id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.638 Rolnummer: A. 114646/XII-3391 Zaak: Arrest 158638 - - 11/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 19:07 Fiche Arrest nr 158.638 van 11 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.638 van 11 mei 2006 in de zaak A. 114.646/XII-
- In zake :
- Marc DEVOS,
- Lionelle DEBACKERE,
- Lieven DEVOS,
- Wim DEVOS, die woonplaats kiezen bij advocaat R. Depovere, kantoor houdende te Roeselare, Oude Stadenstraat 3 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken,
- de STAD WERVIK, die woonplaats kiest bij advocaten M. Decramer en J.-M. Vanstaen, kantoor houdende te Wervik, Nieuwstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Devos, Lionelle Debackere, Lieven Devos en Wim Devos op 28 december 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 november 2001 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken om hun ambtshalve inschrijving in het bevolkingsregister van Wervik, Pastoor Pypestraat 19, als een gezin te behouden, en “derhalve” ook van de beslissing van 15 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wervik om hen van ambtswege op genoemd adres in te schrijven; Gelet op het arrest nr. 109.411 van 16 juli 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 28 augustus 2002 ingediend door verzoekers; XII-3391-1/18 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. De Povere, die verschijnt voor verzoekers, van attaché F. Verduyn, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat N. Van Lommel, die loco advocaat D. Decramer verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak 1.
- Sinds 11 november 1996 zijn verzoekers als één gezin ingeschreven in het bevolkingsregister van Koksijde, op het adres Temispad 10, komende van Menen. 1.
- Bij brief van 23 juni 2001 vraagt het gemeentebestuur van Koksijde aan de directie van de verkiezingen en van de bevolking van het ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: de directie) tussen te komen met het oog op het inschrijven van het gezin op de plaats van zijn werkelijk hoofdverblijf. Volgens het gemeentebestuur heeft het gezin zijn werkelijk hoofdverblijf te Wervik. Ter staving XII-3391-2/18 is een brief bijgevoegd van de inspectie geschillen van het ministerie van Financiën te Oostende, die onder meer vermeldt : “Uit onze vaststellingen blijkt dat betrokkenen permanent te Geluwe verblijven en hoogstens een 12 tal weekend[s] te Koksijde aanwezig zijn. Zij coördineren aldaar een praktijk van thuisverpleging. Door hen zelf wordt schriftelijk bevestigd dat zij dagelijks een zwaar zorgbehoevende patiënt tussen 23.30 uur en 01.00 uur moeten in bed steken en daardoor de vooropgestelde kilometers tussen hun plaats van tewerkstelling (Geluwe) en hun woonplaats (Koksijde) niet kunnen verreden hebben”. Daarnaast is een schriftelijke verklaring van de wijkagent van Koksijde bijgevoegd, naar luid waarvan op 18 en 19 december 2000 niemand kon worden aangetroffen in de woning te Koksijde en volgens de buren zelden iemand in de woning aanwezig is, tenzij af en toe tijdens het weekend. 1.
- Met een brief van 11 juli 2001 verzoekt de directie de burgemeester van Wervik een politieonderzoek te laten uitvoeren naar het verblijf van het gezin van verzoekers op het adres Pastoor Pypestraat
- Met een brief van 17 juli 2001 vraagt de bevolkingsinspecteur ook aan de burgemeester van Koksijde een politieonderzoek te laten uitvoeren naar het verblijf van het gezin van verzoekers op het adres Tennispad
- Met brieven van dezelfde datum informeert de bevolkingsinspecteur bij de nutsbedrijven naar het water-, elektriciteits- en gasverbruik in de betrokken woningen. Met betrekking tot de woning te Koksijde worden het elektriciteits- en gasverbruik als “een laag gemiddelde” omschreven, inzake de woning te Wervik wordt de omschrijving “hoog-gemiddeld” gehanteerd. Bij brief van 11 augustus 2001 bezorgt de politiecommissaris van Wervik de directie een verslag van 22 juli 2001 waarin onder meer wordt gesteld dat “bijna nooit iemand onmiddelijk thuis” kan worden aangetroffen, dat de woning voldoende bemeubeld is en kan worden bewoond en dat slechts één buurtbewoner wil bevestigen dat het gezin zijn hoofdverblijfplaats te Wervik heeft. Voorts wordt meegedeeld dat er aan de woning geregeld vuilniszakken worden buitengezet, dat er soms drie wagens voor en in de garage aanwezig zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat de woning niet bewoond zou kunnen zijn. Bij brief van 18 augustus 2001 zendt ook de burgemeester van Koksijde het verslag van zijn politiedienst naar de directie. Daaruit blijkt dat de XII-3391-3/18 woning te Koksijde in de periode van 22 juli 2001 tot 16 augustus 2001 tot negenmaal toe, op uiteenlopende tijdstippen tijdens de week en het weekend, werd gecontroleerd, maar dat er niemand werd aangetroffen en dat volgens een buurman verzoekers er slechts “sporadisch” zijn. 1.
