id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.931 Rolnummer: A. 54608/X-9408 Zaak: Arrest 158931 - - 17/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-31 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 19:26 Fiche Arrest nr 158.931 van 17 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.931 van 17 mei 2006 in de zaak A. 54.608/X-9408. In zake : Eric VANDER STADT, wonende te 1861 MEISE-WOLVERTEM, Heidestraat 34 tegen : 1. de gemeente MEISE, die woonplaats kiest bij Advocaten I. NAUDTS en D. DE GREEF, kantoor houdende te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30, 2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te LEUVEN, Tiensesteenweg 271. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric VANDER STADT op 26 november 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van 19 augustus 1993 van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening waarbij aan de gemeente Meise de vergunning wordt afgegeven voor het uitvoeren van nivelleringswerken op een perceel gelegen aan de Heidestraat te Meise, kadastraal bekend sectie F, nr. 657; 2. het besluit van 30 september 1993 van de gemeenteraad van Meise houdende goedkeuring van de ontwerp-overeenkomst af te sluiten tussen de gemeente Meise en Maria Louisa LEEMANS waarbij deze laatste haar perceel, gelegen aan de Heidestraat te Meise, kadastraal bekend sectie F, nr. 657, groot 78a 30ca, ter beschikking stelt van de gemeente om het, onder de in deze overeenkomst bepaalde voorwaarden, op te hogen met de door de overheid toegelaten milieu- vriendelijke organische materialen; X-9408-1/13 Gelet op het arrest nr. 46.264 van 24 februari 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 5 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 januari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad B. SEUTIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. HAUBRECHTS die loco Advocaten I. NAUDTS en D. DE GREEF verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat G. HAVET die loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-9408-2/13 1. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Bij besluit van 21 december 1989 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise wordt aan Maria LEEMANS de kapvergunning verleend voor het vellen van 100 canada's op een perceel gelegen aan de Heidestraat, kadastraal bekend sectie F nr 657, recht tegenover de woning van verzoekers, mits het betalen van een waarborgsom voor heraanplanting van 50.000 frank. Dit perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in agrarisch gebied. 1.2. Op 29 april 1993 doet Maria LEEMANS aan de gemeente Meise een voorstel tot overeenkomst om dit perceel grond ter beschikking van de gemeente te stellen om het op te hogen met door de overheid toegelaten milieu-vriendelijke organische materialen, mits naleving van de volgende voorwaarden: 1. de gemeente zelf zorgt voor de nodige overheidsvergunningen; 2. de onmiddellijke terugbetaling van de waarborgsom, betaald op het ogenblik van de boomkapping op dit perceel; 3. een jaarlijkse vergoeding van 60.000 frank, eerste betaling bij het afsluiten van de overeenkomst, 4. de gemeente zorgt zelf en op haar kosten voor de afsluiting van het perceel, dit om sluikstortingen te voorkomen, met dien verstande echter dat de eigenaar de opgeslagen houtvoorraad kan bereiken; 5. het terrein regelmatig genivelleerd dient te worden door en op kosten van de gemeente; 6. de gemeente de verbintenis aangaat, na het beëindigen van de ophoging, de bomen aan te planten die door de eigenaar zullen worden geleverd. X-9408-3/13 1.3. In zitting van 7 mei 1993 gaat het college van burgemeester en schepenen principieel akkoord met dit voorstel, om volgende