id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.608 Rolnummer: A. 157915/XIV-21258 Zaak: Arrest 158608 - - 11/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 19:03 Fiche Arrest nr 158.608 van 11 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.608 van 11 mei 2006 in de zaak A. 157.915/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 25 november 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 25 oktober 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DELGOUFFRE die, loco Advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; XIV-21.258-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 48 en 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van artikel 1, A
(2), van het Vluchtelingenverdrag, van artikel 57/12, alinea 3, van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoeker aanvoert dat hij in februari 2000 in België aankwam, zodat bezwaarlijk van hem kan verwacht worden dat hij enige poging zou ondernemen om de amnestiewet voor de rechter af te dwingen, nu deze pas in maart 2001, dus pas één jaar na zijn vlucht, in Joegoslavië van kracht werd, dat overigens nergens wordt gesteld dat een asielzoeker vanuit zijn onthaalland (in casu België) de bescherming van zijn land van herkomst moet proberen af te dwingen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens zelf vaststelt dat de Joegoslavische rechters “een juridisch onverantwoordelijke beslissing” genomen hebben op 11 februari 2003, hetzij twee jaar na de inwerkingtreding van de amnestiewet, wat op zich reeds een voldoende aanwijzing is dat hij waarschijnlijk één van de weinig bekende uitzonderingen is op de niet correcte tenuitvoerlegging van voormelde wet in Joegoslavië, dat zijn beroep dan ook niet kennelijk ongegrond voorkomt en alleszins naar een drieledige rechter diende te worden verwezen; 1.2. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar oordeel over de gegrondheid van de aangevoerde vrees dient te steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing; dat deze stelling voortvloeit uit de definitie van vluchteling, zoals geformuleerd in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, waarin het criterium ‘gegronde vrees voor vervolging’ het wezenlijke is; dat determinerend bij het onderzoek van dit criterium is of de asielzoeker thans een toevluchts- oord nodig heeft voor een te verwachten risico van vervolging in zijn land van oorsprong; dat de kandidaat-vluchteling met andere woorden moet aantonen dat ook ná een ingrijpende wijziging in het regime in het land van herkomst een terugkeer voor hem onmogelijk blijft; dat, gelet op het -door verzoeker niet betwiste- bestaan van een amnestiewet, die weliswaar niet steeds correct wordt toegepast, doch waarvan de juiste en effectieve toepassing kan worden bekomen via een interventie van een raadsman, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen -zonder een kwalificatiefout te begaan- terecht heeft kunnen oordelen dat in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het XIV-21.258-2/4 Vluchtelingenverdrag in aanmerking kan worden genomen en dat bijgevolg verzoeker sedert het bestaan van voormelde wet nooit een poging heeft gedaan om middels een advocaat de juiste toepassing van de amnestiewet af te dwingen; dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel rust op de kandidaat-vluchteling zelf; dat, aangezien verzoeker ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verklaarde dat hij in de Republiek Servië-Montenegro steeds een advocaat te zijner beschikking heeft gehad, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op goede gronden kon vaststellen dat verzoeker, niettegenstaande hij daartoe de mogelijkheid had, geen enkele poging heeft ondernomen om de amnestiewet voor de rechter af te dwingen; dat waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen erop wijst dat het voorgelegde vonnis juridisch incorrect is, dit is om erop te wijzen dat verzoeker de juiste en effectieve toepassing van de amnestiewet in zijn land van herkomst kan bekomen via een interventie van een raadsman; dat verzoeker geenszins aantoont -laat staan dat hij bewijst- dat de CEDOCA-informatie waarop de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich steunt om te stellen “dat geen gevallen bekend zijn van personen die de correcte tenuitvoerlegging van deze wet niet hebben kunnen afdwingen” foutief zou zijn, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen eveneens uit voormelde informatie de juridisch correcte gevolgen heeft getrokken; dat de motivering van de bestreden beslissing, zoals die ook reeds door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd weerhouden, te weten dat verzoeker niet aantoont dat hij thans een toevluchtsoord nodig heeft voor een te verwachten vrees voor vervolging, nergens doet blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat de gemachtigde bijzitter zijn appreciatiebevoegdheid dan ook niet te buiten is gegaan toen hij oordeelde dat de door verzoeker ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen konden leiden en derhalve dit beroep als kennelijk ongegrond afwees; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. XIV-21.258-3/4 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.258-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div