id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.611 Rolnummer: A. 166608/XIV-23729 Zaak: Arrest 158611 - - 11/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:04 Fiche Arrest nr 158.611 van 11 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.611 van 11 mei 2006 in de zaak A. 166.608/XIV-23.
- In zake : XXX, wonende te 2060 ANTWERPEN, Van Kerckhovenstraat 88/62 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 3 oktober 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 2 september 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 15 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-23.729-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. TROCH, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep.. 1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Schending van artikel 57122 en 62 wet 15.12.1980 en van de artikelen 2 en 3,1 van de wet 29.07.1991, aangaande voldoende motivering van administratieve beslissingen Schending van artikel 1A2 en 33 van het Verdrag van Genève dd 28.07.1951, goedgekeurd door de Wet van 26.06.1953 en van artikel 48 van de Wet van 15.12.1980, jo schending van de artikelen 5,6,10 en 14 van het EVRM A. De bestreden beslissing stelt dat verzoeker niet aantoont dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van zijn activiteiten in België. Hiervoor verwijst men naar het feit dat verzoeker zelf het risico voor vervolging heeft geschapen tijdens zijn verblijf zodat zijn politiek engagement wijst op het opportunistische karakter van zijn acties, en bovendien het lidmaatschap van de Organisatie voor Vrijheid en Vooruitgang geen rol speelt vermits dit een neporganisatie zou zijn; Deze tweede paragraaf op pagina 3 is overigens de enige die verwijst naar de concrete omstandigheden van de situatie van verzoeker, en kan nauwelijks als voldoende motivering beschouwd worden, vermits de overige pagina's enkel handelen over algemene verwijzingen naar praktijken in andere landen. De Commissie verliest evenwel uit het oog dat verzoeker in de mening was zich te hebben aangesloten bij een Organisatie die ijvert voor wijzigingen in het Iraanse regime, en het kan hem dan ook niet verweten worden dat de stichter van de organisatie een oplichter zou zijn. Daarenboven legde verzoeker een zeer belangrijk stuk over, nl de verklaring van CHANNEL ONE TV, aangaande de bijdragen en interviews van verzoeker aan deze zender. Dit kon geverifieerd worden door de Commissie, alsook kon vastgesteld worden dat deze uitzendingen wellicht gekend zijn door de Iraanse overheid. Op deze wijze zal verzoeker inderdaad als een dissident beschouwd worden en gevaar lopen bij een eventuele terugkeer naar Iran. Evenwel heeft de Commissie nagelaten ook maar één woord te wijden aan dit stuk, en dit eigenlijk totaal genegeerd, wat een onmiskenbaar gebrek in de motivering uitmaakt. Het was de taak van de Commissie dit stuk tevens in overweging te nemen en te beoordelen, minstens hierop te antwoorden, wat zij niet heeft gedaan. Dit gebrek aan motivering over een dermate essentieel stuk, verantwoordt dan ook de vernietiging van de beslissing van de Commissie. De Vaste Beroepscommissie besluit dan met te stellen dat het zelf gecreëerde risico waarbij dus het bestaan van het risico eigenlijk wordt bevestigd- geen aanleiding geeft dat het bewijs van de gegronde vrees is geleverd, en verwijst hiervoor naar de nota van het UNHCR van februari
- Evenwel verwijst men enkel naar bepaalde zinsneden, zonder de omringende context, zodat één en ander uit zijn verband wordt gerukt en niet correct wordt geïnterpreteerd, zodat dit niet als voldoende motivering kan beschouwd worden. Immers zegt deze nota eveneens dat het gedrag van de mogelijk vervolgende partijen mee in rekening moet gebracht worden om te oordelen of de activiteiten van 'refugees XIV-23.729-2/6 sur place' tot vervolging kunnen leiden, terwijl de Vaste Beroepscommissie weigert rekening te houden met de huidige situatie in Iran (voorlaatste paragraaf pagina 3). Het is evenwel van doorslaggevend belang het Iraanse beleid te bekijken, en gelet op het feit dat dit nog steeds conservatief is, diende de Vaste Beroepscommissie wel degelijk hiermee rekening te houden bij de beoordeling of de acties van verzoekers tot vervolging kunnen leiden. Tenslotte stelt de nota van het UNHCR, waarop de Vaste Beroepscommissie grotendeels haar motivering steunt, dat het zelf creëren van een risico, niet noodzakelijk buiten de definitie van vluchteling valt,- wat blijkbaar het uitgangspunt is van de Vaste Beroepscommissie- en integendeel de onderzoekers nog nauwkeuriger dienen na te gaan hoe de concrete situatie is. Dit laatste heeft de Vaste Beroepscommissie volgens verzoeker te weinig gedaan, vermits zij in heel hun motivering amper 10 zinnen wijden aan de concrete situatie van verzoekers en al helemaal nalaten dit te plaatsen in het kader van het concrete regime in Iran, en bovendien zelf een essentieel stuk onvermeld laten en niet beantwoorden. Bijgevolg is de motivering gebrekkig en tegenstrijdig, zodat niet voldaan werd aan de motiveringsplichten. B. Anderzijds baseert de Vaste beroepscommissie haar motivering op het feit dat verzoeker in Iran niet actief was en geen activiteiten had. Het is evenwel de taak van de Staat te toetsen of betrokkene aan de Verdragscriteria voldoet, en niet om bijkomende voorwaarden toe te voegen. Immers stelt artikel 1 A 2 van het Verdrag van Genève, hetgeen dient toegepast te worden in functie van artikel 48 van de Wet van 15.12.1980 dat: 'geldt als vluchteling, elke persoon, die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.' Er mag dan ook niet als voorwaarde worden ingeroepen, dat men reeds effectief het slachtoffer van vervolging moet geweest zijn ingevolge vroegere activiteiten. De vrees voor vervolging, kan uiteraard niet in het verleden gevonden worden, doch is een vooruitzicht naar