolnummer: A. 132001/XIV-13522 Zaak: Arrest 158588 - - 10/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 18:58 Fiche Arrest nr 158.588 van 10 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.588 van 10 mei 2006 in de zaak A. 132.001/XIV-13.
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, noch met andere criteria die de toekenning van asiel weigeren. Tegen deze beslissing tekende verzoeker beroep aan met aanvulling van het ingeroepen motief met het motief sub één vermeld. Hij vulde op 24.05.02 een omstandige vragenlijst in. Dit gaf aanleiding tot een ontvankelijkheidbeslissing van noodzaak van verder onderzoek met dezelfde dagtekening. Tenslotte volgde op 23.07.02 een beslissing van ongegrondheid van zijn asielaanvraag, waartegen beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen werd ingesteld. In de motivering van zijn verzoekschrift tot hoger beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelde verzoeker dat de bestreden beslissing geen rekening hield met het aangehaalde motief van optreden voor een groepering die het regime niet genegen was en de daaruit voortgevloeide vervolging en bestraffing. Naar de Iranese binnenlandse context toe geeft dit aanleiding tot een verdachtmaking van inbreuk op art. 1 van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran. Dat artikel beoogt een gunstig klimaat tot stand te brengen voor de aangroei van morele waarden gebaseerd op geloof en vroomheid en de strijd tegen ieder vorm van ondeugd en corruptie. Art. 26 van dezelfde wet verbiedt de oprichting van groepen of welkdanige verenigingen die de criteria van de Islam, die de basis zijn van de Islamitische republiek, kunnen schenden. Het bestaan en instellen van een regime van bespieders en verklikkers is niet te negeren. Zie de tekst van art. 174 van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran dat het bespieden van de gedragingen van ambtenaren organiseert. In deze context volstaat het éénmalige omgaan met groeperingen die het regime niet genegen zijn om verder het voorwerp van bespieding uit te maken en voortdurend zijn handel en wandel te zien nagaan. Die vorm van vrijheidsbeknotting dient te worden beoordeeld als in aanmerking komend voor de draagwijdte van de vervolging in de zin van art. 1 van het Internationaal verdrag. XIV-13.522-4/10 De bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen ontmoet dit argument op geen enkel punt. Niettemin is het van aard om constitutief te zijn voor de vervolging in de zin van voormeld artikel. Tijdens de verdere behandeling van zijn asielaanvraag legde verzoeker documenten omtrent zijn identiteit en opleiding neer. Hij bekwam die via een vriend. Op de vraag hoe hij in het bezit kwam van de voorlegde documenten houdt hij voor dat hij die bekwam via een vriend aan wie ze door zijn moeder waren overhandigd. De beslissing beschouwt die toelichting als niet ernstig Waar betrokkene geen enkel contact met zijn familie heeft is hij enkel aangewezen op een contact met een vriend. Wanneer hij deze vraagt om documenten te bekomen die in het bezit van zijn moeder zijn dan vraagt deze vriend die documenten bij haar op en bezorgt ze aan verzoeker. Dat contacten met familie, na zijn land te hebben verlaten en inmiddels ter dood te zijn veroordeeld, te vermijden zijn, om te voorkomen dat tegen hen represailles worden getroffen, lijkt op zijn minst aannemelijk en is niet van aard om aan de ernst van die toelichting te twijfelen. Dat verzoeker verborgen in een gesloten container geen beschrijving van zijn reisroute kan geven is nogal in het oog springend en niet van aard om verzoeker daar een gemis aan medewerking aan te meten en zijn geloofwaardigheid in het gedrang te brengen. Bij de behandeling van de zaak voor de Vaste Beroepscommissie was verzoeker inmiddels in het bezit gekomen van een afschrift van de veroordeling door een strafrechtbank te Teheran die hem en zijn tante, waarmede het overspel werd gepleegd, ter dood veroordeelt. Dit stuk wordt als bewijselement afgedaan met de beschouwingen: dat het niet ondersteund is door de verklaringen van verzoeker en het evenmin aannemelijk is; dat hij geen kennis heeft van het proces; dat hij ter zitting niet