redenen: "Gezien de technische dienst, naar aanleiding van wegenwerken, ruimen van grachten en opkuis van diverse voetwegen, over grote hoeveelheden aarde beschikt. Gelet op de verslagen hieromtrent opgesteld door de technische dienst waaruit blijkt dat zij hiermee geen weg meer kunnen, tenzij af te voeren in containers. Gezien dit een zeer grote uitgave betekent Gezien de mogelijkheid bestaat om het terrein in de Heidestraat, sectie F nr 657, eigendom van Van Assche aan te hogen Gezien de eigenaar akkoord is mits: - het betalen van een jaarlijkse vergoeding van 60.000,-fr, - de gemeente de nodige vergunningen aanvraagt. - de gemeente de nodige afsluiting plaatst - de gemeente, naar aanvulling het terrein heraanplant met bomen ter beschikking gesteld door de eigenaar Gezien deze kosten slechts overeenkomen met de kostprijs van een vijftal containers op jaarbasis". 1.4. Op 3 juni 1993 dient het college van burgemeester en schepenen bij de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening een bouwaanvraag in voor het "uitvoeren van (een) reliëfwijziging" op voornoemd perceel. 1.5. Bij besluit van 19 augustus 1993 van de gemachtigde ambtenaar wordt de gevraagde vergunning aan de gemeente Meise afgegeven, op voorwaarde, "dat de waterhuishouding in orde wordt gehouden en de werken worden uitgevoerd, conform het bijgevoegd plan, aangevuld met de verantwoordingsnota van 11/5/93 en de voorwaarden gesteld in de zitting van 7/5/93", en dit op grond van de overweging "dat er voor het gebiedsdeel waarin het perceel gelegen is een bij koninklijk besluit van 7/3/77 vastgesteld gewestplan bestaat", "het betrokken (perceel) volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gesitueerd (
- is)in het agrarisch gebied", en "de voorgestelde reliëfwijziging de goede ruimtelijke ordening van de plaats niet in het gedrang (brengt) en de harmonie van de omgeving niet (verstoort)". X-9408-4/13 De verantwoordingsnota van 11 mei 1993 waarnaar in de vergunning verwezen wordt, luidt als volgt : "Verantwoording omtrent de aanvullingen perceel sectie F nr. 657 Heidestraat. 1. Aanvulling. De aanvulling zal gebeuren tot de maximum hoogte volgens de dwarsprofielen AB - CD en EFGHIJK zijn aangeduid op het plan in bijlage. 2. Aanvulmaterialen. De aanvulmaterialen zullen enkel afkomstig zijn van werken uitgevoerd door de gemeente. Deze zullen bijgevolg bestaan uit : - grond afkomstig van opkuis van wegbermen. - grond afkomstig uit baangrachten t.g.v.normale ruiming. - grond afkomstig van plaatsen boordstenen, plaatsen rioolbuizen, plaatsen verkeerssignalisatie. - grond en graszaden afkomstig van opkuis voetpaden, watergreppels en voetwegen. - grond samen met dorre takken afkomstig van opkuis van plantvakken langsheen openbare wegen. 3. Toegangsweg. Om het terrein toegankelijk te maken, en te vermijden dat bij het verlaten van het terrein met voertuigen aarde op de openbare weg wordt achtergelaten, zal een voorlopige toegangsweg worden aangelegd in steenachtige materialen. Deze toegangsweg zal systematisch verwijderd worden, naarmate de aanvullingen voltooid zijn. 4. Te treffen voorzorgsmaatregelen. - Langsheen de openbare weg zal een degelijke afsluiting aangebracht worden met dubbele draaipoort en slot. - De bestaande waterafvoer van aangrenzende percelen zal behouden blijven. - De aangevoerde gronden zullen regelmatig genivelleerd worden. - Langsheen de openbare weg zal een plaat aangebracht worden met vermelding :'VERBODEN TE STORTEN - POLITIETOEZICHT'. - In de omgeving van de ingang, en achter de afsluiting zal een plaats voorzien worden voor 1 of 2 vuilniscontainers van 1.100 liter, zodanig dat P.V.C., blikjes, glas ...papier kan verzameld worden en niet kan wegvliegen. 