- Op grond van het bevolkingsonderzoek, de inlichtingen verstrekt door de nutsbedrijven en de politieverslagen van Koksijde en Wervik besluit de bevolkingsinspecteur op 13 september 2001 dat eerste en tweede verzoeker “effectief verblijven te Wervik, Pastoor Pypestraat 19” en dat “hun woning te Koksijde, Tennispad 10 enkel dienst doet als tweede verblijfplaats”. Hij stelt voor het gezin op 6 september 2001, aanvangsdatum van het bevolkingsonderzoek, af te voeren uit het bevolkingsregister van Koksijde en in te schrijven in het bevolkingsregister van Wervik. Bij brief van 13 september 2001 brengt de bevolkingsinspecteur eerste en tweede verzoeker op de hoogte van zijn voornemen de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen hen op 6 september 2001 te laten inschrijven in het bevolkingsregister van Wervik. Hij wijst hen erop dat zij binnen vijftien dagen opmerkingen of nieuwe gegevens schriftelijk kunnen meedelen en dat zij het recht hebben om, na schriftelijke aanvraag, het administratief dossier in te zien en/of te worden gehoord door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. Met aangetekende brieven van 13 september 2001 stelt de bevolkingsinspecteur ook de burgemeesters van Wervik en Koksijde van zijn voornemen in kennis. Ook zij worden erop gewezen dat zij de mogelijkheid hebben om binnen vijftien dagen opmerkingen of nieuwe gegevens schriftelijk mee te delen en dat een vertegenwoordiger van hun bestuur na schriftelijke aanvraag het administratief dossier kan inzien en/of door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken kan worden gehoord. 1.
- Eerste en tweede verzoeker antwoorden met een brief van 17 september 2001 dat zij “ten zeerste” betwisten dat hun hoofdverblijfplaats te Wervik zou zijn gevestigd. Teneinde “[hun] rechten te vrijwaren” en “de nodige opmerkingen te laten geworden”, vragen zij een afschrift van het administratief dossier of minstens de toestemming het administratief dossier in te zien. Aan eerste XII-3391-4/18 en tweede verzoeker wordt de toestemming verleend het administratief dossier in te zien. Bovendien ontvangen zij een afschrift van dat dossier. Op 11 oktober 2001 antwoordt de stad Wervik dat uit het laatste politieonderzoek blijkt dat nog steeds niet kan worden vastgesteld of het gezin zijn hoofdverblijf al dan niet te Wervik heeft. Een bijgevoegd verslag van 13 september 2001 van de politie-inspecteur stelt onder meer dat wanneer het gezin te Wervik verblijft, dit tijdens het weekend is, er meestal een voertuig op de oprit staat en op weekdagen ’s avonds werd vastgesteld dat er in de woning zelf geen lichten branden, enkel in het bureau is er licht. Een bijgevoegd verslag van 10 oktober 2001 van de hoofdinspecteur stelt dat de overburen meedelen dat de woning te Wervik enkel een bureau is voor de activiteiten van eerste en tweede verzoeker en dat zij er slechts sporadisch blijven overnachten, dat ook de poetsvrouw verklaart dat de woning dienst doet als zetel van de firma, en dat verzoekers bij geen enkele controle te Wervik werden aangetroffen. In een brief van 26 oktober 2001 zet derde verzoeker, ook namens vierde verzoeker, uiteen om welke redenen hij zich “ten zeerste” verzet tegen de voorgenomen beslissing. Eerste en tweede verzoeker zetten, eveneens in een brief van 26 oktober 2001, de opmerkingen uiteen die zij na het inzien van het administratief dossier wensen te maken. Zij voegen enkele stavingsstukken bij en besluiten dat “geen enkel element aantoont dat [hun] hoofdverblijfplaats zich niet zou bevinden aan het Tennispad 10 te Koksijde”. 1.
- Met een brief van 5 november 2001 deelt de stad Wervik aan de bevolkingsinspecteur mee dat het college van burgemeester en schepenen op 15 oktober 2001 heeft beslist “het gezin Devos-Debackere” van ambtswege in te schrijven in het bevolkingsregister van Wervik, op het adres Pastoor Pypestraat
- Eerste en tweede verzoeker worden bij brief van 30 oktober 2001 van deze beslissing in kennis gesteld. 1.
- Op 16 november 2001 beslist de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de ambtshalve inschrijving van 15 oktober 2001 van verzoekers in het bevolkingsregister van Wervik, als één gezin, op het adres Pastoor Pypestraat 19, te behouden. Deze beslissing steunt, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wetgeving en reglementering, op volgende motieven : XII-3391-5/18 “Gelet op het verzoek dd. 23 juni 2001 van het gemeentebestuur van Koksijde tot beslechting van de betwisting betreffende de hoofdverblijfplaats van de heer Marc Devos, geboren te Le Touquet Paris Plage-F.d.c. (Frankrijk) op 2 juni 1940, zijn echtgenote mevrouw Lionelle Debackere, geboren te Ieper op 13 november 1945 en hun kinderen Lieven Devos, geboren te Menen op 21 februari 1972 en Wim Devos, geboren te Kortrijk op 20 oktober 1975; Overwegende dat uit het onderzoek dd. 6 en 7 september 2001 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) is gebleken dat : S het betrokken gezin sedert 11 november 1996 ingeschreven stond in het bevolkingsregister van Koksijde, Tennispad 10; S het gemeentebestuur van Koksijde bij brief dd. 23 juni 2001 