← België

Arrest 158673 - - 12/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.673 Rolnummer: A. 172482/IX-5299 Zaak: Arrest 158673 - - 12/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 19:14 Fiche Arrest nr 158.673 van 12 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.673 van 12 mei 2006 in de zaak A. 172.482/IX-

  1. In zake : Johan RENDERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN BETSBRUGGE en E. VANDEBEMPT, kantoor houdende te TIENEN, IVde Lansierslaan 70 tegen : de Politiezone LUBBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan RENDERS op 29 april 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de hem met een brief van 25 april 2006 medegedeelde beslissing van de korpschef van de politiezone LUBBEEK om zijn kandidatuur voor de functie van hoofdinspecteur-wijkoverste met standplaats Boutersem niet te weerhouden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2006, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VAN BETSBRUGGE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. WELKENHUYSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-5299-1/7 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat met een interne nota van 14 april 2006 aan alle leden van het politiekorps van Lubbeek medegedeeld is dat een vacature opgesteld werd van “1 voltijdse HINP/wijkoverste” voor het wijkcommissariaat te Boutersem; dat volgens het profiel de kandidaat moet “behoren tot het middenkader”; dat verzoeker, inspecteur van politie, zich op 23 april 2006 kandidaat gesteld heeft en dat hij daarbij verwees naar de “inwerkingtreding van de Vesaliuswet” die hem de mogelijkheid biedt om, als “houder van het brevet van officier van de gemeentepoli- tie, (te) solliciteren voor elke betrekking van hoofdinspecteur en van commissaris zowel bij een lokale politiezone als bij de Federale Politie”; dat de korpschef van de politiezone met een brief van 25 april 2006 aan verzoeker medegedeeld heeft dat zijn kandidatuur niet zou weerhouden worden; dat die mededeling, die de hier bestreden beslissing bevat, luidt als volgt : “Ik heb uw schriftelijke kandidatuur inzake de interne mobiliteit voor de functie van HINP/wijkoverste Boutersem in goede orde uit uw handen mogen ontvangen op maandagnamiddag 24 april
  4. De thans toegepaste procedure om, na een functionele herschikking van de aanwezige titularis-wijkoverste, het ambt in kwestie intern vacant te verklaren, valt echter buiten de toepassingssfeer van de Vesaliuswet. De vacature richt zich in eerste instantie daadwerkelijk tot de personeels- leden van het korps Lokale Politie Lubbeek die al effectief tot het middenkader behoren en bekleed zijn met de graad van hoofdinspecteur (zie ook de bepalingen van het document ‘Functiebeschrijvingen en functieprofielen’ van de PZ Lubbeek - pagina 25 - A1 - 3). Verder staat ook vast dat de valoriseringsmaatregelen voor de inspecteurs van politie die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie, opgenomen in de publicatie INFONieuws nummer 1625 (Politieher- vor- ming 298) en u meegedeeld via interne mail op 04 augustus 2005, alleen betrekking hebben op de driemaal per jaar over het geheel van de lokale en federale politiediensten georganiseerde mobiliteitscycli. Terzake werd eveneens overleg gepleegd met de heer Guy Depus van het callcenter ‘politiehervorming’, te contacteren via het gratis nummer 0800 99
  5. Op basis van deze formele gegevens en vaststellingen moet ik concluderen dat uw kandidatuur voor de aangehaalde functie niet ontvankelijk is.”
  6. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de IX-5299-2/7 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; 3.
  7. Overwegende dat de verwerende partij de vordering niet ontvankelijk acht omdat de bestreden beslissing een maatregel van orde betreft houdende de “functionele herschikking van de aanwezige titularis-wijkoverste”, hetgeen een “interne verschuiving” uitmaakt die tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur behoort en die niet voor de Raad van State bestreden kan worden; dat zij subsidiair ook het belang van verzoeker betwist omdat hij zich niet verzet heeft tegen de oproep tot de kandidaten -waarin duidelijk gesteld was dat de betrekking zou toegewezen worden aan een hoofdinspecteur- maar enkel tegen het niet- ontvankelijk verklaren van zijn kandidatuur; 3.
  8. Overwegende dat de Raad van State, uitspraak doende bij hoogdringendheid, de opgeworpen excepties buiten beschouwing laat, nu hij, zoals hierna blijken zal, tot het besluit komt dat de vordering om een andere reden verworpen dient te worden; 4.
