← België

Arrest 158667 - - 12/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.667 Rolnummer: A. 119931/XIV-9661 Zaak: Arrest 158667 - - 12/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 19:14 Fiche Arrest nr 158.667 van 12 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.667 van 12 mei 2006 in de zaak A. 119.931/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. DOCKX, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Koningstraat 104/8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 15 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 24 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-9661-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat P. DOCKX verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Georgische nationaliteit, is België binnengekomen op 14 juli 2000 en heeft zich op diezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 5 februari 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 15 maart 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger van Georgische origine kende problemen in uw vaderland omwille van uw betrokkenheid bij de 'Industria will Save Georgia' oppositiepartij. U werd lid van deze partij in januari
  6. U was tevens mede-eigenaar van een bedrijf te Sinagori dat in kledij handelde. Op 21 oktober 1999 werd dit bedrijf grotendeels in de as gelegd na opzettelijke brandstichting door onbekenden. Dit gebeurde na een periode waarin u (verkiezings-)propaganda maakte voor de 'Industria will Save Georgia' partij en nadat een voorstel tot verkiezingsfraude, gelanceerd door de leidende UCG partij, door jullie partij werd afgewimpeld. U werd daarna ook per telefoon bedreigd en kreeg te maken met financiële controles in de bakkerij van de familie. Op 24 oktober 1999, toen u zich begaf naar een partijvergadering, werd u door een witte Lada Niva van de rijweg gereden, waardoor u zware verwondingen (beenbreuk) opliep en tot eind november 1999 in het ziekenhuis diende te verblijven. Uw vader diende hierover klacht in bij de politie en ook u werd bij het verlaten van het ziekenhuis opgezocht door een politie-inspecteur die u ondervroeg. In december werd uw mede-partner van het kledingbedrijf opgepakt, op beschuldiging van brandstichting in zijn eigen bedrijf. Omstreeks 20 januari 2001 werd hij vrijgelaten. Als gevolg van de brandstichting verkeerde u in die periode in de onmogelijkheid om de betalingen van een afgestoten contract in te lossen. U zou betalingsuitstel hebben verkregen tot eind maart
  7. Omstreeks eind februari 2000 riep insepcteur Kapanadze u opnieuw op en eiste dat u de voor de leidende partij belastende verklaringen zou veranderden en uw klachten zou intrekken, hetgeen u evenwel weigerde. Met betrekking tot de uitstel van betaling schakelde Z., uw partner, zijn broer S. in die kolonel in het Georgische leger was. Via zijn connecties met de politie drong hij er bij uw schuldeisers op aan een uitstel van betaling tot januari 2001 toe te staan. Nadat ze hierover werden XIV-9661-2/7 geinformeerd door de politie zouden de schuldeisers van Alscom zich kwaad hebben gemaakt om deze inmenging en weigerden ze dit toe te staan. Op 14 april 2000 zou u tezamen met Sosa het levenloze lichaam van uw partner Z. hebben ontdekt. U diende hierover klacht in bij de politie. S. zou eveneens 15 militairen hebben ingezet in het grensgebied met Ossetië, waar Alscom gelegen was, te controleren. Hierover zou u op 22 april 2000 zijn opgeroepen door de staatsveiligheid die u ondervroeg over de beweegredenen die aan de basis lagen van deze interventie, die de stabiliteit van de Georgische staat bedreigde in de kwestie met Ossetië. U werd drie dagen vastgehouden waarna u naar Tbilissi werd overgeplaatst. Hier werd u tot 28 mei 2000 vastgehouden, en zou u slecht zijn behandeld. U werd in een cel geplaatst die continue verlicht bleef. Bovendien werd u geslagen op de wonden die u nog aan uw benen had. Tevens zou u ook met geluid psychologisch zijn gemarteld. Op 28 mei 2000 werd u onder voorwaarden vrijgelaten. U werd door deze diensten in de gaten gehouden. Op 30 mei 2000 ontving u een oproeping van de lokale procuratuur. Aldaar werd u drie dagen vastgehouden en ondervraagd over uw betrokkenheid bij de plaatsing van het legerbataljon in Ossetië en over uw betrokkenheid bij de 'Industria will Save Georgia partij' , waarna u onder voorwaarden werd vrijgelaten. Op 8 juli 2000 zou u het land hebben verlaten, nadat u de dag na het bezoek aan de procureur was ondergedoken bij vrienden. U bereikte België op 12 juli