mededeelt dat de betrokkenen, die ingeschreven staan te Koksijde, in werkelijkheid verblijven te Wervik, Pastoor Pypestraat 19; dit tevens blijkt uit een onderzoek naar de fiscale woonplaats van de betrokkenen uitgevoerd door het Ministerie van Financiën; S het gemeentebestuur van Koksijde bij hun brief dd. 18 augustus 2001 een ongedateerd politieverslag voegt, waaruit blijkt dat: • tijdens negen controles, uitgevoerd in de periode van 22 juli 2001 tot 16 augustus 2001, niemand kon worden aangetroffen aan het Tennispad 10; • volgens burenverklaringen de betrokkenen slechts sporadisch aan te treffen zijn aan dit adres; S de politiediensten van Wervik bij brief dd. 11 augustus 2001 en bij politieverslag dd. 22 juli 2001 mededelen dat: • het betrokken gezin aan het adres Pastoor Pypestraat 19 te Wervik een NV in thuisverpleging uitbaat en zij aan dat adres regelmatig in permanentie dienen te voorzien voor de uitoefening van hun beroep; • er aan de Pastoor Pypestraat 19 te Wervik regelmatig vuilniszakken worden buitengezet, de woning voldoende bemeubeld is en er geen aanwijzingen zijn als zou het pand niet bewoond zijn; • de heer Stefaan Volckaert, stadsontvanger van Wervik, bevestigt dat het betrokken gezin zijn hoofdverblijfplaats heeft te Wervik, Pastoor Pypestraat 19; S de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 6 september 2001 aan het Tennispad 10 te Koksijde niemand heeft aangetroffen en ook bij de buren geen nadere inlichtingen konden worden ingewonnen; S de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 7 september 2001 aan de Pastoor Pypestraat 19 te Wervik de heer Marc Devos aantreft in nachtkledij, en hij en zijn echtgenote Lionelle Debackere verklaren dat: • de beweringen van het Ministerie van Financiën als zouden zij om fiscale redenen hun inschrijving hebben te Koksijde, Tennispad 10, volkomen onterecht zijn, aangezien zij reeds sedert 1988 eigenaar zijn van deze woning en zij er zich pas hebben laten inschrijven toen zij hun woning te Menen hebben verkocht; • de woning te Wervik, Pastoor Pypestraat 19, een huurwoning is en zij er enkel beroepsmatig aanwezig zijn om er hun thuisverplegingsdienst uit te baten; • het hoge waterverbruik te Wervik te wijten is aan een tweetal verliezen op de binnenhuisinstallatie en het logisch is dat de nutsverbruiken te Wervik veel hoger liggen dan te Koksijde, omwille van hun veelvuldige aanwezigheid om beroepsredenen; • hun zonen Lieven en Wim Devos beiden advocaat zijn te Brussel, zij tijdens de week overnachten te Brussel en de weekends afwisselend doorbrengen te Wervik en te Koksijde; XII-3391-6/18 S de bevoegde inspecteur tijdens zijn bezoek op 7 september 2001 aan de bevolkingsdienst te Wervik van de heer Stefaan Volckaert, stadsontvanger, verneemt dat: • mevrouw De Meerschman, bevolkingsbediende, hem indertijd informeel gevraagd heeft naar de verblijfstoestand van de betrokkenen; • het betrokken gezin geen aanslag voor tweede verblijf ontvangt te Wervik aangezien zij verklaard hebben dat de woning aan de Pastoor Pypestraat 19 te Wervik volledig gebruikt wordt voor handelsdoeleinden en anderzijds het gezin in overtreding is met het B.P.A.-plan dat voorschrijft dat in de woonwijk geen handelspraktijken mogen worden uitgeoefend; • hij uit de veelvuldige aanwezigheid van het gezin aan de Pastoor Pypestraat 19 te Wervik kan concluderen dat het betrokken gezin er zijn hoofdverblijfplaats heeft; S uit een vergelijking van de nutsverbruiken (water, gas en electriciteit) die door de bevoegde inspecteur werden aangevraagd is gebleken dat de verbruiken beduidend hoger zijn in de woning te Wervik dan in die te Koksijde; S de bevoegde inspecteur tijdens zijn bezoek op 7 september 2001 aan het politiecommissariaat van Wervik aan de heer Stefaan Volckaert, ontvanger, wijkagent Christophe Spinnewyn en wijkagent Denis Pype, die tijdens de periode van eind juli 2001 tot begin augustus 2001 controle hebben uitgevoerd aan het adres Pastoor Pypestraat 19 te Wervik, vraagt aan de hand van hun bevindingen en vaststellingen een duidelijk antwoord te geven op de vraag of het betrokken gezin al dan niet zijn hoofdverblijfplaats heeft aan het adres Pastoor Pypestraat 19 te Wervik, zij alledrie verklaren dat het betrokken gezin zonder de minste twijfel zijn hoofdverblijfplaats heeft aan het adres Pastoor Pypestraat 19 te Wervik en zij enkel omwille van fiscale reden hun inschrijving willen behouden te Koksijde; S het stadsbestuur van Wervik bij brief dd. 5 november 2001 mededeelt dat het Schepencollege in zitting van 15 oktober 2001 beslist heeft om het betrokken gezin van ambtswege op 15 oktober 2001 in te schrijven te Wervik, Pastoor Pypestraat 19, en het in bijlage een kopie van de beslissing van het Schepencollege voegt; S dienvolgens de bevoegde ambtenaar voorstelt om de ambtshalve inschrijving van de betrokkenen dd. 15 oktober 2001 in het bevolkingsregister van Wervik, Pastoor Pypestraat 19, te behouden; [...] Overwegende dat het gemeentebestuur van Koksijde, dat bij brief dd. 13 september 2001 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen heeft meegedeeld; Overwegende dat het