← België

Arrest 158840 - - 16/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.840 Rolnummer: A. 138093/VII-35456 Zaak: Arrest 158840 - - 16/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 19:21 Fiche Arrest nr 158.840 van 16 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.840 van 16 mei 2006 in de zaak A. 138.093/VII-35.456 In zake : XXX, XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. BUSSCHAERT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX beiden van Kirgizische nationaliteit, op 19 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.456-1/8 Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat P. BUSSCHAERT, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  2. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 22 februari 2000 en verklaarden zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 30 oktober 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 21 mei 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, een Kirgizisch staatsburger van Russisch-Ingoesjetische origine, verklaarde dat u Kirgizië ontvluchtte omdat u er problemen kende omwille van uw Russische etnie. In 1992 kochten jullie een hond. In maart 1994 vroeg een buurman, politiekapitein XXX, of hij de hond mocht hebben. Uw echtgenote weigerde dat. De volgende dag kwam een andere buurman, ook een politiemedewerker, beweren dat hij door de hond gebeten was. Uw echtgenote werd geslagen. Een tijdje later klampte X uw echtgenote opnieuw aan over de hond. Toen zij weigerde begon hij in het rond te schieten en doodde daarbij de hond. Jullie dienden bij de politie klacht in, maar zonder resultaat. Daarnaast werd uw echtgenote in Moskou tweemaal afgeranseld door Kirgiezen die door XXX gestuurd waren. Dat gebeurde in 1996 en in
  5. Op 20 april 1998 werd u door onder meer de broer van XXX, die eveneens bij de politie werkt, tegengehouden. U werd met een wapen bedreigd. U wilde bij de politie klacht indienen, maar er werd u gezegd dat Russen geen bescherming krijgen. Eind juni 1998 werd uw vrachtwagen tegengehouden door de verkeerspolitie. U werd geslagen en verloor het bewustzijn. Toen u bijkwam was uw broek doordrenkt met diesel en uw vrachtwagen was gekanteld. U diende hierna klacht in bij de politie. Daarnaast werd VII-35.456-2/8 uw echtgenote meegenomen naar de MVD. Zij werd er geslagen en kreeg daardoor een miskraam. Jullie dienden geen klacht in omdat dat zinloos zou zijn. Begin december 1999 werd u bij het verlaten van het appartementsgebouw door de politie opgepakt en naar het politiebureau gebracht. U werd geslagen. Toen de kuisvrouw toevallig aanklopte en binnenkwam, werden uw boeien afgenomen en mocht u gaan. Op 13 februari 2000 wilden u en uw echtgenote naar jullie buitenverblijf vertrekken. Bij het verlaten van het appartementsgebouw werden jullie beschoten door onder meer XXX. Jullie verstopten zich in het park. De volgende ochtend verliet u samen met uw echtgenote Kirgizië. Op 22 februari 2000 kwam u in België aan, waar u dezelfde dag bij de Belgische autoriteiten de status van vluchteling aanvroeg. B. Motivering U baseert uw asielaanvraag op de problemen die u in Bishkek/Kirgizië als etnische Rus kende. U verklaarde dat u, hoewel u van gemengde origine bent, steevast als etnische Rus beschouwd werd (zie CGVS, p. 5). De Kirgiezen beschouwen etnische Russen na de val van de Sovjet-Unie als vreemdelingen en de Kirgizische autoriteiten laten toe dat Russen vervolgd worden zodat er uiteindelijk alleen nog etnische Kirgiezen in Kirgizië overblijven. Tegen etnische Russen wordt door de Kirgizische politie op zeer regelmatige basis een zaak gefabriceerd. Het gebeurt ook dat Kirgische politieagenten Russische arbeiders die net hun loon hebben ontvangen opwachten. De agenten ranselen hen af, nemen het geld en fabriceren soms nog een zaak tegen die Russen (zie CGVS, p. 4-8). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat er, ondanks occasionele gevallen van discriminatie, in het geheel geen sprake is van systematische, door de staat opgelegde daden van fysisch geweld of van vervolging gericht tegen de etnische Russen in Kirgizië. Gezien het voorafgaande dient te worden geconcludeerd dat uw verklaringen in tegenstrijd zijn met de geciteerde documentatie en derhalve niet kan worden besloten dat enige sprake is van vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève, van Russen in Kirgizië. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verklaringen die u voor het Commissariaat-generaal aflegde enkele tegenstrijdigheden vertonen met de door u voor de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen, alsook met de verklaringen die uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal aflegde. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas bijkomend ondermijnd. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u na het incident waarbij u met uw vrachtwagen door de verkeerspolitie tegengehouden en geslagen werd en waarbij er diesel over uw broek gegoten werd klacht ging indienen bij de politie (UVD). U gaf de klacht af bij de agent van wacht en die nam ze aan (zie CGVS man, p. 10 en 11). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u daarentegen dat u na dit incident geen klacht ging indienen omdat de mensen bij wie u die klacht zou moeten indienen uw belagers waren (zie DVZ man, vraag 42). Tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de tegenstrijdigheid tussen uw opeenvolgende verklaringen, maar u bleef bij uw verklaring dat u wel klacht ging indienen na dit incident (zie CGVS man, p. 11). Uw echtgenote verklaarde voor het Commissariaat-generaal ook dat jullie na dit incident geen klacht zijn gaan indienen omdat jullie ontdekt hadden dat uw belagers zelf voor de UVD werkten (zie CGVS vrouw, p. 10 en 11). Bovendien situeerde u dit incident in de zomer van
  6. U denkt dat er ongeveer drie maanden verliepen tussen dit incident en het incident waarna uw echtgenote een miskraam kreeg, maar u herinnert zich niet meer welk incident eerst plaatsvond (zie CGVS man, p. 10, 13 en 14). Uw echtgenote situeerde het incident met de vrachtwagen echter in juni
  7. Zij verklaarde dat er een jaar verliep tussen het incident in 1998 waarna zij een miskraam kreeg en het incident met de vrachtwagen (zie CGVS vrouw, p. 10). Verder verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat jullie na het incident waarna uw echtgenote een miskraam kreeg geen klacht gingen indienen omdat dit zinloos is (zie CGVS man, p. 12). Uw echtgenote verklaarde voor het Commissariaat- generaal echter dat jullie na dit incident samen naar de politie (UVD) gegaan zijn om klacht in te dienen (zie CGVS vrouw, p. 8). Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. VII-35.456-3/8 De door u neergelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Uw internationaal sovjetpaspoort, uw geboorteakte, uw huwelijksakte en uw diploma bevestigen enkel uw identiteit. Het krantenartikel over etnische Russen die Kirgizië verlaten betreft louter de algemene situatie en heeft geen betrekking op u persoonlijk. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Voor de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, een Kirgizisch staatsburger van Russische origine, verklaarde dat u Kirgizië ontvluchtte omdat u er problemen kende omwille van uw origine. In 1992 kochten jullie een hond. Op een dag vroeg een buurman, politiekapitein X, of hij de hond mocht hebben. Uw weigerde dat. Op 3 maart 1994 zag u hoe een andere buurman, ook een politiemedewerker, door een ambulance werd meegenomen. Hij beweerde dat hij door de hond gebeten was. De wijkagent kwam naar u toe en wou de hond slaan. U verdedigde uw hond, waarop u zelf geslagen werd. U ging hierna samen met uw echtgenoot bij de politie klacht indienen. Op 21 maart 1994 zag u X dronken in het parkje voor het appartementsgebouw. Hij zwaaide met een wapen en begon plots in het rond te schieten. Hij doodde daarbij de hond. Jullie gingen hierna informeren naar de stand van zaken wat betreft de eerste klacht. Die werd echter niet teruggevonden en daarom vonden jullie het zinloos nogmaals klacht in te dienen. U begon dan op uw werk anonieme brieven en telefoons te krijgen en u was genoodzaakt ander werkt te zoeken. Op 6 november 1996 werd u in Moskou afgeranseld door drie Kirgiezen die door X gestuurd waren. In de zomer van 1997 werd uw neef X door de politie geslagen en gearresteerd. Er werd voor zijn vrijlating 200 US dollar betaald. Op 20 april 1998 werd uw echtgenoot door X en zijn vrienden geslagen. In de zomer van 1998 werd u door twee Kirigiezen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken gebracht. U werd er geslagen en kreeg daardoor een miskraam. U en uw echtgenoot dienden hierna klacht in bij de