  9. Overwegende, wat de eerste grondvoorwaarde betreft om de schorsing te kunnen bevelen, dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (door de partijen de ‘Vesaliuswet’ genoemd, hierna : de wet van 3 juli 2005), doordat artikel 15 van die wet, waarbij in het RPPol een artikel XII.VI.6bis wordt ingevoegd waarin gesteld wordt dat de agenten van de gemeentepolitie, houder van het brevet van officier van gemeentepolitie, via mobiliteit kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor hoofd-inspecteurs van politie en dat zij, indien zij via mobiliteit in die betrekking worden aangewezen, in de graad van hoofdinspecteur benoemd worden en doordat die bepaling geen onderscheid maakt tussen de mobiliteit binnen het eigen korps of de externe mobiliteit, terwijl het bestreden besluit hem de toepassing van artikel 15 weigert omdat de openstaande betrekking bij interne mobiliteit begeven wordt; 4.
  10. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de wet van 3 juli 2005 niet van toepassing is op de betrekking waarvoor verzoeker gekandideerd heeft aangezien het gaat om een “interne functieaanduiding” waarbij geen betrekking van hoofdinspecteur vacant is en aangezien men “niet onbeperkt IX-5299-3/7 hoofdinspecteurs kan benoemen” zodat “slechts wanneer iemand wegvalt een nieuwe functie vacant verklaard kan worden waarbij de Vesaliuswet kan toegepast worden waardoor de oude garde bepaalde voordelen geniet”; 4.3.
  11. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker een personeelslid is dat valt onder de toepassing van artikel XII.IV.6, §1 RPPol, te weten een lid van de vroegere gemeentepolitie dat houder is van het brevet van officier van gemeentelijke politie; Overwegende dat de wet van 3 juli 2005 het RPPol met een artikel XII.VI.6bis aangevuld heeft om, teneinde de door het Arbitragehof vastgestelde discriminatie weg te werken, de voornoemde politieambtenaren versneld toegang te verlenen tot het middenkader; dat die bepaling hen de mogelijkheid biedt om via het stelsel van de mobiliteit mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor hoofdinspecteurs en om, wanneer zij volgens de regels van de mobiliteit in de geambieerde functie aangewezen zijn, hen in de graad van hoofdinspecteur te benoemen; 4.3.
  12. Overwegende dat artikel 128 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalt dat het statuut van de politieambtenaren hun de waarborg verleent van de mobiliteit in de federale politie, tussen de lokale politiediensten en tussen de lokale en de federale politie; dat het RPPol in artikel I.I.1.15/ de mobiliteit definieert als de verandering van betrekking uitgevoerd krachtens artikel 128 van de wet van 7 december 1998 en dat in Deel VI, titel I, hoofdstuk II (artikel VI.II.8 en volgende) deze regeling nader uitgewerkt wordt; dat al deze bepalingen -wat de lokale politie betreft- duidelijk betrekking hebben op de overgang van politieambtenaren naar andere lokale politiekorpsen wanneer in dergelijk korps een betrekking vacant is; Overwegende dat, afgaande op de specifieke juridische inhoud die het begrip “mobiliteit” aldus gekregen heeft, artikel 15 van de wet van 3 juli 2005 de daar bedoelde personeelsleden van het basiskader toelaat -zonder dat zij voldoen aan de voorwaarde titularis te zijn van de graad die als toekenningsvoorwaarde voor de vacante betrekking gesteld is- mee te dingen naar een benoeming in een vacante betrekking bij een ander lokaal politiekorps; dat dergelijke “externe mutatie” niet vereenzelvigd mag worden met wat gemeenzaam een “interne mutatie” of een “interne verschuiving” wordt genoemd waarbij, binnen hetzelfde lokaal politiekorps, IX-5299-4/7 politieambtenaren voor een andere betrekking van dezelfde graad worden aangewe- zen zonder dat zulks gevolgen heeft voor hun juridisch statuut; 4.3.