stadsbestuur van Wervik, dat bij brief dd. 13 september 2001 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, bij brief van 11 oktober 2001 meedeelt dat uit de laatste politieonderzoeken, waarvan verslag dd. 13 september 2001 en 10 oktober 2001 in bijlage wordt gevoegd, meedeelt dat uit deze verslagen blijkt dat nog steeds niet kan vastgesteld worden dat het betrokken gezin al dan niet zijn hoofdverblijfplaats heeft aan het adres Pastoor Pypestraat 19 te Wervik en dat aan het College van Burgemeester en Schepenen tijdens de zitting van 15 oktober 2001 zal gevraagd worden een beslissing te nemen tot het al dan niet inschrijven van het betrokken gezin; Overwegende dat het stadsbestuur van Wervik vervolgens bij brief dd. 5 november 2001 mededeelt dat het Schepencollege in zitting van 15 oktober 2001 beslist heeft het betrokken gezin van ambtswege in te schrijven te Wervik, Pastoor Pypestraat 19; Overwegende dat de heer en mevrouw Marc Devos - Lionelle Debackere, die bij brief van 13 september 2001 hieromtrent door het departement werden aangeschreven, bij brief en fax van 17 en 25 september 2001 verzoeken om XII-3391-7/18 inzage te bekomen in het administratief dossier, wat hen bij brief dd. 5 oktober 2001 wordt toegestaan en deze inzage plaatsvindt op vrijdag 19 oktober 2001 en zij tevens een afschrift van het administratief dossier ontvangen; Overwegende dat de heer Lieven Devos bij brief dd. 26 oktober 2001 mededeelt niet akkoord te gaan met de voorgestelde beslissingen en daartoe een aantal elementen formuleert, die echter niet van die aard zijn om het voorstel van beslissing te beïnvloeden; Overwegende dat de heer en mevrouw Marc Devos - Lionelle Debackere, na inzage in hun administratief dossier, bij brief dd. 26 oktober 2001 mededelen niet akkoord te gaan met de voorgestelde beslissingen en hiertoe een aantal elementen ter staving aanhalen, maar die niet van die aard zijn om het voorstel van beslissing te beïnvloeden, [...]”; De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat de verwerende partijen in hun respectieve memorie van antwoord doen gelden dat verzoekers het verzoek tot voortzetting van de procedure na het betekenen van het arrest inzake de vordering tot schorsing, laattijdig hebben ingediend; Overwegende dat het arrest inzake de vordering tot schorsing door de griffie van de Raad van State met een op 29 juli 2002 ter post aangetekend verzonden schrijven aan verzoekers werd betekend; dat voornoemd schrijven blijkens de datumstempel op 30 juli 2002 in ontvangst werd genomen; dat de termijn van dertig dagen voor het indienen van een verzoek tot voortzetting van de procedure derhalve verstreek op 29 augustus 2002; dat bijgevolg verzoekers met een op 28 augustus 2002 ter post aangetekend verzonden schrijven tijdig hun verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend; dat de exceptie niet gegrond is; 2.
- Overwegende, voorts, dat tweede verwerende partij in de memorie van antwoord eveneens een exceptie opwerpt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing; dat zij betoogt dat tegen die beslissing geen “rechtstreeks beroep” kan worden ingediend aangezien een ministeriële beslissing voorligt, genomen op grond van artikel 21 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister; Overwegende dat verzoekers uitdrukkelijk de nietigverklaring vragen van zowel de beslissing van 16 november 2001 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken als van de beslissing van 15 oktober 2001 van het XII-3391-8/18 college van burgemeester en schepenen van Wervik; dat de Raad van State enkel kennis kan nemen van beroepen die zijn gericht tegen in laatste aanleg genomen beslissingen; dat indien tegen een beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat, dit beroep dient te worden uitgeput vooraleer een ontvankelijk annulatieberoep bij de Raad van State kan worden ingediend; Overwegende dat artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken of de ambtenaar aan wie hij zijn bevoegdheid heeft overgedragen in geval van moeilijkheden of betwistingen de plaats van iemands hoofdverblijf vaststelt; dat voormelde bepaling een georganiseerd administratief beroep instelt dat aan elkeen die de juistheid van zijn inschrijving in of schrapping uit het bevolkingsregister van een gemeente betwist de mogelijkheid biedt om aan de minister te vragen aan die betwisting een einde te maken; Overwegende dat ook te dezen dat beroep is ingesteld; dat ten gevolge van het beroep de bevoegdheid om het hoofdverblijf van verzoekers te bepalen naar de minister is overgegaan; dat, in het kader van het bij hem ingediende administratief beroep, de minister kennis neemt van de gerezen betwistingen en ze beslecht en oplost door, zo nodig na een eigen onderzoek, zelf het hoofdverblijf vast te stellen; dat de minister daarmee zijn beslissing in de plaats stelt van die van het college; dat uitsluitend deze eindbeslissing voor eventuele nietigverklaring door de Raad van State in aanmerking komt; dat de exceptie gegrond is; dat de besproken vordering slechts ontvankelijk is wat het eerste voorwerp betreft; De grond van de zaak 3.
