← België

Arrest 158595 - - 10/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.595 Rolnummer: A. 132619/XIV-13718 Zaak: Arrest 158595 - - 10/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:59 Fiche Arrest nr 158.595 van 10 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.595 van 10 mei 2006 in de zaak A. 132.619/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 30 januari 1962 en van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 4 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 5 mei 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 mei 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.718-1/7 Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 februari 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat S. SAROLEA, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 31 oktober 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 11 december 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 7 januari 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Azerisch staatsburger van Armeense origine, verklaart sedert 1988 problemen te hebben gehad ten gevolge van het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan. In oktober 1991 vluchtte u met uw gezin naar Pjatigorsk (Russische Federatie). Jullie verbleven er illegaal. Vanaf 1994 slaagde u erin om tijdelijke verblijfsvergunningen voor u en uw gezin te bekomen. In 1998 verhuisde u naar Lipetsk (Russische Federatie), omdat het voor u te Pjatigorsk moeilijk werd om aan verblijfsvergunningen te geraken. Te Lipetsk bekwam u, via uw zakenpartner en oude legervriend A., een tijdelijke registratie. Na de moord op A. en de terreuraanslag van 21/09/2001 kon u geen verblijfsvergunningen meer bekomen. U werd geregeld op straat tegen gehouden omwille van uw origine. Begin oktober 2001 bent u, met uw gezin, teruggekeerd naar Barsum (Azerbeidzjan). U werd geholpen door uw dorpsgenoten, die uw ware etniciteit niet XIV-13.718-2/7 kenden. In de lente van 2002 werd er een nieuwe burgemeester verkozen in uw dorp. Op 16 juni 2002 werd uw echtgenoot bij de dorpsvoorzitter, H. R., geroepen. Hij vroeg u of u en uw gezin van Armeense origine zijn. U ontkende. H. zou zich informeren. Diezelfde avond werden jullie opgezocht door uw vriend A. B., wiens vader voor H. burgemeester was in uw dorp. A. beloofde met Ramsa te spreken. Op 14 juni 2002 kregen jullie thuis het bezoek van de dorpspolitie. Ze vroeg jullie paspoorten, in het kader van een volkstelling. U gaf hem (haar) jullie nieuwste paspoorten, waarin een Azerische naam stond vermeld. De wijkagent nam de paspoorten mee. Dezelfde dag kwam A. langs en stelde jullie gerust. Op 15 juni 2002, vielen vier agenten van de districtspolitie van Sjamchur (Azerbeidzjan) jullie woning binnen. U en uw vrouw werden mishandeld. U werd meegenomen naar het politiekantoor van Sjamchur, waar u nog meer geslagen werd. U werd 's avonds vrijgelaten en A. nam u mee naar zijn woning. De volgende morgen, op 16 juni 2002, kwam militaire politie naar de woning van A.. U werd meegenomen. U werd opgesloten. Opnieuw werd u mishandeld. Op 26 juni 2002 werd u vrijgelaten. U bent met de hulp van A. Azerbeidzjan ontvlucht. U reisde, via Georgië, naar Moskou (Russische Federatie). Op 2 juli 2002 had u telefonisch contact met uw vrouw, die reeds in België verbleef. Op 17 juli 2002 ging u naar Lipetsk, waar u bij een vriend herstelde van uw verwondingen. U werd bovendien gedurende drie maanden en een week in het ziekenhuis opgenomen. Op 26 oktober 2002 bent u vertrokken naar België, waar u op 31 oktober aankwam en dezelfde dag een asielaanvraag indiende. U bent in het bezit van een medisch attest. U verklaart dat u en uw gezin, nadat jullie in 2001 vanuit de Russische federatie waren teruggekeerd naar Azerbeidzjan, door de Azerische overheid omwille van jullie origine werden vervolgd. Jullie werden bedreigd en mishandeld (Dienst Vreemdelingenzaken p.12-13). U verklaart ook (Dienst Vreemdelingenzaken pt.42; verzoekschrift tot dringend beroep) dat u niet kan terugkeren naar Azerbeidzjan, omdat uw leven er gevaar zou lopen omwille van uw etniciteit. Er dient te worden opgemerkt dat uit informatie beschikbaar op het Commissariaat- generaal (Council of the European Union, “Report on roving attaché mission to Azerbaijan, Armenia and Russia”, p.13-14; Afdeling Asiel en Migratie, Den Haag, “Situatie in Azerbeidzjan”, augustus 2001, p.51-55) blijkt dat er actueel geen sprake is van enige vervolging ten opzichte van personen met Armeense origine. Ondanks het feit dat in de beschikbare documentatie melding wordt gemaakt van individuele feiten van discriminatie (in huisvesting, tewerkstelling, enz.) wordt door diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse formeel ontkend dat daden van vervolging omwille van etnische motieven actueel tegen Armenen in Azerbeidzjan worden gericht. Bijgevolg kan geen geloof worden gehecht aan de door u aangehaalde ernstige vervolgingen. Het door u neergelegde document (medisch attest) kan de hiervoor vermelde conclusies niet wijzigen. Ik meen dat u niet opnieuw dient te worden gehoord aangezien uit uw verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw verzoekschrift tot dringend beroep voldoende blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. (...).”.