politie. In augustus 1998 werd u in Moskou nogmaals door Kirgiezen afgeranseld. Toen u eind november 1998 naar Bishkek terugkeerde vernam u dat uw vader door X, ook een politiemedewerker die in de buurt woonde, was aangevallen en dat uw neef X was opgepakt door de politie en met een metalen voorwerp in zijn gezicht was geslagen. Eind juni 1999 werd uw echtgenoot met zijn vrachtwagen tegengehouden door de verkeerspolitie. Hij werd geslagen en verloor het bewustzijn. Toen hij bijkwam was zijn broek doordrenkt met diesel en de vrachtwagen was gekanteld. Omdat zijn belagers zelf van de politie waren, dienden jullie geen klacht in. Op 7 december 1999 werd uw echtgenoot bij het verlaten van het appartementsgebouw door de politie opgepakt en naar het politiebureau gebracht. Hij werd geslagen. U ging zelf naar het politiebureau en u vroeg de kuisvrouw daar om te gaan kijken. Toen zij aanklopte, werd uw echtgenoot vrijgelaten. Begin februari 2000 wilden u en uw echtgenoot uit Bishkek vertrekken. Bij het verlaten van het appartementsgebouw werden jullie beschoten. Jullie wachtten de ganse nacht en de volgende ochtend namen jullie de trein naar Moskou. Op 14 februari 2000 verliet u samen met uw echtgenoot Kirgizië. Op 22 februari 2000 kwam u in België aan, waar u dezelfde dag bij de Belgische autoriteiten de status van vluchteling aanvroeg. B. Motivering VII-35.456-4/8 U baseert uw asielaanvraag op de problemen die u in Bishkek/Kirgizië als etnisch Russische kende. Het Kirgizisch nationalisme groeide, Kirgiezen toonden openlijk hun haat tegenover etnische Russen en begonnen Russen te vervolgen en te slaan (zie CGVS, p. 4). U en uw gezin kenden zelf problemen met politiemedewerkers die bij jullie in de buurt woonden (zie DVZ, vraag 42). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat er, ondanks occasionele gevallen van discriminatie, in het geheel geen sprake is van systematische, door de staat opgelegde daden van fysisch geweld of van vervolging gericht tegen de etnische Russen in Kirgizië. Gezien het voorafgaande kan niet worden besloten dat enige sprake is van vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève, van Russen in Kirgizië. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de door u voor het Commissariaat- generaal afgelegde verklaringen enkele tegenstrijdigheden vertonen met de verklaringen die uw echtgenoot voor het Commissariaat-generaal aflegde. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnd. Zo verklaarde uw echtgenoot voor het Commissariaat-generaal dat hij na het incident waarbij hij met zijn vrachtwagen door de verkeerspolitie tegengehouden en geslagen werd en waarbij er diesel over zijn broek gegoten werd klacht ging indienen bij de politie (UVD). Hij gaf de klacht af bij de agent van wacht en die nam ze aan (zie CGVS man, p. 10 en 11). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal daarentegen dat jullie na dit incident geen klacht zijn gaan indienen omdat jullie ontdekt hadden dat de belagers van uw echtgenoot zelf voor de UVD werkten (zie CGVS vrouw, p. 10 en 11). Bovendien situeerde uw echtgenoot dit incident in de zomer van
  8. Hij denkt dat er ongeveer drie maanden verliepen tussen dit incident en het incident waarna u een miskraam kreeg, maar hij herinnert zich niet meer welk incident eerst plaatsvond (zie Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen man, p. 10, 13 en 14). U situeerde het incident met de vrachtwagen echter in juni
  9. U verklaarde dat er een jaar verliep tussen het incident in 1998 waarna u een miskraam kreeg en het incident met de vrachtwagen (zie CGVS vrouw, p. 10). Tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal en die van uw echtgenoot, maar u bleef bij uw verklaringen dat jullie geen klacht gingen indienen na dit incident omdat de persoon die uw echtgenoot sloeg zelf van de UVD was. U bleef na confrontatie eveneens bij uw verklaringen dat het incident met de vrachtwagen zich in 1999 voordeed (zie CGVS vrouw, p. 10). Verder verklaarde uw echtgenoot voor het Commissariaat-generaal dat jullie na het incident waarna u een miskraam kreeg geen klacht gingen indienen omdat dit zinloos is (zie CGVS man, p. 12). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal echter dat jullie na dit incident samen naar de politie (UVD) gegaan zijn om klacht in te dienen (zie CGVS vrouw, p. 8). Tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de tegenstrijdigheid tussen uw verklaringen voor het Commissariaat- generaal en die van uw echtgenoot, maar u bleef bij uw verklaringen dat jullie wel klacht gingen indienen na dit incident (zie CGVS vrouw, p. 8). Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De door u aangebrachte documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Uw internationaal sovjetpaspoort, uw geboorteakte en uw diploma’s bevestigen enkel uw identiteit. De foto’s en het artikel bevestigen uw engagement in de sportwereld, maar hebben geen betrekking op de door u aangehaalde problemen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. VII-35.456-5/8 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit zijn de bestreden beslissingen;
  10. Overwegende vooreerst dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partijen gericht tegen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 oktober 2000 onontvankelijk is; 3.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Niet afdoende motivering, schending van art. 62 van de wet van 15.12.80 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en schending van art. 3 van de wet van 29.07.91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling. De bestreden beslissingen dwalen wat betreft de beoordeling van het vluchtrelaas van verzoekers. De Kirgiezen beschouwen etnische Russen na de val van het Sovjet-Rijk als tweederangsburgers en vijanden van het volk. Er is in casu sprake van ernstige vervolging en fysieke intimidatie leidende tot serieuze verwondingen. Bestreden beslissingen spreken over occasionele gevallen van vervolging en niet van vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève. Verzoekers zijn van oordeel dat bestreden beslissingen hun verhaal verkeerd beoordelen. Uiteraard zijn er verschillen geslopen tussen de verklaringen van verzoeker en verzoekster. Door de traumatiserende en zeer belastende gebeurtenissen in hun land van herkomst hebben verzoekers heel wat zaken pogen te verdringen. Dit resulteert in een aantal schijnbare contradicties die echter geen afbreuk doen aan de kern van hun verhaal.”; 3.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen zich beperken tot de algemene bewering dat de Commissaris-generaal dwaalt omtrent de beoordeling van de situatie van etnische Russen in Kirgizië en dat de vastgestelde tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de opgelopen trauma’s, zonder evenwel ook maar enig concreet element aan te brengen dat hierop wijst; dat de verzoekende partijen met dergelijk summier en niet-onderbouwd betoog echter niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen, noch dat de motiveringsplicht geschonden zou zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel als volgt uiteenzetten: VII-35.456-6/8 “Schending van art. 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ‘EVRM’. Uit informatie van Amnesty International blijkt dat de mensenrechten van de Russische minderheid in Kirgizstan worden geschonden door de overheid. Verzoekers zullen dan ook bij een eventuele terugkeer naar hun land van herkomst, worden onderworpen aan folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. De bestreden beslissingen schenden dan ook artikel 3 EVRM. Volgens de interpretatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het niet mogelijk om een vreemdeling uit te wijzen naar een land waar er een risico voor zijn leven bestaat. (EHRM, 15 november 1996, Cahal vs. U.K., TVR, 1997, 283). De conclusie dient te zijn dat aan de voorwaarden van art. 17 par. 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voldaan is.”; 3.2.
  14. Overwegende dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat diegene die aanvoert dat hij in het land waarnaar hij mag worden teruggeleid een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat met een wederom summiere uiteenzetting in het middel de verzoekende partijen geen concrete, op hun persoonlijke situatie betrokken gegevens aanbrengen waaruit blijkt dat zij een dergelijk risico lopen; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat het tweede middel niet gegrond is;
  15. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-35.456-7/8 Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-35.456-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.840 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.