- Overwegende dat verzoekers in een eerste middel een “Onvoldoende of niet afdoende motivering die gelijk is aan een gebrek aan motivering” inroepen; dat zij doen gelden dat de eerste bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd omdat zij geen antwoord geeft op de opmerkingen die zij in hun brieven van 26 oktober 2001 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken ter kennis hebben gebracht en niet vermeldt waarom de door hen aangebrachte gegevens de voorgestelde beslissing niet vermochten te beïnvloeden; dat zij voorts argumenteren dat de bestreden beslissing meer bepaald niet antwoordt op hun betoog XII-3391-9/18 dat hun zogenaamde niet-aanwezigheid te Koksijde, evenmin als hun hoofdverblijf op een andere plaats, niet werd aangetoond, dat volgens de politie en de bevolkingsdienst van Wervik uit de bevindingen van de politie niet kan worden afgeleid of hun gezin zijn hoofdverblijfplaats al dan niet te Wervik heeft, dat derde en vierde verzoeker nooit op voornoemd adres werden opgemerkt zodat aldaar van een privé- en gezinsleven geen sprake kan zijn, dat op voormeld adres twee vennootschappen zijn gevestigd zodat de vaststellingen in verband met het buitenzetten van vuilniszakken, het parkeren van auto’s en de rekeningen van water- en gasverbruik niet relevant zijn voor het vaststellen van hun hoofdverblijfplaats; Overwegende dat eerste verwerende partij antwoordt dat de eerste bestreden beslissing zowel aan de formele als aan de materiële motiveringsplicht voldoet, dat alle feitelijke gegevens die het werkelijke hoofdverblijf van verzoekers te Wervik kunnen staven chronologisch worden opgesomd en dat ook de wettelijke en reglementaire bepalingen waarop de beslissing steunt worden aangehaald, dat de vermelde motieven pertinent zijn en de genomen beslissing verantwoorden, dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat de minister of zijn gemachtigde antwoordt op alle argumenten die betrokkenen in de loop van het onderzoek hebben aangevoerd, dat de opmerkingen die verzoekers in hun brieven van 26 oktober 2001 formuleerden niet pertinent waren en niet van aard waren de voorgestelde beslissing te beïnvloeden, dat uit het verslag van de politie van Koksijde en de bevindingen van de bevolkingsinspecteur blijkt dat verzoekers hun hoofdverblijfplaats niet te Koksijde hebben, dat uit het politieverslag van 22 juli 2001 en de bevindingen van de hoofdinspecteur blijkt dat verzoekers hun hoofdverblijfplaats te Wervik hebben, hetgeen ook door de bevolkingsinspecteur werd vastgesteld, dat de stadsontvanger en de wijkagenten aan de bevolkingsinspecteur hebben verklaard dat het gezin van verzoekers zonder twijfel zijn hoofdverblijfplaats heeft te Wervik, dat tweede verzoeker zelf verklaarde dat derde en vierde verzoeker tijdens de weekends afwisselend te Koksijde en te Wervik verblijven, maar weigerde te antwoorden op de vraag naar het adres van het appartement van derde en vierde verzoeker te Brussel, dat verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat zij met de gegevens waarop zij acht heeft geslagen, niet tot de bestreden beslissing kon komen, zodat er evenmin sprake kan zijn van een schending van de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord grotendeels herhalen wat zij reeds in hun verzoekschrift tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat zij verder betwisten dat in de eerste bestreden beslissing alle feitelijke XII-3391-10/18 overwegingen werden opgenomen en dat deze hun werkelijk hoofdverblijf te Wervik staven; dat zij erop wijzen dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat het stadsbestuur van Wervik met een brief van 11 oktober 2001 heeft meegedeeld dat uit de bijgevoegde politieverslagen van 13 september 2001 en 10 oktober 2001 blijkt dat nog steeds niet kan worden vastgesteld dat het gezin van verzoekers al dan niet zijn hoofdverblijfplaats te Wervik heeft, dat voorts in de bestreden beslissing met geen woord wordt gerept over de effectieve verblijfplaats van derde en vierde verzoeker, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dan ook nooit tot het besluit kon komen dat zij hun hoofdverblijfplaats op voornoemd adres hebben; Overwegende dat eerste verwerende partij in de laatste memorie stelt dat verzoekers zich er in hoofdzaak toe beperken de ernst van het door de bevolkingsinspecteur gevoerde onderzoek in twijfel te trekken terwijl diens bevindingen volledig in overeenstemming zijn met de gegevens die werden verstrekt door de nutsbedrijven en de politiediensten van Koksijde en Wervik, dat wanneer de telefoonverrichtingen van en naar de woning te Koksijde worden vergeleken met de vaststellingen van de politie tussen 22 juli 2001 en 16 augustus 2001, blijkt dat enkel op zaterdag 11 augustus 2001 iemand aanwezig was in de woning zodat er geen sprake is van een regelmatige aanwezigheid, dat dergelijke eenmalige aanwezigheid het voorstel van beslissing niet kon beïnvloeden, dat men zich vragen kan stellen bij de geloofwaardigheid van de ondertekende verklaring van 22 oktober 2001 van de stadsontvanger waarin hij ontkent dat hij eerder zou hebben verklaard dat “het gezin Marc Devos zonder twijfel haar hoofdverblijfplaats heeft te Wervik, Pastoor Pypestraat 19 en dat zij enkel om fiscale reden hun inschrijving willen behouden te Koksijde”; 3.
