← België

Arrest 158610 - - 11/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.610 Rolnummer: A. 132103/XIV-13546 Zaak: Arrest 158610 - - 11/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 19:04 Fiche Arrest nr 158.610 van 11 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.610 van 11 mei 2006 in de zaak A. 132.103/XIV-13.

  1. In zake : XXX, wonende te 2660 HOBOKEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 21 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 december 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.546-1/7 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaten A. DE ROECK en K. DE ROECK verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, huwt op 7 april 1997 met de Belgische L. L.. Volgens verzoekers raadsman komt verzoeker op 7 augustus 1997 België binnen. 1.
  4. Op 11 mei 1998 wordt aan verzoeker een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. Verzoeker dient hiertegen een verzoek tot herziening in. 1.
  5. Het huwelijk van verzoeker met de Belgische L. L. wordt op 15 juni 2000 nietig verklaard. Dit wordt bevestigd door het Hof van Beroep te Antwerpen. 1.
  6. Op 3 oktober 2000 wordt het verzoek tot herziening van verzoeker verworpen. 1.
  7. Op 19 maart 2001 wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 7 maart 2001 betekend. 1.
  8. Op 20 augustus 2001 dient verzoeker een aanvraag machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in bij de burgemeester van Antwerpen. Op 2 december 2002 wordt deze aanvraag onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing: “(...) ONONTVANKELIJKHEID VAN EEN AANVRAAG OM MACHTIGING TOT VERBLIJF De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 17/08/2001 bij de burgemeester van Antwerpen door XXX geboren te BENI TOUZINE 354 op 00/00/1958, onderdaan XIV-13.546-2/7 van Marokko, verblijvende, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: langdurig verblijf in België, was gehuwd met Belgische, is geïntegreerd, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Ze verhinderen betrokkene niet om een aanvraag in het thuisland in te dienen. Bijgevolg dient de vreemdeling: " na afloop van zijn studies het land te verlaten ! gevolg te geven aan het bevel om liet grondgebied te verlaten, hem betekend op 19/03/2001 " gevolg te geven aan het bevel om liet grondgebied te verlaten hem op lieden betekend (...).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van de algemene motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel De motivering van (de gemachtigde van) de Minister van Binnenlandse Zaken strekt er uitsluitend toe te stellen dat de motieven die verzoeker inroept geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag om machtiging tot verblijf in België kunnen rechtvaardigen waarna de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard, dan wanneer de motieven van verzoeker in elk geval beantwoorden aan de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Aldus wordt geen recht gesproken en wordt evenmin een onderzoek ten gronde gedaan hetgeen in een schending van de rechten van verdediging resulteert: een naar vorm en inhoud regelmatig verzoek conform de wet van 15 december 1980, wordt niet beantwoord. Bijgevolg motiveert de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissing gebrekkig en wordt het zorgvuldigheidsbeginsel, waarop ieder verzoeker van de Overheid aanspraak mag maken, niet nageleefd. Door zijn beslissing uitsluitend te motiveren door te stellen dat de motieven die verzoeker inroept geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag om machtiging tot verblijf in België kunnen rechtvaardigen zonder deze motieven ten gronde te onderzoeken (de aanvraag wordt immers onontvankelijk verklaard) berust de bestreden beslissing niet op in rechte aanvaardbare motieven en wordt de motiveringsplicht klaar en duidelijk geschonden. Het is duidelijk dat de banden van verzoeker met België gelet op zijn onafgebroken verblijf gedurende meer dan zestien jaar, inmiddels zo hecht zijn dat deze een machtiging tot verblijf in België rechtvaardigen wegens de in de oorspronkelijke aanvraag genoemde buitengewone omstandigheden. Alleen al op grond van humanitaire redenen zou het werkelijk ongepast - zelfs onredelijk - zijn verzoeker thans nog terug te sturen naar een land waarmee hij geen enkele band meer heeft. Aangezien nagenoeg al zijn familieleden in België verblijven, kan ook verwezen worden naar zijn recht op gezins- en familiehereniging. De motivering van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken is dan ook gebrekkig en druist lijnrecht in tegen de motieven van de wetgever zelf. Iedere beslissing van het bestuur dient echter op motieven te berusten die niet enkel in feite en in rechte aanwezig