kan toelichten waarom hij niet via publieke bronnen de veroordeling wegens overspel van zijn tante kan aantonen; dat het niet mogelijk is volgens het in het vonnis aangehaalde artikel 82 dat zijn tante tot de dood werd veroordeeld. Dit alles wordt vanuit dezelfde invalshoek van ongeloofwaardigheid benaderd en beoordeeld. Echter volkomen ten onrechte. De inhoud van dit artikel wordt hier immers duidelijk miskend. Artikel 82 van de Islamitische Strafwet beschouwt het plegen van overspel met nauwe bloedverwanten, waaronder ook een tante ressorteert, als incest en straft de beide overtreders met de doodstraf. Dit maakt meteen duidelijk dat verzoeker op dit vlak de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan inroepen. Het motief door verzoeker aangehaald houdend de vrees voor de gevolgen die de Islamleer aan onteren van de man door het overspel van zijn vrouw voorbehoudt wordt afgedaan als niet coherente, ongeloofwaardige verklaringen. Dat verzoeker niet eens over informatie beschikt over zijn tante, zijn minnares, over haar lot mag hem niet ten kwade worden geduid. Aan de basis ligt toch manifest de vrees voor verdere vervolgingen waar deze personen kunnen worden aan bloot gesteld. De wettelijke context voor de vrees spruitend uit de wraakneming van de man wordt in het verzoekschrift klaar toegelicht. Art. 20.21 verleent de vrouwen wel eervolle rechten en verplichtingen, maar hun echtgenoten hebben een graad boven hen.(2;228) De man wordt door het overspel van zijn vrouw onteerd. Die oneer kan hij op de persoon met wie zij dit overspel pleegde wreken De wijze waarop hij die wraakneming uitvoert speelt geen rol doch verwekt in elk geval voor de betrokkene de vrees voor de aanslag op zijn integriteit of zelfs op zijn leven. Wanneer verzoeker in zijn verklaringen beweert dat hij voor zijn leven vreest van de kant van die man dan dient dit niet uitsluitend in de context van de penale bepalingen te worden benaderd maar ook in de context van de maatschappij en het geloof en de mentaliteit waarin wordt geleefd. De man van die tante is een Koerd. Die staan als fanatiek in hun godsdienstbeleving bekend. Hij heeft samen met de drie vereiste getuigen klacht ingediend ook tegen verzoeker. Volgens de Koran staat die boven de wetsartikels en kan hij ongestraft verzoeker vermoorden, castreren en dergelijke aanslagen op zijn fysieke integriteit plegen. Aan dergelijke vervolgingen ten prooi staan dient als een gegronde vrees en vervolging in de zin van het Verdrag te worden aangezien.”; XIV-13.522-5/10 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Verzoekers eerste middel: "Machtsoverschrijding volgend uit de artikelen 48 en volgende van de wet van 15.12.1980, artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van de vluchtelingen, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen". De verwerende partij merkt vooreerst op dat de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen geenszins toepassing vindt ten aanzien van de in casu bestreden beslissing dd. 11.09.2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (R.v.St. nr. 103.260, 06.02.2002). Betreffende de vermeende schending van de motiveringsplicht laat verwerende partij ten overvloede gelden dat in toepassing van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoekers asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd. De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoeker zodanig in gevaar was dat deze zijn land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Terwijl de affirmaties van verzoeker niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. Immers, de argumentatie van verzoeker is kennelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald van de waarachtigheid van de door verzoeker afgelegde verklaringen. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht van de door verzoeker afgelegde verklaringen soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze verklaringen moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers eerste middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen te betwisten, dient ook dit middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat verzoeker in zijn middel slechts enkele aspecten (van motivering) van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen 'betwist' en daarbij niet aantoont dat in de veronderstelling dat zijn kritiek op de betrokken overwegingen in het raam van de onderhavige rechtspleging beoordeelbaar en, in voorkomend geval, correct zou zijn, quod non, de bestreden beslissing daardoor, in haar geheel genomen niet langer zou worden geschraagd door een afdoende motivering. Er werd het naar oordeel van de verwerende partij naar behoren voldaan aan de motiveringsplicht, nu in de bestreden beslissing uitvoerig wordt verwezen naar o.a. het feit dat de neergelegde stukken slechts een begin van bewijs zijn, op zich onvoldoende zijn en de verklaringen van verzoeker niet coherent, geloofwaardig en plausibel zijn, en dat hij geen aannemelijke uitleg geeft voor de door hem aangehaalde motieven. Het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker behoort te worden afgewezen. XIV-13.522-6/10 In zoverre de verzoekende partij de artt. 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie dd. 28.07.1951 geschonden acht, laat de verwerende partij gelden dat in het geval de door de verzoeker ingeroepen vluchtmotieven van gemeenrechtelijke aard zijn, zij niet vallen onder de criteria van de Conventie van Genève en daarenboven verzoekers verklaringen niet coherent, geloofwaardig en plausibel zijn er dan ook geen reden is om het verhaal van betrokkene verder te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28.07.195
- Derhalve kan er in die zin geen sprake zijn van de door verzoeker ingeroepen schending van de artt. 1 en 33 van het verdrag van Genève dd. 28.7.1951 betreffende de status van vluchtelingen. In antwoord op verzoekers kritiek m.b.t. het niet bewijzen van zijn reisweg kan dan weer worden opgemerkt dat de 'reisweg' van een kandidaat-vluchteling van groot belang is bij de beoordeling van een asielaanvraag, en dat de bewijslast hieromtrent in beginsel rust op verzoeker, die in de mate van het mogelijk bewijzen moet aanbrengen ter staving van zijn relaas (zie onder meer UNHCR, Guide de procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1979, 53). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft, in het licht van de door haar gemaakte en in de bestreden beslissing weergegeven vaststellingen, terecht geoordeeld dat verzoeker geen enkel reisbescheid voorlegde, hij onvolledige en vage verklaringen dienaangaande aflegde, en hij op dit punt aldus vrijwillig de controle van zijn reisweg onmogelijk maakt. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers tweede onderdeel van het eerste middel niet kan worden aangenomen. In zoverre verzoeker stelt dat in de in casu bestreden beslissing geen melding zou zijn gemaakt van de door hem ingeroepen motieven met betrekking tot verzoekers omgang met groeperingen die het regime niet genegen zijn en de gevolgen die daaraan verbonden worden in Iran, merkt de verwerende partij op dat de verplichting om een beslissing met redenen te omkleden niet behelst dat op alle argumenten van een procespartij behoort te worden geantwoord. Te meer verzoeker van zijn vermeende omgang geen bewijzen voorlegt en zich beperkt tot loutere beweringen die in het geheel van verzoekers vluchtrelaas weinig geloofwaardig en waarschijnlijk overkomen. Bovendien is het uiterst merkwaardig dat verzoeker deze argumenten niet van in het begin, bij het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken ontwikkelde. Om de bestreden beslissing te verbreken, volstaat het niet dat verzoeker vermeldt dat rond bepaalde door hem voorgelegde stukken of aangehaalde feiten door de Vaste Beroepscommissie niet werd geargumenteerd of er beweerdelijk geen rekening werd gehouden met bepaalde elementen. Verzoeker dient concreet aan te tonen dat één of meerdere door hem opgeworpen middelen (!) niet werden beantwoord en, in voorkomend geval, dat deze niet beantwoording door de wel in de beslissing gemaakte vaststellingen niet wordt verantwoord. Dit bewijs wordt niet geleverd. Verzoekers eerste middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert : “Eerste Middel: Motiveringsplicht in toepassing van art. 57/22 van de Vreemdelingenwet van15.12.