- Overwegende dat verzoekers in essentie aanvoeren dat de eerste bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd doordat ze de bezwaren die zij met brieven van 26 oktober 2001 tegen de voorgestelde beslissing hebben gemaakt en de stavingsstukken die zij daarbij hebben gevoegd, afwijst met de enkele vermelding dat de aangebrachte elementen niet van aard zijn het voorstel van beslissing te beïnvloeden; dat zij bijkomend doen gelden dat sommige motieven van de eerste bestreden beslissing eraan in de weg stonden dat werd besloten tot een hoofdverblijf te Wervik; Overwegende dat artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde de verplichting oplegt de XII-3391-11/18 beslissing waarmee uitspraak wordt gedaan over een moeilijkheid of betwisting met betrekking tot het vaststellen van een hoofdverblijfplaats met redenen te omkleden; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van voormelde wet hieraan toevoegt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat deze formele motiveringsplicht tot doel heeft betrokkene in kennis te stellen van de redenen op grond waarvan een voor hem ongunstige beslissing is genomen teneinde hem aldus de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken binnen het raam van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen aan te tonen dat de aangevoerde motieven niet gegrond zijn; dat deze formele motiveringsplicht, zoals eerste verwerende partij terecht laat gelden, niet vereist dat verzoekers in de eerste bestreden beslissing een antwoord vinden op alle opmerkingen en bedenkingen die zij gedurende het onderzoek van de zaak hebben laten gelden; dat zij wel vergt dat de gemachtigde in de bestreden beslissing ingaat op argumenten die dermate wezenlijk zijn dat zij de motieven waarop de beslissing steunt, ontkrachten of minstens in een ander perspectief plaatsen; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing vooral steunt op de vaststellingen van de politie van Koksijde en van Wervik, van de bevolkingsinspecteur en de inlichtingen verstrekt door de nutsbedrijven; dat eerste en tweede verzoeker in de bijlagen bij hun brief van 26 oktober 2001 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken onder meer hun opmerkingen bij het verslag van de bevolkingsinspecteur uiteenzetten, waarbij zij de bevindingen van de bevolkingsinspecteur, waarvan de schriftelijke neerslag te vinden is in diens verslag van 13 september 2001, op verschillende punten verbeteren en aanvullen; dat zij voorts stavingsstukken bijvoegen, waaronder een gedetailleerde opsomming van de telefoonverrichtingen van en naar de woning te Koksijde, afkomstig van de telefoonmaatschappij, die laat uitschijnen dat er in de periode dat de politie van Koksijde er controles uitvoerde regelmatig en meer bepaald op 27 juli 2001 en 11 en 15 augustus 2001, iemand aanwezig was; dat zij ook een ondertekende verklaring van de stadsontvanger bijvoegen waarin deze ontkent dat hij zou hebben verklaard dat “het gezin Marc Devos zonder twijfel haar hoofdverblijfplaats heeft te Wervik, Pastoor Pypestraat 19 en dat zij enkel om fiscale reden hun inschrijving willen behouden te Koksijde”; dat eerste verwerende partij in de laatste memorie louter beweert en nalaat aan te tonen waarom aan laatstgenoemde verklaring zou moeten XII-3391-12/18 worden getwijfeld; dat derde en vierde verzoeker van hun kant, eveneens in een brief van 26 oktober 2001, doen gelden dat zij noch door de politiediensten, noch door de buren ooit te Wervik zijn opgemerkt en dat de bevolkingsinspecteur in zijn verslag heeft vermeld dat zij hun werkelijke hoofdverblijfplaats vermoedelijk te Brussel hebben, maar dit niet heeft gestaafd; dat zij er ook op wijzen dat zij door het bestuur niet in de procedure van artikel 8, § 1, van de wet van 19 juli 1991 werden betrokken; dat al deze argumenten in de bestreden beslissing worden afgewezen met de simpele overweging dat ze “niet van die aard zijn om het voorstel van beslissing te beïnvloeden”; dat deze overweging zo algemeen en nietszeggend is, dat ze niet meer is dan een stijlformule, waarvan verzoekers terecht aanvoeren dat ze geen afdoende motivering van de bestreden beslissing kan uitmaken; dat bovendien de verwijzing in de eerste bestreden beslissing naar het schrijven van 11 oktober 2001 van het stadsbestuur van Wervik, waarbij wordt meegedeeld dat uit de verslagen van 13 september 2001 en 10 oktober 2001 over de laatste politieonderzoeken niet kan worden afgeleid of het gezin van verzoekers zijn hoofdverblijf al dan niet te Wervik heeft, bezwaarlijk als een pertinent motief ter ondersteuning van het inschrijven van verzoekers op dat adres kan worden aangemerkt; dat het eerste middel dan ook gegrond moet worden bevonden; 4.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel een “Schending van de artikelen 1 en 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, van het artikel 16 § 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister” aanvoeren; dat zij doen gelden dat het inschrijven in het bevolkingsregister moet gebeuren in de gemeente van de hoofdverblijfplaats, dat de hoofdverblijfplaats de plaats is “waar de leden van het huishouden dat uit verschillende personen is samengesteld, gewoonlijk leven, te weten de plaats waar iemand effectief de beschikking heeft over een woning van waaruit hij deelneemt aan het maatschappelijk verkeer, waar hij zich terugtrekt voor zijn privé-leven en waar het centrum van zijn gezinsleven ligt, waar de personen die van zijn gezin deel uitmaken gewoonlijk samenkomen en waar hij, zo hij een dagtaak buitenshuis uitoefent, na de dagtaak regelmatig terugkeert en er onafgebroken verblijft”, dat voor het bijzondere geval van gezinnen die beurtelings voor geruime tijd in verschillende gemeenten verblijven die plaats “de gemeente is waar het volledig gezin elk jaar het langst