id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.589 Rolnummer: A. 127388/XIV-11924 Zaak: Arrest 158589 - - 10/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 18:59 Fiche Arrest nr 158.589 van 10 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.589 van 10 mei 2006 in de zaak A. 127.388/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 30 januari 1967 en van Marokkaanse nationaliteit, op 19 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2001 houdende verwerping van de regularisatieaanvraag ingediend door de verzoekende partij op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 september 2002; Gelet op het arrest nr. 111.416 van 10 oktober 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen werd bevolen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; XIV-11.924-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM die, loco Advocaat S. SAROLEA, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de eerste bestreden beslissing een schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 12 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); Overwegende dat uit het administratief dossier van de verwerende partij blijkt dat niet is bewezen dat het advies van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie werd ter kennis gebracht aan verzoeker op de wijze voorgeschreven door de artikelen 10 en 12, § 1, tweede lid, van de Regularisatiewet; dat in dit verband de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat de kennisgeving van het advies van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie per gewone post gebeurde op het adres van verzoeker op 16 mei 2001; dat uit de samenlezing van de verschillende brieven die zich bevinden in het regularisatiedossier blijkt dat de datum van 16 mei 2001 terug te vinden is op de brief gericht aan de burgemeester van Sint-Gillis door de gemachtigde van de Administrateur van de Commissie voor regularisatie en op de brief gericht door laatstgenoemde aan de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de brief gericht aan verzoeker niet gedateerd is en dat niet blijkt dat deze ongedateerde brief ook effectief werd verstuurd naar verzoeker; dat evenmin blijkt dat verzoeker ooit deze brief ontving; Overwegende dat niet is bewezen dat het negatief advies van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie van 27 april 2001 werd verstuurd naar verzoeker; dat evenmin is aangetoond dat voornoemd advies van het onderzoekssecretariaat op regelmatige wijze werd ter kennis gebracht door de lokale politie aan verzoeker, met toepassing van artikel 25 van de wet van 3 augustus 1992 op het politieambt; dat uit het administratief dossier blijkt dat inspecteur van politie G. VANDER VOORDEN op 19 juni 2001 het volgende meedeelt: “Het bericht van kennisgeving kon niet afgegeven worden aan de aanvrager zelf en kon niet in zijn brievenbus gestopt worden. REDEN: Hij is onbekend op dit adres.”; XIV-11.924-2/4 Overwegende dat deze laatste vaststelling door geen enkel stuk van het administratief dossier wordt gestaafd; dat de politie-inspecteur niet meedeelt hoe hij tot deze vaststelling is gekomen; dat hij niet aanduidt welke initiatieven hij heeft genomen om te onderzoeken of verzoeker al dan niet woont op het adres dat hij steeds heeft opgegeven, zijnde 1060 BRUSSEL (Sint-Gillis); dat de politie-inspecteur niet heeft vastgesteld dat verzoeker nooit thuis is, weigert de deur te openen, of geen gevolg verleent aan de convocaties van de politie; dat hij niets meedeelt over de namen die voorkomen op de deurbel(len) van het gebouw of op de brievenbus(sen) van de woonplaats opgegeven door verzoeker; Overwegende dat naar luid van artikel 12, § 1, tweede lid, van de Regularisatiewet de betrokkene vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie beschikt over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister en dit per aangetekende brief; dat deze termijn nog niet is ingegaan, en pas zal ingaan wanneer de lokale politie zich zal aanbieden op het adres van verzoeker overeenkomstig artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt; Overwegende dat bovendien niet is bewezen dat voornoemd advies was gevoegd bij de bestreden beslissing van 20 november 2001; en dat evenmin wordt aangetoond dat voormeld advies te samen met de bestreden beslissing op 24 september 2002 door de politie werd ter kennis gebracht aan de verzoeker; Overwegende dat het eerste middel gegrond is, XIV-11.924-3/4 BESLUIT: Artikel
- Wordt vernietigd, enerzijds de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2001 houdende verwerping van de regularisatieaanvraag, ingediend door verzoeker op basis van de Regularisatiewet, en anderzijds het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 september
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.924-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.589 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.111.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.