de toekomst, waarbij vervolgingen in het verleden enkel als objectieve indicatie kunnen dienen om over de gegrondheid van de vrees te beslissen. In casu maakt men de redenering dat betrokkene nooit deelnam aan demonstraties en dus niet kan vrezen opnieuw gearresteerd te worden. Hierbij is echter van belang dat verzoeker wel reeds gevangen heeft gezeten doordat hij bijstand verleende aan politiek actieve mensen, dus kan men zich wel inbeelden wat de repercussies zijn wanneer men zelf politiek actief zou zijn. In België kon verzoeker wel voor zijn opinie uitkomen en heeft hij dit eerst gedaan via collectieve manifestaties, maar nadien ook individueel via interviews aan CHANNEL ONE TV, welke uitzendingen ongetwijfeld ook in Iran te volgen zijn, doch waar de vrijheid van (politieke) meningsuiting sterk onderdrukt wordt. Nu verzoeker in België de garantie heeft om wel zijn rechten te kunnen vrijwaren, betekent de beslissing van de Vaste Beroepscommissie, die een terugkeer van verzoeker naar zijn land tot gevolg heeft, een bestendiging van de schending van de mensenrechten. Om deze reden dient de beslissing van de Vaste Beroepscommissie vernietigd te worden, vermits zoniet de Staat medewerking verleent aan het schenden van mensenrechten. Er dient immers niet geoordeeld te worden hoe ver de politieke overtuiging van iemand gaat, doch enkel of diens handelingen door de overheden van zijn land van herkomst zullen getolereerd worden. De Vaste Beroepscommissie had de verplichting rekening te houden met de achtergrond van verzoeker om de concrete handelingen te kunnen beoordelen. Nu verzoeker in Iran reeds voorwerp heeft uitgemaakt van gevangenschap en maatregelen omwille van een hem toegemeten overtuiging, spreekt het voor zich dat de acties die verzoeker hier voerde uit persoonlijke overtuiging, als een schending van de maatregelen zullen gezien worden, en zullen leiden tot vervolgingen. XIV-23.729-3/6 Door geen rekening te houden met de concrete achtergrond, heeft de Vaste Beroepscommissie haar onderzoeksplicht niet voldoende vervuld, en geen rekening gehouden met alle omstandigheden van de zaak.”; 1.2.
- Overwegende dat in een eerste onderdeel van het eerste middel verzoeker aanvoert dat de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3,1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden werden; dat noch artikel 62 van de Vreemdelingenwet, noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers tweede aanvraag om erkenning als vluchteling wordt geweigerd omdat, samengevat, geen rekening meer kan worden gehouden met de feiten die in de eerste aanvraag werden aangevoerd, zijn tweede aanvraag aldus beperkt is tot zijn activiteiten in het onthaalland en de mogelijke gevolgen hiervan bij een eventuele terugkeer naar het land van herkomst, dat verzoekers deelname aan de acties in België niet politiek geïnspireerd was en zelfs getuigen van een opportunistisch karakter en hij aldus het risico voor vervolging zelf geschapen heeft, hij daarnaast niet aantoont dat personen in een vergelijkbare situatie bij hun terugkeer naar Iran werden vervolgd en hij aldus niet aantoont dat hij de bescherming van het land van herkomst niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vervolgingvrees; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel, onder meer, stelt dat niet werd geantwoord op een belangrijk stuk dat betrekking heeft op zijn journalistieke activiteiten voor Channel One TV en dat hij heeft neergelegd tijdens de procedure; 1.2.
- Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat van dit stuk enkel sprake is bij de feitenuiteenzetting; dat uit deze feitenuiteenzetting eveneens blijkt dat verzoeker over de protestacties van de Iraanse asielzoekers in België herhaaldelijk verslag heeft uitgebracht aan twee Iraanse televisiestations die in de Verenigde Staten gevestigd zijn; dat, gelet op het feit dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat de tweede aanvraag om erkenning als vluchteling beperkt is tot de activiteiten in België, bijgevolg eveneens rekening dient te worden gehouden met de journalistieke activiteiten van verzoeker in België; dat uit de motivering die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt gegeven in de bestreden beslissing evenwel blijkt dat de weigering van de aanvraag van verzoeker enkel gebaseerd is op zijn protestactiviteiten in België, zonder rekening te houden met zijn journalistieke bezigheden voor, onder meer, Channel One TV; dat, alhoewel uit het beroepschrift bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet als zodanig blijkt dat XIV-23.729-4/6 de activiteiten voor de televisiestations worden aangevoerd, evenwel moet worden opgemerkt dat tijdens de terechtzitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de brief van Channel One TV (opnieuw?) werd neergelegd hetgeen impliciet, doch duidelijk laat vermoeden dat verzoeker minstens extra aandacht vraagt voor dit aspect van zijn aanvraag om erkenning als vluchteling; dat, gelet op het feit dat het niet uitgesloten is dat verzoeker door deze activiteiten de aandacht van de autoriteiten in zijn land van herkomst op hem heeft gevestigd; dat een motivering die zich louter beperkt tot de protestactiviteiten in België en het lidmaatschap van een dubieuze oppositiepartij van verzoeker niet ingaat op dit neergelegde stuk dat de Belgische context van zijn acties overstijgt; dat een dergelijke motivering dan ook niet beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste onderdeel in het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 2 september 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. XIV-23.729-5/6 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Ch. VERHAERT griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.729-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.611 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.