id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.852 Rolnummer: A. 141160/X-11564 Zaak: Arrest 158852 - - 16/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-30 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 19:21 Fiche Arrest nr 158.852 van 16 mei 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 158.852 van 16 mei 2006 in de zaak A. 141.160/X-11.
- In zake :
- Maria DEVILLÉ,
- François ISENBAERT,
- Katelijne DEVILLE,
- Eric DE GREEF,
- de vzw STREEKVERENIGING ZENNE EN ZONIËN, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen :
- de stad HALLE, die woonplaats kiest bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14 tussenkomende partij : de nv N.J.A., die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE KUIPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria DEVILLÉ, François ISENBAERT, Katelijne DEVILLE, Eric DE GREEF en de vzw STREEKVERENIGING ZENNE EN ZONIËN op 2 september 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle, waarbij aan Egide DEBREMAEKER de vergunning wordt verleend voor het bouwen van 11 woningen, op een perceel, gelegen te Halle, Kasteelstraat, kadastraal bekend sectie K, nr. 158g; X-11.564-1/4 Gelet op het arrest nr. 126.621 van 19 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 13 januari 2004; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 10 februari 2004 ingediend door Katelijne DEVILLE; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 maart 2004 ingediend door de nv N.J.A.; Gelet op de beschikking van 31 maart 2004 die de tussenkomst van de nv N.J.A. toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 7 april 2005, die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de derde verzoekende partij op 20 mei 2005; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de kennisgeving aan de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde verzoekende partij op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van X-11.564-2/4 artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vragen om te worden gehoord; Overwegende dat de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde verzoekende partij niet hebben gevraagd om te worden gehoord; Gelet op de kennisgeving aan de derde verzoekende partij, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld; dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de derde verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Overwegende dat de derde verzoekende partij binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend; dat krachtens die wetsbepaling te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat, op grond van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent, de kamer de afstand van X-11.564-3/4 geding zal uitspreken, tenzij de derde verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Overwegende dat de verzoekende partij niet heeft gevraagd om te worden gehoord; BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 875 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de een vijfde. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de derde verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-11.564-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.852 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.