zonder onderbreking verblijft”, dat te dezen niet kan worden vastgesteld dat zij hun hoofdverblijf te Wervik hebben, hetgeen blijkt uit de bevindingen van de politie van Wervik, alsook uit de vermelding in het verslag van de bevolkingsinspecteur dat derde en vierde verzoeker noch door XII-3391-13/18 de wijkagent, noch door de buren ooit te Wervik werden gezien en er ook niet gekend zijn, dat hun zogenaamde niet-aanwezigheid te Koksijde niet werd aangetoond en zij uit het bevolkingsregister van Koksijde werden afgevoerd na een uiterst summier onderzoek van de wijkagent, dat geen proces-verbaal van buurtonderzoek werd opgesteld, dat uit niets blijkt dat het vermoeden dat hun hoofdverblijf te Koksijde is gesitueerd dat bestaat door hun inschrijving in het bevolkingsregister van deze gemeente, zou zijn weerlegd; Overwegende dat eerste verwerende partij in de memorie van antwoord reageert dat wanneer de criteria van artikel 16, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 worden toegepast op de situatie van verzoekers, dient te worden besloten dat zij hun hoofdverblijfplaats te Wervik hebben, dat volgens de rechtspraak van de Raad van State de vraag naar de juiste verblijfplaats moet worden opgelost met inachtneming van het vermoeden dat de bestaande inschrijving in het bevolkingsregister aan de werkelijkheid beantwoordt en dat diegene die dit vermoeden wenst te weerleggen daartoe voldoende feitelijke gegevens moet aanbrengen, dat verzoekers, op het ogenblik dat de eerste bestreden beslissing werd genomen, waren ingeschreven in het bevolkingsregister van Wervik en dat daaruit het vermoeden voortvloeide dat zij daar dan ook hun werkelijke hoofdverblijfplaats hadden, dat verzoekers onvoldoende overeenstemmende gegevens hebben aangebracht die dit vermoeden vermochten te weerleggen, dat de bevindingen van de bevolkingsinspecteur volledig overeenstemmen met de vaststellingen van de politie van Koksijde, de bevindingen van de politie van Wervik en de inlichtingen verstrekt door de maatschappijen voor nutsvoorzieningen; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord in de eerste plaats herhalen wat zij reeds in hun verzoekschrift tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat zij voorts benadrukken dat derde en vierde verzoeker nog nooit te Wervik werden opgemerkt, zodat onmogelijk kan worden besloten dat verzoekers daar hun hoofdverblijf hebben; dat verzoekers verder betwisten dat het gegeven dat zij op het ogenblik dat de eerste bestreden beslissing werd genomen reeds waren ingeschreven in het bevolkingsregister van Wervik tot gevolg had dat eerste verwerende partij bij het bepalen van hun hoofdverblijfplaats diende uit te gaan van het vermoeden dat die hoofdverblijfplaats te Wervik was gelegen; dat zij ten slotte betogen dat hun inschrijving in het bevolkingsregister van Wervik, waartoe het college van burgemeester en schepenen op 15 oktober 2001 had besloten, slechts definitief werd ten gevolge van de eerste bestreden beslissing; XII-3391-14/18 Overwegende dat eerste verwerende partij in de laatste memorie doet gelden dat uit het bevolkingsonderzoek is gebleken dat het beroepsleven van eerste een tweede verzoeker, met de hiermee gepaard gaande sociale contacten, zich afspeelt te Wervik, dat zij na hun beroepsbezigheden gewoonlijk terugkeren naar hun woning te Wervik, dat dit erop wijst dat hun hoofdverblijfplaats te Wervik moet worden gesitueerd, dat het veel hogere energiegebruik te Wervik onmogelijk volledig kan worden toegeschreven aan de beroepsactiviteiten die van daaruit worden georganiseerd aangezien deze beroepsactiviteiten een zelfstandige thuisverplegingsdienst betreffen waarbij eerste en tweede verzoeker steeds op de baan zijn voor de verzorging van patiënten, dat in het dossier voldoende gegevens en aanwijzingen voorhanden zijn om te besluiten dat verzoekers hun hoofdverblijfplaats te Wervik hebben gevestigd; 4.
- Overwegende dat krachtens artikel 1, § 1, 10, van de reeds eerder vermelde wet van 19 juli 1991, de Belgen dienen te worden ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn; dat luidens artikel 3 van voornoemde wet de hoofdverblijfplaats de plaats is waar de leden van een huishouden dat uit verschillende personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap zijn verbonden, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft; dat luidens artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 het bepalen van een hoofdverblijfplaats steunt op een feitelijke situatie, namelijk het vaststellen van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar; dat voormeld artikel exemplatief een aantal “elementen” opsomt op grond waarvan de hoofdverblijfplaats kan worden bepaald: de plaats waarheen betrokkene gaat na zijn beroepsbezigheden, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en de telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of van andere leden van het huishouden; dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats derhalve in wezen een feitenkwestie is; dat het niet aan de Raad van State toekomt om in de plaats van eerste verwerende partij de feitelijke hoofdverblijfplaats van verzoekers vast te stellen; dat de Raad van State enkel vermag te oordelen of eerste verwerende partij aan de hand van de gegevens van het dossier binnen de grenzen van de redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat het gezin van verzoekers op 15 oktober 2001 zijn hoofdverblijfplaats had te Wervik en niet, zoals verzoekers aanvoeren, te Koksijde; XII-3391-15/18 Overwegende dat eerste verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat ten gevolge van de inschrijving van ambtswege op 15 oktober 2001 van het gezin van verzoekers in het bevolkingsregister van Wervik, de vraag naar de werkelijke hoofdverblijfplaats dient te worden beantwoord met inachtneming van het vermoeden