  8. U diende op 14 juli 2000 een asielaanvraag in. U bent in het bezit van een attest dat stelt dat u lid bent van de 'Industria will save Georgia partij', De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt volledig ondermijnd nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal ernstige tegenstrijdigheden vertonen met op het Commissariaat-generaal gekende informatie. Vooreerst is het zo dat u voor het Commissariaat-generaal en de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk stelde dat u sinds januari 1999 lid werd van de Industria will Save Georgia partij (verslag CGVS,p.1 // verslag DVZ, pt 42). Dit staat evenwel in tegenstrijd met informatie op het CGVS die stelt dat de de Industria will Save Georgia partij slechts werd opgericht in april
  9. (zie bijgevoegde communicatie met CEDOCA) Voorts is het eveneens zo dat uit het CEDOCA rapport onbetwistbaar naar voren komt dat leden van de niet-zviadistische oppositie, en dus ook de Industria will Save Georgia partij, geen enkele vorm van vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie hoeven vrezen (zie bron: CEDOCA, Verslag missie naar Georgië: politieke partijen, p. 22) Bovenstaande elementen maken dat er geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan uw relaas. Bijgevolg kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees op vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. U brengt wel nog aan dat u problemen ondervond met de leveranciers van grondstoffen voor uw bedrijf. Indien hier nog enig geloof aan wordt gehecht dient te worden opgemerkt dat het hier feiten van private of gemeenrechterlijke aard betreft. U zou door hen zijn bedreigd omdat u uw schulden niet kon terugbetalen. Uw collega zou hierom zijn vermoord. Gezien geen geloof kan worden gehecht aan de vervolging om politieke redenen waarvan u melding maakt, kan u ook niet aannemelijk maken dat u omwille van één van de motieven zoals bedoeld in artikel 1A

(2)in de Conventie van Genève niet op bescherming van de autoriteiten zou kunnen rekenen. Het door u ingediende attest van lidmaatschap vermag aan bovenstaande conclusies geen afbreuk te doen aangezien het attest net stelt dat u lid werd in januari 1999, terwijl de partij pas werd opgericht in april 1999, hetgeen de geloofwaardigheid van dergelijk attest onderuithaalt.”.
  1. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering tot nietigverklaring onontvankelijk is daar zij naast de uiteenzetting van de middelen geen feitelijke uiteenzetting bevat; XIV-9661-3/7 2.
  3. Overwegende dat het er weinig toe doet dat het beroep geen uiteenzetting der feiten bevat, wanneer, zoals in casu, de tegenpartij, die zich niet vergist heeft omtrent de draagwijdte van het aangevoerd middel, de feiten kent die eraan ten grondslag liggen; dat de exceptie van onontvankelijkheid moet worden verworpen;
  4. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  5. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “2.1 De bestreden beslissing stelt dat de verwerping van de asielaanvraag van verzoeker steunt op art. 52 van de vreemdelingenwet, dat deze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag voor Vluchtelingen, alsook de bewering als zou de aanvraag bedrieglijk zijn. De motieven van de bestreden beslissing kunnen niet worden aanvaard aangezien de ernstige problemen van fysieke bedreigingen en aanslagen waarvan verzoeker het slachtoffer is geworden, geenszins louter van privatieve aard zijn doch wel degelijk rechtstreeks verband houden met zijn persoonlijke politieke engagementen in de oppositiepartij” Industria will save Georgian”. Ook de wederrechtelijke aanhouding van verzoeker tot 28.05.2000 in Tbilissi en de latere aantijgingen door de procureur hadden rechtstreeks verband met de politieke oppositieactiviteit van verzoeker. Het is volkomen verkeerd en eenzijdig vanwege het Commissariaat Generaal om te stellen als zou de oppositiepartij “Industria will save Georgia” pas zijn opgericht in april 1999; en bijgevolg het lidmaatschap van verzoeker van deze partij sedert januari 1999 onmogelijk of bedrieglijk zou zijn. De informatie waarop het Commissariaat zich hiervoor steunt is echter gebrekkig en niet correct; de officiële oprichting van de partij dateert wellicht van april 1999 doch in de aanloop daartoe was de partij in oprichting en recruteerde reeds leden. Verzoeker heeft steeds gesteld dat hij sedert januari zich aansloot bij deze politieke oppositiebeweging die een partij in wording was. Dat verzoeker heeft aangetoond dat