moeten zijn, doch die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden (zie R.v.St., Van Bladel, nr. 37043 van 22 mei 1991). XIV-13.546-3/7 Het motiveringsbeginsel voor elke administratieve beslissing dient bovendien niet enkel te bestaan in zgn. in rechte aanvaardbare motieven, maar die motieven dienen bovendien een voldoende feitelijke grondslag te hebben. Zij dienen te steunen op werkelijk bestaande concrete feiten die relevant zijn. De materiële motiveringsplicht vereist dat deze motieven steunen op feitelijke gegevens die werkelijk bestaan en die juridisch juist gekwalificeerd worden. De overheid dient dan ook met de nodige zorgvuldigheid te werk te gaan bij de feitenvinding en de waardering van de feiten. Het is duidelijk dat bij de totstandkoming van de beslissing dd. 2 december 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van art. 9, §3 van de wet van 15 december 1980 onontvankelijk werd verklaard, de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet met de nodige zorgvuldigheid is tewerk gegaan bij de feitenvinding en de waardering van de feiten. Er zijn immers wel degelijk buitengewone omstandigheden voorhanden die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Met name is verzoeker in de volkomen onmogelijkheid om terug te keren naar Marokko om aldaar een machtiging tot verblijf te vragen gelet op het feit dat hij aldaar reeds lang ambtshalve afgeschreven is. Deze ambtshalve afschrijving verhindert verzoeker om een aanvraag in zijn thuisland in te dienen. Door de motieven van verzoeker verder niet eens ten gronde te onderzoeken doch er zich toe te beperken de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren, gaat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet met de nodige zorgvuldigheid te werk bij de feitenvinding en de waardering van de feiten. Het bestuur dient m.n. zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden. De beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding (zie DUJARDIN J., "Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, 13/ Druk, p.53). Het bestuur dient zich bovendien zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen (zie LAMBRECHTS, W., "Het zorgvuldigheidsbeginsel", in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, p.35-36). De bestreden beslissing schendt dan ook de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht zodat de vernietiging ervan zich opdringt.”; 2.1.2.
  11. Overwegende dat verzoeker de schending van de algemene motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert omdat de beslissing stelt dat de aangehaalde motieven geen buitengewone omstandigheden vormen, terwijl deze volgens verzoeker wel beantwoorden aan de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat volgens verzoeker er eveneens een onderzoek ten gronde diende te gebeuren; dat verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden indiende op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker de Regularisatiewet niet dienstig kan inroepen; 2.1.2.
  12. Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat, vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoeker een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of zijn aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de XIV-13.546-4/7 verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat in casu de Minister oordeelde dat de motieven die verzoeker inriep (was gehuwd met Belgische, langdurig verblijf in België, is geïntegreerd) geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; dat verzoeker niet aantoont dat de Minister zich baseerde op verkeerde feiten of deze verkeerd interpreteerde; dat de schending van de motiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel niet kan worden aangenomen; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van het redelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur Verder is het duidelijk dat de bestreden beslissing het redelijksheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur schendt nu de door verzoeker ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van door hem ingeroepen buitengewone omstandigheden enkel en alleen maar een bevestiging is van een feitelijke toestand die reeds lang bestaat. Deze omstandigheden, resp. de motivatie zelve, worden nochtans duidelijk omschreven in de wet van 22 december 1999 -weze het voor ander doelstellingen - zodat de aangevochte beslissing deze minstens diende te onderzoeken. Door verzoeker na een verblijf van meer dan zestien jaar in België terug te sturen naar zijn land van herkomst, heeft de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de grenzen van redelijkheid en behoorlijk bestuur klaarblijkelijk overschreden. Daarbij dient tevens benadrukt te worden dat verzoeker vier