dat die hoofdverblijfplaats op voornoemd adres is gesitueerd; dat de ambtshalve inschrijving, die is gebeurd toen de betwisting of moeilijkheid betreffende het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van verzoekers reeds bij de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aanhangig was, pas definitief is geworden door de eindbeslissing van 16 november 2001 van deze gemachtigde; dat voorheen het vermoeden gold dat aan de inschrijving van verzoekers te Koksijde een werkelijk hoofdverblijf beantwoordde; dat het dit vermoeden is dat zowel door het college van burgemeester en schepenen van Wervik als door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken in acht diende te worden genomen; dat dit vermoeden op grond van voorliggende gegevens van het dossier niet weerlegd kan worden bevonden; Overwegende dat het politieonderzoek te Koksijde negen controles ter plaatse betreft op uiteenlopende dagen en uren tijdens de periode van 22 juli 2001 tot 16 augustus 2001; dat telkens niemand werd aangetroffen; dat ook eerder, op 18 en 19 december 2000, niemand aanwezig bleek te zijn; dat eerste en tweede verzoeker met een brief van 26 oktober 2001 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken een gedetailleerde lijst van de in- en uitgaande gesprekken op voornoemd adres tijdens en rond de eerst vermelde periode hebben voorgelegd, afkomstig van de telefoonmaatschappij waaruit blijkt dat de woning toentertijd regelmatig werd gebruikt; dat daarenboven de veelvuldige afwezigheid van eerste en tweede verzoeker te Koksijde kan worden verklaard door het niet-betwiste gegeven dat zij om beroepsredenen veel tijd doorbrengen te Wervik, waar hun twee vennootschappen zijn gevestigd; dat voorts de bevindingen van de politie te Wervik allerminst uitsluitsel geven over het hoofdverblijf van het gezin van verzoekers; dat de omstandigheid dat aan de woning aldaar vuilniszakken worden buitengezet, dat er auto’s op de oprit en in de garage staan en dat de woning “voldoende bemeubeld [is] en kan worden bewoond”, kan worden verklaard door de activiteiten van de vennootschappen die er hun zetel hebben; dat bovendien in de politieverslagen van 13 september 2001 en 10 oktober 2001 uitdrukkelijk wordt verklaard dat niet kon worden vastgesteld dat het gezin van verzoekers aldaar zijn hoofdverblijfplaats heeft; dat het onderzoek ter plaatse van de bevolkingsinspecteur geen overtuigende gegevens heeft opgeleverd; dat eerste en tweede verzoeker in hun brief van 26 oktober 2001 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken op velerlei punten XII-3391-16/18 correcties en aanvullingen hebben geformuleerd bij het verslag van de bevolkingsinspecteur waarop in de eerste bestreden beslissing niet nader is ingegaan; dat hoe dan ook het verslag slechts heeft duidelijk gemaakt dat eerste en tweede verzoeker omwille van hun beroepsactiviteiten veel gebruik maken van de woning te Wervik en daar zelfs overnachten; dat de bevolkingsinspecteur uit de houding van tweede verzoeker het vermoeden afleidt dat derde en vierde verzoeker hun hoofdverblijf te Brussel hebben; dat hiernaar geen nader onderzoek is gebeurd; dat het dienvolgens alleszins weinig aannemelijk is dat de vier leden van het gezin zich te Wervik zouden verenigen, hetgeen overigens wordt bevestigd door de verklaringen van de stadsontvanger, de inspecteur en de hoofdinspecteur dat derde en vierde verzoeker nooit te Wervik zijn opgemerkt; dat de bevolkingsinspecteur zijn conclusie eveneens steunt op de verklaring van laatstgenoemden “dat het gezin Marc Devos zonder twijfel haar hoofdverblijfplaats heeft te Wervik, Pastoor Pypestraat 19 en dat zij enkel om fiscale reden hun inschrijving willen behouden te Koksijde”; dat eerste en tweede verzoeker een schriftelijke verklaring voorleggen van de stadsontvanger waarin deze stellig en uitdrukkelijk ontkent de in het verslag vermelde verklaring te hebben afgelegd; dat de vaststelling dat verzoekers enkel om fiscale redenen hun inschrijving in het bevolkingsregister van Koksijde zouden willen behouden, bij ontstentenis van duidelijke aanwijzingen in die zin, niet kan worden aangenomen, temeer daar verzoekers al sinds 1988 eigenaar zijn van de woning te Koksijde, terwijl ze pas in 1996, nadat ze hun woning te Menen moesten verlaten, hun inschrijving te Koksijde hebben gevraagd; dat de inlichtingen verstrekt door de nutsbedrijven, rekening houdend met het feit dat de woning te Wervik wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden evenmin uitsluitsel biedt; dat het elektriciteits- en gasverbruik te Wervik ongeveer twee keer hoger is dan te Koksijde en het waterverbruik ongeveer drie keer hoger; dat dit gegeven een aanvaardbare verklaring lijkt te vinden in het niet-betwiste gegeven dat de woning te Wervik omwille van de beroepsactiviteit meer wordt gebruikt dan deze te Koksijde; Overwegende dat uit wat voorafgaat moet worden besloten dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken in het dossier onvoldoende overtuigende gegevens heeft kunnen onderkennen die aannemelijk maken dat het gezin van verzoekers zijn hoofdverblijfplaats te Wervik heeft gevestigd; dat ook het tweede middel gegrond is, BESLUIT: XII-3391-17/18 Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 16 november 2001 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken om de ambtshalve inschrijving van Marc Devos, Lionelle Debackere, Lieven Devos en Wim Devos in het bevolkingsregister van Wervik, Pastoor Pypestraat 19, als een gezin te behouden. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 1394,10 euro, komen ten laste van eerste verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3391-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.638 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.109.411 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.