hij vruchteloos de normale rechtsbescherming heeft gezocht door klacht neer te leggen bij het parket doch zelf het slachtoffer is geworden van wederrechtelijke aanhouding en mishandeling. Dat de bestreden beslissing op het loutere u CEDOCA-rapport" steunt, waarvan de accuraatheid en volledigheid of objectiviteit nergens wordt bewezen, zondermeer besluit tot de " ongeloofwaardigheid u van het relaas van verzoeker en stelt dat er geen vermoeden van vrees tot vervolging in de zin van de Conventie van Genève kan weerhouden worden, zonder dat dit op voldoende feitelijke of juridische gronden wordt aangetoond. Dat de bestreden beslissing onvoldoende in feite noch in rechte gemotiveerd is en als machtsoverschrijding van de betrokken ambtenaar dient te worden beschouwd aangezien de beslissing zelf op geen enkele overtuigende wijze de ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag aantoont. Dat daarenboven de beslissing zonder ernstige motivering stelt als zou verzoeker zonder gevaar voor diens fysieke integriteit of vrijheid, kunnen worden terug geleid naar de grens van het land van herkomst; terwijl uit de door eiser uiteen gezette feiten het tegendeel blijkt. Dat het bevel het grondgebied te verlaten tevens strijdig is met het non-refoulement beginsel van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951.”; 3.
  6. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Enig middel: schending van motiveringsvereiste. Verzoeker ontkent dat de feiten die hij opwierp ter staving van zijn asielaanvraag van privatieve aard zijn maar wel degelijk verband houden met zijn politieke engagement. XIV-9661-4/7 Verweerder antwoordt dat in de bestreden beslissing terecht werd gesteld dat de problemen die verzoeker kende met de leveranciers niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie kunnen vallen. In zijn verzoekschrift brengt verzoeker allerminst elementen aan die deze conclusie kunnen wijzigen. Voor het overige werd verzoekers asielrelaas bedrieglijkheid geacht op grond van ernstige tegenstrijdigheden met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Verzoeker betwist de accuraatheid en objectiviteit van het CEDOCA-rapport, maar doet dit op een wijze die niet dienend is. Hij stelt hiertegenover immers geen concrete gegevens die de inhoud van het CEDOCA-rapport ontkrachten. Ook stelt verzoeker dat hij "steeds gesteld [heeft] dat hij sedert januari zich aansloot bij deze politieke oppositiebeweging [Industry will save Georgia] die een partij in wording was". Dit blijkt niet uit het administratief dossier. Hij zei uitdrukkelijk partijlid te zijn sinds januari 1999 (verhoorverslag Commissariaat-generaal, p. 1). De beslissing is bijgevolg afdoende gemotiveerd. Inzake de beweerde schending van het non-refoulementbeginsel (artikel 33 van het Verdrag van Genève) merkt verweerder op dat het non-refoulementbeginsel, voorzien in artikel 33 van de Conventie van Genève, enkel van toepassing is op erkende vluchtelingen, zodat dit onderdeel juridische grondslag mist. Het eerste middel is niet ernstig.”; 3.
  7. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Er dient op gewezen dat uit het administratief dossier en verhoren van verzoeker op de Dienst vreemdelingenzaken en het Commissariaat voor de vluchtelingen slechts minimale afwijkingen in het relaas van verzoeker te vinden zijn (zo bijv. m.b.t. lidmaatschap partij : welke niet accuraat door de vertaler werd medegedeeld of genoteerd door de betrokken ambtenaar ) een euvel dat zich bij herhaling voordoet bij de eerste verhoren van de kandidaat asielzoekers. Enige andere "ernstige tegenstrijdigheden" waarop de bestreden beslissing zich beroept worden NIET aangetoond. Het is evenmin aangetoond dat het CEDOCA-rapport (datum?, bronnen?) waarop verweerster steunt om te stellen als zou verzoeker als lid van de Save Georgia Party, niet worden vervolgd; is volkomen in tegenspraak met de werkelijke ervaringen van verzoeker en welke gezien hun details die niet worden ontkracht en aantonen dat hij wel degelijk het slachtoffer was van corruptie en willekeur van de autoriteiten waarvan hij normaliter rechtsbescherming zou mogen verwachten, quod non. Dat de feiten wel degelijk van die aard zijn dat zij beantwoorden aan de criteria van de vluchtelingenconventie van Genève en het privaatrechterlijke overstijgen, gezien internationale mensenrechtenorganisaties de dictatoriale staatsordening en wijdverbreide corruptie, ook bij overheidsdiensten in Georgië duidelijk hebben aangetoond en aan de kaak gesteld.”; 3.4.
