id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.598 Rolnummer: A. 116078/X-10771 Zaak: Arrest 158598 - - 10/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 19:00 Fiche Arrest nr 158.598 van 10 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.598 van 10 mei 2006 in de zaak A. 116.078/X-10.
- In zake :
- Alain SQUILBECK,
- Irma FRANCHOIS,
- Albert HAESEVOETS (in de vordering tot schorsing),
- Frieda VANDEWOUDE (in de vordering tot schorsing),
- Jozef TRUYERS (in de vordering tot schorsing),
- Gilbert TRUYERS (in de vordering tot schorsing), die woonplaats kiezen bij Advocaten E. JACUBOWITZ en P. DE MAEYER, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- tussenkomende partijen :
- de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, die woonplaats kiest bij Advocaten J. BOUCKAERT en E. VAN DE WALLE, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit en Vervoer. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain SQUILBECK en Irma FRANCHOIS op 25 januari 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 12 maart 2001 waarbij aan de NMBS de vergunning wordt verleend tot het afschaffen van overweg nr. 81 en de aanleg van een langsweg voor een perceel gelegen Zelem-Halen, spoorweglijn 35 (Hasselt-Leuven), Lobosstraat; X-10.771-1/6 Gelet op het arrest nr. 108.021 van 19 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 24 juli 2002 ingediend door Alain SQUILBECK en Irma FRANCHOIS; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst op 18 oktober 2002 ingediend door de Belgische Staat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst op 21 oktober 2002 ingediend door de NMBS; Gelet op de beschikking van 14 november 2002 die de tussen- komst van de NMBS en van de Belgische Staat toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 4 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de eerste en tweede verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 31 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. DE MAEYER die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, van Advocaat X-10.771-2/6 T. GERNAEY die loco Advocaten J. BOUCKAERT en E. VAN DE WALLE verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van Advocaat S. PIEN die loco Advocaten J. VANDEN EYNDE en B. VAN HYFTE verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, de kamer in dat geval de afstand van geding vaststelt; dat niets de toepassing van die bepaling wat hen betreft in de weg staat; Overwegende dat door de verwerende partij en de twee tussen- komende partijen wordt opgeworpen dat de vordering niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang in hoofde van de eerste en de tweede verzoekende partij; X-10.771-3/6 Overwegende dat eerste verzoeker eigenaar is van het kasteel Loo Bosch met omliggende gronden te Halen; dat de kwestieuze overweg onmiddellijk uitgeeft op de toegangsweg tot voormelde eigendom via de P. Decosterlaan; dat de tweede verzoekende partij hetzelfde domein bewoont; dat verzoekende partijen hierdoor alleen reeds van het wettelijk vereiste belang doen blijken; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat bij een ter post aangetekende brief van 6 januari 2005, het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat aan de raadsman van de NMBS, vergunninghoudster, het volgende heeft meegedeeld : "Met een brief van 7 december 2004 schreef ik U het volgende : 'In de zaak onder rubriek mocht ik bij de memorie van wederantwoord een vonnis van de Vrederechter van het Tweede Kanton Hasselt van 19 juni 2002 aantreffen waarbij de vordering van de NMBS om de onteigening lastens de heer Squilbeck te horen uitspreken, werd afgewezen. Dit vonnis zou definitief zijn en de NMBS zou berusten. Kunt U mij een actuele stand van zaken geven inzake de overweg, de aanleg van de langsweg en gebeurlijke onteigeningen? Wat is de NMBS van plan nu ze berust in de niet-onteigening?' Ik mocht tot op heden geen antwoord van Uwentwege ontvangen. Voorts verneem ik dat de overgang niet afgeschaft werd en de langsweg ook niet aangelegd werd. Dien ik uit dit alles te besluiten dat de NMBS aan haar stedenbouwkundige vergunning uitgereikt op 12 maart 2001 door de gewestelijke stedenbouwkundi- ge ambtenaar verzaakt? Graag een standpunt van uw mandante binnen de dertig dagen vanaf ontvangst van deze brief."; Overwegende dat de raadsman van de NMBS bij een ter post aangetekende brief van 10 februari 2005 het volgende heeft geantwoord : "(...) De tussenkomende partij bevestigt hierbij dat de overweg nog steeds niet werd afgeschaft, dat er geen langsweg werd aangelegd en dat er vooralsnog geen nieuw koninklijk besluit tot onteigening werd uitgevaardigd. De tussenkomende partij verzaakt dan ook aan de bestreden vergunning van 12 maart 2001."; X-10.771-4/6 Overwegende dat vastgesteld dient te worden dat de vergunning- houder, eerste tussenkomende partij, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verzaakt aan de bestreden beslissing; dat het in de gegeven omstandigheden past dat het bestreden besluit omwille van de duidelijkheid in het rechtsverkeer alsnog wordt vernietigd; dat de verzaking aan de bestreden vergunning die aan de vernietiging ervan ten grondslag ligt, niet aan de verwerende partij kan worden toegeschreven; dat in de gegeven omstandigheden de kosten van het beroep ten laste van de verzoekende partijen moeten worden gelegd; BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de eerste, tweede, derde en vierde verzoekende partij. Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar van 12 maart 2001 waarbij aan de NMBS de vergunning wordt verleend tot het afschaffen van overweg nr. 81 en de aanleg van een langsweg voor een perceel gelegen Zelem-Halen, spoorweglijn 35 (Hasselt-Leuven), Lobosstraat. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een zesde. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de eerste en tweede verzoekende partij, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. X-10.771-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.771-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.598 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.108.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.