← België

Arrest 158836 - - 16/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.836 Rolnummer: A. 130996/VII-35445 Zaak: Arrest 158836 - - 16/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 19:20 Fiche Arrest nr 158.836 van 16 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.836 van 16 mei 2006 in de zaak A. 130.996/VII-35.445 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. AKTEPE, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.445-1/5 Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat R. AKTEPE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 21 november 2000 en verklaarde zich vluchteling op 28 november
  3. 1.
  4. Op 2 mei 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 28 november 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaarde op het Commissariaat- generaal uw land te hebben verlaten omwille van de problemen van uw vader, H. N. A. . (CGVS p. 7 en 8). U maakte deel uit van een muziekgroepje waarbij u de zang voor uw rekening nam. In het jaar 1378 (Perzische kalender; komt overeen met 1999/2000 Gregoriaanse kalender) werd u vier keer gearresteerd door de politie. Tweemaal in de lente van 1378 (lente 1999) omwille van het zingen van enkele door het regime verboden liedjes op VII-35.445-2/5 een verjaardagsfeestje. De eerste keer werd u gedurende een tweetal uren vastgehouden ter ondervraging en vrijgelaten na ondertekening van een document waarin u beloofde geen verdere muzikale activiteiten meer te hebben. De tweede keer betaalden jullie ter plaatse smeergeld aan de politieagenten waarna jullie met rust werden gelaten. Ongeveer twee maanden later werd u een derde maal gearresteerd tijdens een optreden op een huwelijksfeest van één van uw vrienden. Na enkele uren werd u vrijgelaten na betaling van een borg. Datzelfde jaar werd u nog een keer tegengehouden omwille van het feit dat u zich in het gezelschap van een meisje bevond, maar u werd meteen weer vrijgelaten. Op het einde van de zesde maand 1379 (september 2000) vielen enkele agenten uw huis binnen op zoek naar uw vader. Ze doorzochten het hele huis en namen de inhoud van een kast, die aan uw vader toebehoorde, in beslag. Uw vader bevond zich op dat moment in Karaj waar hij zijn zieke vader bezocht. U vermoedt dat uw moeder hem op de hoogte heeft gebracht van hetgeen er die dag was voorgevallen. Op 16/07/1379 (7 oktober 2000) bracht uw oom A. u naar de bus in Teheran waar u uw vader voor de eerste keer terug zag. U verbleef samen met uw vader nog enkele dagen bij een vriend van uw vader vooraleer jullie Iran verlieten. Op 29/07/1379 (20 oktober 2000) voegden uw moeder, N. S. ., en jongste broer zich bij jullie in Istanboel, waarna jullie de verdere reis gezamelijk aflegden. Op 21 november 2000 bent u in België aangekomen waar u op 28 november 2000 asiel hebt aangevraagd. U bent in het bezit van een geldig nationaal identiteitsdocument. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag grotendeels baseert op de motieven aangebracht door uw vader, H. N. A., ter staving van zijn asielaanvraag. Wat betreft het door uw vader ingestelde dringend beroep werd door de Commissaris- generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw vader een negatieve beslissing op grond van kennelijke ongegrondheid werd genomen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden. Wat betreft uw persoonlijke problemen (in casu uw drie kortstondige arrestaties door de politie omwille van uw muzikale activiteiten in het jaar 1378

(1999)) dient te worden opgemerkt dat u expliciet verklaarde dat deze niet de reden vormden voor uw vertrek uit Iran (CGVS p. 7). Wat betreft uw arrestatie in 1378 (1999/2000), omwille van het feit dat u in het gezelschap verkeerde van een meisje, dient te worden vastgesteld dat dit incident onvoldoende zwaarwichtig is om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Temeer daar u onmiddelijk werd vrijgelaten zonder verdere juridische gevolgen ( CGVS p. 7). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde document, namelijk uw identiteitsbewijs, wijzigt hetgeen hiervoor uiteengezet werd niet. Dit document levert enkel het bewijs van uw identiteit, hetgeen hier niet ter discussie staat. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat in het kader van de asielaanvraag van uw moeder, S. N. . door de Commissaris-generaal eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen.”. Dit is de bestreden beslissing;
  1. Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting bijkomende nieuwe overtuigingsstukken heeft neergelegd; dat voornoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 niet in de mogelijkheid voorziet om dergelijke stukken ter terechtzitting neer te leggen; dat, gelet op de gelijke behandeling van de partijen, de stukken uit de debatten dienen te worden geweerd; VII-35.445-3/5 3.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Middel geput uit de schending van art. 62 vreemdelingen en de artikelen 1 t/m 3 van de wet van 29/07/91 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen In haar motivering stelt het C.G.V.S. dat verzoeker zich baseert op de motieven aangebracht door zijn vader, H. N. A. om zijn asielaanvraag te staven. Het C.G.V.S. oordeelt dat gezien er een negatieve beslissing genomen is voor verzoekers’ vader op grond van kennelijke ongegrondheid, ten aanzien van verzoeker onmogelijk een positief antwoord kan worden weerhouden. Verzoeker wil er echter op wijzen dat tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van het C.G.V.S dd. 28 november 2002 van zowel de vader van verzoeker (H. N. A.) en de moeder van verzoeker (S. N.) een verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring werd ingediend op 26/12/02 wegens schending van de motiveringsverplichting. Verzoeker verwijst dan ook naar deze verzoekschriften. De asielaanvraag van de vader van verzoeker is kennelijk ongegrond verklaard omwille van het feit dat de monarchistische partij die voor de terugkeer van de Shah is, en waarvan hij actief lid is, geen bedreiging voor de Islamitische samenleving zou vormen. In deze beslissing, gebaseerd op algemene informatie, heeft het C.G.V.S. echter geen rekening gehouden met de individuele vrees voor vervolging van verzoekers’ vader. Verzoeker’s vader was immers ook lid van Sepah (korps van revolutiewachters), waardoor hij zich in een erg precaire situatie bevond en wel degelijk vreesde voor foltering of executie. Omwille van de problemen van zijn vader is verzoeker mee gevlucht daar het hele gezin gevaar liep. De zoon van een opposant zijn kan wel degelijk een wezenlijk element uitmaken van de risicofactor van vervolging. (Vaste beroepscommissie voor Vluchtelingen 1e kamer (F) - 6 april 1995, T VR. 2000 nr. 1, pg.
  3. Door zich te baseren op de negatieve beslissing van de vader van verzoeker om hem ook af te wijzen begaat het C.G.V.S. een schending van de motiveringsverplichting nu nog steeds niet definitief uitgemaakt is of de vader van verzoeker het statuut van vluchteling toegewezen zal krijgen.”; 3.
  4. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal ten onrechte de asielaanvraag van zijn vader en moeder, de heer A. H. N. en mevrouw N. S., heeft verworpen; dat, het beroep ingesteld door verzoekers ouders tegen hun bevestigende beslissingen van weigering van verblijf verworpen werd, verzoeker thans deze beslissing niet meer in twijfel kan trekken; dat verzoeker zich voorts in zijn enig middel beperkt tot het summier aanhalen van de grieven die zijn ouders aanvoerden in hun verzoekschrift; dat het aldaar ingeroepen middel reeds in voornoemd arrest van de Raad van State werd onderzocht en niet gegrond werd bevonden; dat wat betreft het thans aangevoerde middel dan ook tot hetzelfde moet worden besloten; dat het enige middel niet gegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als VII-35.445-4/5 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-35.445-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.