id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.812 Rolnummer: A. 172987/VII-36501 Zaak: Arrest 158812 - - 16/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 19:20 Fiche Arrest nr 158.812 van 16 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.812 van 16 mei 2006 in de zaak A. 172.987/XIV-25.
- In zake :
- XXX,
- XXX,
- XXX,
- XXX,
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX, XXX, XXX, XXX en XXX, allen van Irakese nationaliteit, op 15 mei 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en van de beslissingen tot vasthouden in een welbepaalde plaats van dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 16 mei 2006 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; XIV-25.579-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco advocaat L. DENYS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. Overwegende dat verzoekers op 4 juni 2005 een asielaanvraag hebben ingediend in Griekenland; dat zij verklaard hebben op 15 november 2005 het Rijk te zijn binnengekomen en op 23 november 2005 de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd; dat op 12 mei 2006 de minister van Binnenlandse Zaken besliste tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en tot het vasthouden in een welbepaalde plaats; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn;
- De beoordeling. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoekers met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoeren dat zij door de uitvoering van de bestreden beslissingen gescheiden zouden worden van hun naaste familie ”wat een schending zou inhouden van artikel 8 EVRM, meer bepaald voor de eerste en tweede verzoeker die een zoon in België hebben”, dat “de derde, vierde, vijfde en zesde verzoeker (...) niet van hun ouders, respectievelijk schoonouders (kunnen) gescheiden worden” en dat er ook een reëel risico bestaat dat Griekenland hun asielprocedure als onderbroken bestempelt en verzoekers naar Irak terugstuurt zonder analyse van hun asielmotieven, zodat dit een schending van het “non-refoulement”-principe vervat in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag zou betekenen; Overwegende dat de verwerende partij ter zitting laat weten dat verzoekers het voorwerp uitmaken van een terugnameakkoord met Griekenland en dat dit XIV-25.579-2/4 akkoord zonder enig voorbehoud vanwege Griekenland is gegeven; dat de Belgische overheid niet op de hoogte is gesteld van het feit dat de Griekse overheid de asielprocedures van verzoekers als onderbroken beschouwt; Overwegende dat verzoekers niet afdoende uiteenzetten waarom zij bij hun familie in België moeten blijven, terwijl blijkt dat die familie reeds lang in België verblijft en zij intussen in hun land van herkomst zijn gebleven en veel later in plaats van in België in Griekenland asiel hebben aangevraagd; dat in de loutere onderstelling dat de scheiding voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou opleveren, die scheiding niet zijn oorzaak vindt in de bestreden beslissing doch in het feit dat verzoekers asiel gevraagd hebben in Griekenland; dat bovendien, indien hun asielaanvraag in Griekenland wordt ingewilligd, zij zich gemakkelijk zullen kunnen verplaatsen in de Europese Unie zodat er alsdan van een scheiding als ernstig en moeilijk te herstellen ernstig nadeel bezwaarlijk nog sprake zal kunnen zijn; dat hun vrees dat hun asielaanvraag in Griekenland als “onderbroken” zou kunnen worden beschouwd wordt tegengesproken door de bevindingen van de verwerende partij; dat overigens een gebeurlijke “onderbreking” niet het gevolg is van de bestreden beslissingen maar van hun asielaanvraag in Griekenland en van hun houding nadien aangezien zij, na het indienen van hun asielaanvraag in Grieken- land, uit eigen beweging naar België zijn gekomen en hiermee de uitslag van hun aanvraag niet hebben afgewacht; dat het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel bijgevolg niet op afdoende wijze is aangetoond;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor één zesde. XIV-25.579-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei tweeduizend en zes, door : de HH. L. HELLIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. L. HELLIN. XIV-25.579-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.