  13. Overwegende dat de personeelsbeweging die de verwerende partij met de zogenaamde vacantverklaring van 14 april 2006 op gang wenste te brengen eigenlijk een dienstaanwijzing is ter verdeling van de taken onder de leden van het middenkader van het eigen korps; dat de wet van 3 juli 2005 niet van toepassing is op dergelijke personeelsbeweging; dat het middel niet ernstig is; 5.
  14. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de formele motiveringswet, van de materiële motiveringsverplichting en van artikel 149 van de Grondwet; dat naar zijn oordeel een beslissing om een kandidatuur niet te weerhouden formeel gemotiveerd moet worden en dat de kandidaten individueel verwittigd moeten worden van het resultaat van hun kandidatuur; dat hij betoogt dat hij niet werd gehoord, dat de verwerende partij geen deugdelijk motief voor het bestreden besluit kan vinden in de blote verwijzing naar een telefoongesprek en dat volledig ten onrechte -want in strijd met de Vesaliuswet- en dat zonder motivering wordt gesteld dat de functie beperkt is tot leden van het middenkader; 5.
  15. Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat verzoeker duidelijk en schriftelijk in kennis gesteld is van de redenen waarom zijn kandidatuur onontvankelijk is en dat -hoewel zulks eigenlijk niet hoefde- de beslissing duidelijk gemotiveerd is; 5.
  16. Overwegende dat het bestreden besluit geen rechterlijke uitspraak is; dat artikel 149 van de Grondwet terzake niet van toepassing is; Overwegende dat de brief van 25 april 2006 duidelijk aanduidt waarom de kandidatuur van verzoeker niet weerhouden wordt, met name omdat het om een “intern vacant ambt” gaat dat valt buiten de toepassingssfeer van de Vesaliuswet, die betrekking heeft op de mobiliteitscycli die georganiseerd worden over de politiekorpsen heen; dat die motivering, voortgaande op de conclusie van de bespreking van het eerste middel, volstaat en deugdelijk is; IX-5299-5/7 Overwegende dat de verwijzing naar een telefoongesprek met een ambtenaar van een “callcenter politiehervorming” evident geen deugdelijk motief kan zijn voor het bestreden besluit, maar die verwijzing hier duidelijk bedoeld is als een inlichting naar verzoeker toe die de geldigheid van het besluit niet aantast; Overwegende dat verzoeker niet verduidelijkt welke rechtsregel de verwerende partij zou verplichten om hem, vooraleer zijn kandidatuur onont- vankelijk te verklaren, te horen of om uitleg te vragen; Overwegende dat volgens de door de verwerende partij overgeleg- de “functiebeschrijving en functieprofielen middenkader”, de functie van wijk-overste “uitgeoefend wordt door een politiefunctionaris van het middenkader”, hetgeen verantwoordt waarom de nota van 14 april 2006 verwijst naar de graad van hoofdinspecteur; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 6.
  17. Overwegende dat verzoeker in het derde middel, ontleend aan de schending van het redelijkheidsbeginsel, van de regels van behoorlijk bestuur en van het gelijkheidsbeginsel, betoogt dat de verwerende partij zijn kandidatuur niet gewoon kon negeren terwijl de Vesaliuswet het precies mogelijk maakt dat de ongelijke toestand waarin agenten-brevethouders zich bevinden, spoedig weg- gewerkt kan worden door de betrokkenen in aanmerking te laten komen voor de mobiliteit; 6.
  18. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de kandidatuur van verzoeker niet gewoon geweerd werd, maar dat zij onontvankelijk verklaard is en dat de redenen daarvoor ook zijn medegedeeld; 6.
  19. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel vastgesteld is dat de wet van 3 juli 2005 niet van toepassing is op het begeven van een betrekking binnen het eigen lokaal politiekorps; dat deze wet de achteruitstelling van de agenten-brevethouders remedieert door hen toegang te geven tot de mobiliteit, die per definitie betrekking heeft op betrekkingen in een ander korps; dat deze wet aan de lokale besturen de mogelijkheid niet verleent om op eigen gezag deze regeling ook te gaan toepassen op personeelsbewegingen binnen het eigen korps; dat de verwerende partij dan ook niet kan verweten worden dat zij niet IX-5299-6/7 bijgedragen heeft tot het rechtzetten van een discriminatie waarvan verzoeker zich het slachtoffer acht; dat het derde middel niet ernstig is,
  20. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn; dat de vordering tot schorsing om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5299-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.