  6. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 14 februari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij tijdelijk werd geregulariseerd; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat, gelet op de opmerkingen van de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting en op het tijdelijk karakter van de regularisatie, de verzoekende partij nog steeds blijk geeft van het rechtens vereiste actueel belang;
  7. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-13.718-3/7 Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1, A,

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing aan verzoeker geen enkele incoherentie of tegenstrijdigheid ten grieve duidt, doch enkel is gebaseerd op “algemene informatie die niet bevestigen dat personen van Armeense origine geen enkel probleem zouden kunnen hebben in Azerbeidzjan, nu er zelfs wordt toegegeven dat de aangehaalde informatie melding maakt van discriminatie op het gebied van huisvesting, tewerkstelling en nog andere gebieden”; dat verzoeker stelt dat geen absolute bewijswaarde kan worden toegekend aan de beweringen van “diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse”; dat verzoeker verwijst naar een rapport van “Human Rights Watch” waarin wordt uiteengezet dat er geen sprake is van persvrijheid in Azerbeidzjan, zodat de beschikbare informatie over de mensenrechtensituatie moet worden gerelativeerd, nu “de waarde, de objectiviteit en de volledigheid niet gegarandeerd zijn (...)”; dat verzoeker tevens verwijst naar een rapport van “Amnesty International” dat “bevestigt dat mishandeling en foltering door de politie een wijdverbreid fenomeen is in Azerbeidzjan”, en naar een rapport van de ambassade van de Verenigde Staten, dat melding maakt van vervolging en discriminatie van personen van Armeense origine in Azerbeidzjan; dat verzoeker besluit “dat de informatie beschikbaar over de toestand in Azerbeidzjan niet op manifeste wijze de mogelijkheid van de door de eiser aangehaalde vervolgingen uitsluit zodat er geen verder onderzoek noodzakelijk zou zijn van de asielaanvraag van de eiser”; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien dit artikel bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden”, als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet toepasselijk is op verzoeker; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg XIV-13.718-4/7 de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie ertoe strekt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingenstatuut dienen te verlenen; dat de staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie de verplichting hebben om in hun nationale wetgeving een procedure uit te werken, waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden een kandidaat-vluchteling het verblijf kan worden geweigerd, en onder welke voorwaarden hij of zij kan worden teruggeleid naar zijn of haar land van herkomst, of kan worden uitgezet; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoeker verklaart dat hij en zijn gezin, omwille van hun origine, door de Azerische overheid werden vervolgd; dat verzoeker verklaart dat zij werden mishandeld en bedreigd, en dat zij niet kunnen terugkeren naar Azerbeidzjan omdat hun leven er gevaar loopt omwille van hun etniciteit; dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, evenwel blijkt dat er actueel geen sprake is van enige vervolging ten opzichte van personen van Armeense origine; dat, ondanks het feit dat in de beschikbare documentatie melding wordt gemaakt van individuele feiten van discriminatie, door diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse formeel wordt ontkend dat daden van vervolging omwille van etnische motieven actueel tegen Armenen in Azerbeidzjan worden gericht; dat bijgevolg geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoeker aangehaalde aanwijzingen van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-13.718-5/7 staatlozen zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag omdat geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoeker aangehaalde aanwijzingen van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar verzoeker stelt dat geen absolute bewijswaarde kan worden toegekend aan de beweringen van “diverse vooraanstaande organisaties ter plaatse”, en verwijst naar een rapport van “Human Rights Watch” waarin wordt uiteengezet dat er geen sprake is van persvrijheid in Azerbeidzjan, zodat de beschikbare informatie over de mensenrechtensituatie moet worden gerelativeerd, nu “de waarde, de objectiviteit en de volledigheid niet gegarandeerd zijn (...)”, naar een rapport van “Amnesty International” dat “bevestigt dat mishandeling en foltering door de politie een wijdverbreid fenomeen is in Azerbeidzjan”, en naar een rapport van de ambassade van de Verenigde Staten, dat melding maakt van vervolging en discriminatie van personen van Armeense origine in Azerbeidzjan, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot algemeenheden en beweringen, doch nalaat deze de staven met een begin van bewijs; dat verzoeker zich beperkt tot het formuleren van theoretische uiteenzettingen, hypothesen en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker niet concreet uitlegt waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het enig middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-13.718-6/7 Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.718-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.