- Dit artikel stelt "met redenen omkleed" en "met vermelding van de omstandigheden van de zaak".Verwerende partij is van mening dat de motivering in de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan deze vereisten beantwoordt. Nochtans houdt de bestreden beslissing geen enkele weergave in van het gegeven bestaande in het optreden als muzikant voor een groepering die het regime niet genegen was en de daaruit voortgevloeide vervolging en bestraffing. Niettemin is dit gegeven constitutief voor de vervolging in de zin van art. 1 van het Internationaal Verdrag, zoals in het verzoekschrift tot beroep werd naar voorgebracht met verwijzing naar de bepalingen van de Grondwet van de Islamitische Republiek van Iran (art. 1, 26, en 174) De éénmalige omgang met groeperingen die de criteria van de Islam en ergo van de XIV-13.522-7/10 Islamitische Republiek kunnen schenden volstaat om blijvend het voorwerp van bespieding en daaruit volgende vervolging uit te maken. De bestreden beslissing motiveert niet ten genoege van rechte de negatie van het bewijs dat voorvloeit uit de neerlegging van de tekst van het verdict van de Rechtbank van Islamitische Republiek van Iran, zijnde de Correctionele Rechtbank van Islamshahr van 2 juni 2002 dat oordeelt dat verwerende partij moet terechtgesteld worden. De bestreden beslissing beoordeelt dit vonnis met de beschouwing dat het niet mogelijk is dat de tante als gehuwde vrouw enkel volgens dit strafwetsartikel werd veroordeeld tot de dood. Dit is geen voldoende motivering. Immers volgens artikel 82 van de Islamitische Strafwet kan overspel bedreven met zeer dichte bloedverwanten (o.m. met een tante) worden bestraft met de doodstraf van de overspelige man en overspelige vrouw. In weerwil van de tekst van de wet in algemene bewoordingen gaan voorhouden dat het niet mogelijk is houdt een bewering in die in strijd is met de tekst van het artikel zelf en vooral in strijd met de tekst van het vonnis. Als motivering voor de verwerping van een vonnis kan bezwaarlijk gelden dat het niet mogelijk is. Het vonnis veroordeelt verzoeker tot de doodstraf en de Vaste Beroepscommissie zegt het is niet mogelijk. Voorhouden dat het niet aannemelijk is dat verzoeker geen kennis heeft van het gevoerde proces gaat al evenmin als motivering op. Het vonnis dateert van 2 juni
- Reeds van 22 januari 2001 vertoeft verzoekende in België. Hoe kan hij dan kennis hebben van het gevoerde proces? Dit beantwoordt geenszins aan de vereiste motiveringsplicht. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen negeert op die wijze stukken die precies worden verschaft om het verhaal van verzoeker te versterken en de beoordeling van zijn verhaal als ongeloofwaardig tegen te gaan.. Dat verzoeker geen uitleg kan geven over het bestaan en het lot dat naderhand na de uitspraak werd beschoren aan zijn tante/minnares kan niet in aanmerking worden genomen als een element om te besluiten tot ongeloofwaardigheid van zijn verhaal. Het is toch voor de hand liggend dat hij met haar en haar onmiddellijke omgeving geen contact gaat opnemen om te informeren hoe het met haar gaat op gevaar af van de plaats waar hij gevlucht is prijs te geven. Onderdeel van het Middel: Schending art. 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie van 28.07.195
- De door verzoeker ingeroepen vluchtmotieven beperken zich niet tot gemeenrechtelijke motieven maar ook tot politieke motieven. Die laatste werden echter door de bestreden beslissing volkomen over het hoofd gezien. Aannemend dat niet (expliciet) op alle argumenten van een procespartij moet worden geantwoord dan valt dit te begrijpen in de zin dat uit een motivering ook impliciet een argument wordt beantwoord. Ter zake is dit geenszins het geval. Het argument in kwestie van vervolging en vrees voor vervolging uit hoofde van politieke sympathieën of medewerking met politieke groeperingen die het regime niet genegen zijn werd in de getroffen beslissing helemaal niet impliciet afgedaan. Dit is een concreet middel dat niet werd beantwoord. Deze hiaat in de motivering is van belang omdat de vrees van verzoeker voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag hier is op gebaseerd. ' Het gemis aan beschrijving van de reisweg is niet van doorslaggevend belang bij de beoordeling van de asielaanvraag. Wanneer uit de omstandigheden van het vervoer blijkt dat geen gelegenheid wordt geboden om uit te maken welke reisweg wordt gevolgd, dan kan het aan de vervoerde niet ten euvel worden geduid dat hij die niet precies kan beschrijven. Dit zou dan eerder aan de vervoerder moeten toegemeten worden want hij is het die dit precies wil vermijden. Dit kan geenszins als een element van ongeloofwaardigheid worden aangezien. Tweede Middel: Beginselen van behoorlijk bestuur zijn eveneens van toepassing op de Vaste Beroepscommissie daar zij als elk rechtscollege gehouden is tot behoorlijk motiveren. Het machtsmisbruik is duidelijk aangewezen in het negeren van middelen van substantiële aard zoals het openlijk omgaan met politieke groeperingen die het regime niet tolereert, en ervoor te zijn gestraft geworden.”; 2.1.