jaar gehuwd was met een Belgische onderdaan en tijdens deze periode dan ook alleszins legaal in het land verbleef en er ook werkte (zie stuk 5). Bij het uitoefenen van een discretionaire bevoegdheid moet het bestuur immers het redelijkheidsbeginsel in acht nemen. Om na te gaan of het bestuur de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden, zal de rechter tot een marginale toetsing van het bestuursoptreden overgaan en de kennelijke onredelijkheid ervan sanctioneren. (zie DUJARDIN J., ibid., p.55). Bovendien plaatst de bestreden beslissing de verzoeker a priori reeds in een nadelige positie en zulks op arbitraire wijze die hem morele en materiële schade berokkent: - hij zou de reis naar Marokko dienen te ondernemen; - hij zou aldaar een regio dienen te vinden waar de lokale overheid aanvaardt hem in te schrijven; - hij zou vervolgens bij de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging een visum resp. verblijfsvergunning moeten aanvragen; - hij zou (de facto zonder mogelijkheid van tewerkstelling) in Marokko, na een lange wachtduur van ongeveer acht maanden, een haast discretonaire beslissing ontvangen. De bestreden beslissing schendt dan ook het redelijksheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur zodat de vernietiging ervan zich opdringt.”; 2.2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert omdat verzoeker naar Marokko dient terug te keren om zijn aanvraag machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in te dienen; dat verzoeker de Regularisatiewet niet dienstig kan inroepen; 2.2.2.
  15. Overwegende dat, op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet de aanvraag machtiging tot verblijf enkel in België kan worden ingediend indien er buitengewone omstandigheden voorhanden zijn; dat de Minister in casu oordeelde XIV-13.546-5/7 dat dit niet het geval is; dat verzoeker in 1997 in België is aangekomen en niet 16 jaar geleden zoals verzoeker voorhoudt; dat zijn langdurig verblijf in België geenszins te wijten is aan het optreden van de overheid; dat reeds in 1998 verzoeker een bevel kreeg om het grondgebied van het van het Rijk te verlaten; dat verzoekers huwelijk met een Belgische onderdaan nietig werd verklaard, zodat hij hieruit geen rechten kan putten; dat bijgevolg de Minister in alle redelijkheid tot zijn beslissing kon komen op basis van de voorliggende feiten; dat verzoeker meent dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onredelijk is, maar geenszins aantoont dat de Minister van Binnenlandse Zaken de grenzen van de redelijkheid overschreed; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.3.
  16. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: schending van het verbod van discriminatie zoals gewaarborgd door art. 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens ondertekend te Rome op 4 november 1950, en goedgekeurd bij de Wet van 13 mei
  17. Door de bestreden beslissing wordt aan verzoeker het recht op het genot van de rechten en vrijheden, welke in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens zijn vermeld, miskend. De bestreden beslissing houdt geen rekening met de gevolgen die zij veroorzaakt voor verzoeker. Een gedwongen terugkeer komt hoe dan ook onmenselijk en onverantwoord voor en is een flagrante inbreuk op artikel 8 van het E.V.R.M. (bescherming van het gezinsleven). Verzoeker heeft immers alle banden met zijn land van oorsprong, Marokko, verbroken en kan daar nergens meer terecht. Hij heeft aldaar geen enkel belang meer, noch bezittingen, noch bekenden. Hij is aldus in de volkomen onmogelijkheid om terug te keren naar Marokko om aldaar een machtiging tot verblijf te vragen gelet op het feit dat hij aldaar reeds lang ambtshalve afgeschreven is. Verzoeker wordt door de bestreden beslissing immers eveneens afgesneden van het verenigingsleven waarvan hij thans deel uitmaakt.”; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 8 van het E.V.R.M. omdat alle banden met Marokko verbroken zijn; dat verzoeker niet uiteenzet welk gezinsleven verhinderd of bemoeilijk wordt door de bestreden beslissing; dat bovendien de bestreden beslissing er niet toe strekt verzoekers gezinsleven te verhinderen of te bemoeilijken; dat de beslissing enkel stelt dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden doet gelden die hem zouden vrijstellen om zijn aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit zijn land van herkomst, in te dienen; dat de bestreden beslissing op zich geen verwijderingsmaatregel inhoudt; dat het derde middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
  19. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-13.546-6/7 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.546-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.