← België

Arrest 158634 - - 11/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.634 Rolnummer: A. 151872/XII-4149 Zaak: Arrest 158634 - - 11/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 19:06 Fiche Arrest nr 158.634 van 11 mei 2006 - Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.634 van 11 mei 2006 in de zaak A. 151.872/XII-4149. In zake : de NV GLOBEGROUND BRUSSELS (in faillissement), vertegenwoordigd door haar curator : advocaat J. Mombaers, kantoor houdende te 3300 Tienen, O.L.V. Broedersstraat 3 tegen : de NV BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY, naamloze vennootschap van publiek recht, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’Hooghe, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51. tussenkomende partijen : 1. de NV AVIA PARTNER BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten L. Cornelis en K. Leus, kantoor houdende te Brussel, Goedheidsstraat 5-7 2. de NV BELGIAN GROUND SERVICES, die woonplaats kiest bij advocaat B. Martens, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Globeground Brussels op 17 mei 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 17 maart 2004 van de raad van bestuur van BIAC N.V. van publiek recht in zoverre zij, in het kader van een selectieprocedure voor afhandeling door derden in de categorieën van bagageafhandeling, platformafhandeling, vracht- en postafhandeling (tussen het luchthavengebouw en het vliegtuig), (

  1. i)per categorie slechts twee van de drie door BRUC voorgestelde dienstverleners toelaat voor het verlenen van de afhandelingsdiensten en, (
  2. ii)alleen aan Aviapartner Belgium N.V. en Belgian Ground Services N.V. (verder XII-2906-1/5 vliegtuig en het luchthavengebouw) verleent, en zodoende verzoekster van deze markt en de erop betrekking hebbende infrastructuur verder uitsluit”; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 26 en 30 juli 2004; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2004 die de tussenkomsten van de NV Avia Partner Belgium en de NV Belgian Ground Services toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur L. Vermeire; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 januari 2006; Gelet op de “verklaring van hervatting van geding” en de “aanvullende memorie” voor de verzoekende partij; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. Erkelens en M. Martens, die verschijnen voor de verzoekende partij, van advocaat D. D’Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat K. Leus, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat T. Dreier, die loco advocaat B. Martens verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-2906-2/5 Overwegende dat de NV Globeground Brussels bij vonnis van 28 april 2005 van de rechtbank van Koophandel te Brussel failliet werd verklaard; dat in het voormelde auditoraatsverslag van 8 december 2005 wordt vastgesteld dat de curator het geding niet heeft hervat; dat in dat verslag wordt voorgesteld de zaak van de rol af te voeren aangezien het geding niet is hervat binnen een redelijke termijn; Overwegende dat na de betekening van het voornoemde auditoraatsverslag, de curator bij een op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief de voornoemde “verklaring van hervatting van geding” aan de Raad bezorgt en dat de dag der terechtzitting een “aanvullende memorie” van negen bladzijden wordt neergelegd; Overwegende dat de “aanvullende memorie” van de verzoekende partij uit de debatten wordt geweerd, nu ze ontijdig want pas ter terechtzitting aan de Raad van State is bezorgd, terwijl het auditoraatsverslag reeds bij brief van 13 januari 2006 aan de verzoekende partij ter kennis was gebracht; Overwegende dat artikel 55 van het besluit van de Regent van 13 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, bepaalt hetgeen volgt : “Zo, vóór de sluiting der debatten, een der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het rechtsgeding. [...]”; dat artikel 58 stelt : “In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding geschiedt zulks door een verklaring ter griffie”. Overwegende dat, ruim en naar analogie geïnterpreteerd, deze artikelen geen formele beperkingen opleggen aan de hervatting van het geding zodat deze in een aantal gevallen mag worden toegestaan tot aan de sluiting der debatten; dat echter in het kader van een faillissement mag worden verwacht dat een curator diligent meewerkt aan de procesvoering voor de Raad van State en zo spoedig mogelijk een eventuele gedinghervatting aan de Raad van State meedeelt; dat overigens dit principe spoort met artikel 40 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 krachtens welke bepaling de curatoren gehouden zijn “dadelijk na het vonnis van faillietverklaring” hun taak op te nemen en het faillissement “als een goed huisvader” te beheren; XII-2906-3/5 Overwegende dat te dezen de curatoren bijna negen maanden hebben gewacht met de hervatting van het geding; dat hun stilzitten er in elk geval heeft toe geleid dat in het auditoraatsverslag ervan werd uitgegaan dat er geen dergelijke hervatting voorhanden was; dat ter terechtzitting voor de verzoekende partij naar de complexiteit van het faillissementsdossier wordt verwezen; dat een dergelijke omstandigheid echter niet als de overmacht kan worden aangemerkt die er op verschoonbare wijze zou hebben toe geleid dat pas meer dan negen maanden na het faillissementsvonnis het geding werd hervat; dat een dergelijke termijn om een eenvoudige verklaring neer te leggen niet meer redelijk is binnen een procesvoering als deze voor de Raad van State waarin van alle partijen wordt verwacht, dat zij een voortdurende en ononderbroken belangstelling voor het geding vertonen; dat zulks des te meer geldt in het geval van een faillissement van een verzoekende partij waardoor het belang op zijn minst twijfelachtig wordt; dat evenmin, in tegenstelling tot hetgeen nog voor de verzoekende partij wordt betoogd, het aan het bevoegde lid van het auditoraat als een verzuim kan worden toegerekend, de curator niet om een gedinghervatting te hebben gevraagd; Overwegende dat het geding niet binnen een redelijke termijn blijkt te zijn hervat; dat er dienvolgens reden is om de zaak van de rol af te voeren, BESLUIT: Artikel 1. De zaak wordt van de rol afgevoerd. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de failliete boedel. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. XII-2906-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei 2006, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2906-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.