5. Uitvoeringsperiode. Vanaf het verkrijgen van de bouwvergunning zal de aanvulling gebeuren over een periode van 2 á 4 jaar + 1 jaar voor het heraanplanten". 1.6. In zitting van 9 september 1993 neemt het college van burgemeester en schepenen volgende beslissing : "(...) Gezien de vergunning ons afgeleverd door de Gemachtigde Ambtenaar op 19 augustus 1993 ref. 186.AB.13173.93 tot uitvoering van een reliëfwijziging in de Heidestraat. Gezien de gestelde voorwaarden tot uitvoering van de werken. X-9408-5/13 Gezien het past deze werken te begeleiden en de aanvoer van de stortmaterialen te controleren. Gezien het akkoord van de eigenaar mits een jaarlijkse vergoeding van 60.000,-fr, de nodige afsluiting en na aanvulling het terrein door de gemeente heraangeplant wordt met bomen, ter beschikking gesteld door de eigenaar. Gezien het aanvulmateriaal enkel afkomstig is van werken uitgevoerd door de gemeente. Gezien de te treffen voorzorgsmaatregelen. Gezien de aanvullingsperiode 2 à 4 weken bedraagt met 1 jaar voor heraanplanten. BESLUIT : De milieuambtenaar opdracht te geven deze werken op te volgen en er op toe te kijken : - dat de waterhuishouding in orde wordt gehouden. - dat er geen afbraakmaterialen zouden gestort worden. - dat de werken worden uitgevoerd conform het plan en de voorwaarden en hiervoor op gepaste tijdstippen verslag over te leggen aan het schepencollege. - dat de afwerking goed zou zijn, zodat het perceel naderhand terug in gebruik zou kunnen genomen worden (met bebossing) en dit binnen de vastgestelde periode". 1.7. In zitting van 30 september 1993 neemt de gemeenteraad van Meise volgend besluit : "(...) Overwegende dat de gemeente over grote hoeveelheden aarde beschikt ingevolge wegenwerken, ruimen van grachten en opkuis van diverse voetwegen. Gelet op het schrijven dd. 29.04.93 van mevr. van Assche-Leemans, Hoogstraat 4 - 1961 Meise, waarin zij ons meldt dat zij haar perceel, gelegen langsheen de Heidestraat, sectie F nr. 657, groot 78a 30ca, ter beschikking stelt van de gemeente Meise om het op te hogen met de door de overheid toegelaten milieu-vriendelijke organische materialen, mits : - de gemeente de nodige vergunning aanvraagt. - het betalen van een jaarlijkse vergoeding van 60.000,-fr. - het onmiddellijk terugbetalen van de waarborgsom, gegeven op het ogenblik van de boomkapping. - de gemeente de nodige afsluiting plaats. - het terrein regelmatig genivelleerd wordt op kosten van de gemeente. - de gemeente, na aanvulling van het terrein, de bomen aanplant die door de eigenaar zullen geleverd worden. Gelet op de bouwvergunning, afgeleverd door de gemachtigde ambtenaar van het bestuur van Stedenbouw op 19.09.93, ref. 186/AB/13173/93-nv18. Gelet op de ontwerp-overeenkomst. Met 20 stemmen voor en 1 onthouding. BESLUIT: Artikel 1 : een verbintenis aan te gaan met mevr. Van Assche-Leemans, Hoogstraat 4 1861 Meise voor het aanhogen door de gemeente van haar X-9408-6/13 perceel, gelegen langsheen de Heidestraat, Sectie F nr. 657, conform de bouwvergunning afgeleverd door de gemachtigde ambtenaar van het bestuur van Stedenbouw dd. 19.08.93, rot. 186/AB/13173/93-nv. Artikel 2 : De ontwerp-overeenkomst goed te keuren. Artikel 3 : Afschrift van hogervermeld(