- Overwegende dat in zijn opeenvolgende verklaringen en in het bijzonder in zijn beroepschrift van 31 juli 2002 aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verzoeker melding heeft gemaakt van, enerzijds, zijn veroordeling omwille van een XIV-13.522-8/10 optreden tijdens een verboden feestje en, anderzijds, van zijn relatie met zijn gehuwde tante; dat uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat, wat laatstgenoemde feiten betreft, te weten zijn relatie met zijn gehuwde tante, zijn asielaanvraag werd verworpen omdat zijn verhaal op een paar cruciale punten ongeloofwaardig overkwam, onder meer, omdat hij als ongehuwde man niet voor overspel kan worden veroordeeld en omdat hij niet aantoont dat er een tante is die effectief werd beschuldigd van overspel met een neef en tot de dood door steniging is veroordeeld, temeer daar een steniging voor overspel zonder bijkomende misdaad dermate ongewoon is in Iran dat het zeker in de aandacht zou zijn gekomen van de goed georganiseerde vrouwen- en mensenrechtengroepen; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, wat het voorgehouden overspel betreft, deze feiten foutief zou hebben gekwalificeerd, noch dat zij de bewijskracht van de aan haar voorgelegde stukken, waaronder het vonnis, of van de inhoud ervan zou hebben miskend door er een uitlegging aan te geven op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan; dat met zijn loutere, niet met concrete gegevens onderbouwde bewering dat artikel 82 van de Islamitische strafwet ook het plegen van overspel met een tante als incest beschouwt en beide overtreders met de dood straft, verzoeker geenszins aantoont dat de informatie waarop de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich steunt -en die zich in het administratief dossier bevindt- om te stellen dat hij, enerzijds, als ongehuwde man niet voor overspel kan worden veroordeeld en dat zijn tante, anderzijds, als gehuwde vrouw onmogelijk enkel volgens artikel 82 van de Islamitische correctionele wetgeving kan veroordeeld worden tot de dood, onjuist zou zijn; dat haar dan ook geen miskenning van de bewijskracht van de stukken kan worden verweten; dat, wat evenwel de ingeroepen veroordeling wegens zijn optreden op een verboden feestje betreft, verzoeker op goede gronden aanvoert dat in de bestreden beslissing enkel gewag wordt gemaakt van het aangevoerde overspel, doch dat uit geen enkel motief -ook niet impliciet- blijkt dat met de aangevoerde veroordeling en de daarmee samenhangende vrees rekening werd gehouden, niettegenstaande hij hier in zijn beroepschrift uitdrukkelijk op wees; dat de bestreden beslissing op dit punt dan ook niet naar behoren met redenen is omkleed; dat het eerste middel gegrond is, XIV-13.522-9/10 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 19 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd verzoeker als vluchteling te erkennen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.522-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div