  8. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat de asielaanvraag van verzoeker, enerzijds, geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen daar de problemen die verzoeker ondervond met de leveranciers van grondstoffen voor zijn bedrijf feiten van privaatrechtelijke of gemeenrechtelijke aard betreffen; dat, anderzijds, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geconcludeerd tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag daar de verklaringen van verzoeker belangrijke tegenstrijdigheden vertonen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat meer bepaald uit deze CEDOCA-informatie blijkt dat de partij “Industria will save Georgia” pas werd XIV-9661-5/7 opgericht in april 1999, terwijl verzoeker verklaarde al sinds januari 1999 lid te zijn; dat verdere uit deze informatie blijkt dat leden van deze partij geen enkele vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie hoeven te vrezen; 3.4.
  9. Overwegende dat, met betrekking tot de vastgestelde tegenstrijdigheid tussen de datum van oprichting van de partij “Industria will save Georgia” en de beweerde datum van lidmaatschap van verzoeker van deze partij, verzoeker vooreerst stelt dat de informatie waarop het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich steunt “gebrekkig en niet correct is”; dat verzoeker wel beweert dat de partij al vóór 1999 in oprichting was en reeds leden rekruteerde, doch dit in het geheel niet aantoont; dat verder zijn bewering dat hij steeds heeft verklaard zich sedert januari te hebben aangesloten bij “deze politieke oppositiebeweging die een partij in wording was” geen steun vindt in het administratief dossier; dat uit het verhoorverslag op de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker heeft verklaard: “in januari 1999 werden Z., mijn vader en ik officieel lid van deze partij” (verhoorverslag dienst Vreemdelingenzaken, punt 42); dat op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker antwoordde op de vraag sinds wanneer hij partijlid was: “januari 1999" (verhoorverslag Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, pagina 1); dat verzoeker nooit heeft verklaard dat deze partij in wording of oprichting was toen hij lid werd in januari 1999; dat ten slotte verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat zijn verklaringen met betrekking tot het lidmaatschap van de “Industria will save Georgia” partij “niet accuraat door de vertaler werd medegedeeld of genoteerd door de betrokken ambtenaar”; dat deze algemene bewering, zonder enige concrete toelichting, niet volstaat; dat verzoeker trouwens, zowel op de dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, geen enkele opmerking met betrekking tot de verslagen van deze verhoren heeft gemaakt; dat, met betrekking tot de vaststelling van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat leden van de partij “Industria will save Georgia” geen enkele vervolging, zoals bedoeld in de vluchtelingenconventie hoeven te vrezen, verzoeker aanvoert dat “de accuraatheid, volledigheid of objectiviteit” van het CEDOCA-rapport nergens wordt bewezen; dat verzoeker zich beperkt tot een blote bewering zonder begin van bewijs en nalaat om concreet aan te tonen dat dit rapport niet correct, volledig of objectief is; dat verzoeker zich beperkt tot een aantal feitelijke beweringen teneinde aan te tonen dat zijn asielaanvraag wel degelijk verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève of andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat deze beweringen in wezen een loutere herhaling zijn van verzoekers asielrelaas met betrekking tot zijn politieke activiteiten welke door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals hoger besproken, op goede gronden als bedrieglijk werd bevonden; dat verzoeker evenwel niet aantoont dat de problemen die hij ondervond met de leveranciers van grondstoffen voor zijn bedrijf het privaatrechtelijke of gemeenrechtelijke domein overstijgen; dat verzoeker niet werd erkend als vluchteling en zich derhalve niet kan beroepen op artikel 33 van de Conventie van Genève; dat trouwens XIV-9661-6/7 artikel 33 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-9661-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.