- e)beslissing, ter kennisgeving, over te maken aan de heer Vice-Gouverneur van Brabant". 1.8. Op 28 oktober 1993 sluit de gemeente Meise met Maria Louisa LEEMANS volgende overeenkomst : "Tussen Mevrouw Maria Louisa LEEMANS echtgenote van de heer Hector VAN ASSCHE, wonende te 1861 Meise, Hoogstraat 4. Hiernagenoemd 'de partij enerzijds'. en De Gemeente Meise, hier vertegenwoordigd door de heer Frans KERREMANS en de heer Emiel DE BOECK, handelend in hun hoedanigheid respectievelijk van Burgemeester en Gemeentesecretaris van voornoemde gemeente, overeenkomstig artikel 9 van de nieuwe gemeentewet en in uitvoering van de beslissing van de Gemeenteraad dd. 30 september 1993, uitvoerbaar verklaard door de heer Vice-Gouverneur van Brabant op 6 oktober 1993, dienst overheidsopdrachten, nummer VGO/93/076/FC. Hiernagenoemd 'de Gemeente Meise' wordt overeengekomen wat volgt : De partij enerzijds verbindt er zich toe het perceel, gelegen langsheen de Heidestraat, gekadastreerd Sectie F nummer 657 ter beschikking te stellen van de Gemeente Meise om het op te hogen met door de overheid toegelaten milieu-vriendelijke organische materialen. De Gemeente Meise verbindt er zich toe : - een bouwvergunning aan te vragen voor de reliëfwijziging van de bodem. - het onmiddellijk terugbetalen van de waarborgsom van 50.000,-frank, die gegeven werd voor de boomkapping van 100 bomen. - een jaarlijkse vergoeding te betalen van 60.000,-frank en waarvan de eerste betaling geschiedt bij het ondertekenen van onderhavige overeenkomst. - het plaatsen van een nadarafsluiting op haar kosten, dit om sluikstortingen te voorkomen, met dien verstande echter dat de eigenaar de opgeslagen houtvoorraad kan bereiken. - het terrein regelmatig te nivelleren op haar kosten. - na het beëindigen van de ophoging, de bomen te planten die door de eigenaar dienen geleverd te worden". 1.9. Op 26 november 1993 stelt Eric VANDER STADT een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring in tegen zowel vermelde bouwvergunning afgegeven op 19 augustus 1993 als tegen voormelde beslissing van de gemeenteraad van Meise van 30 september 1993; X-9408-7/13 2. Bespreking 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 44, 45, 53, en 54, § 4, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en van de artikelen 3, 5 en 6 van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen; dat verzoeker stelt dat "tot het afleveren van een bouwvergunning, geen enkel bericht op het voorbestemde terrein werd geplaatst"; 2.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat onder meer voor reliëfwijziging nergens enige vorm van openbaarmaking is voorzien; 2.1.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij stelt dat het ontbreken van een bericht tot het afleveren van een bouwvergunning op het terrein geen weerslag heeft op de regelmatigheid van die vergunning; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker repliceert "dat er geen onderzoek de commodo et incommodo werd gedaan, noch enige wettelijke vereiste publiciteit". 2.2. Overwegende dat de door het eerste bestreden besluit vergunde nivelleringswerken niet behoren tot de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen vermelde gevallen, waarbij een openbaar onderzoek volgens de regelen bepaald in de artikelen 5 en 6 van het voornoemde besluit moet plaatshebben; dat het middel derhalve niet gegrond is; 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 63, § 1, 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en artikel 3 van "het KB, uitvoeringsbesluit" (lees: het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw); dat volgens verzoeker "de aangevochten beslissingen werden genomen zonder dat verzoeker tijdig werd ingelicht of inlichtingen kon bekomen over de aard van de toe te kennen of X-9408-8/13 toegekende bouwvergunning (,dat) buiten het feit van gebrek aan wettelijk verplicht bericht, er zelfs aan verzoeker afdrukken of uittreksels van enig document (werd) geweigerd, derhalve ook van de bouwverordening en plannen van aanleg en de bijkomende stedenbouwkundige voorschriften"; 3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet aantoont dat hij een aanvraag tot inzage heeft ingediend; dat uit de uiteenzetting van de feiten in het verzoekschrift alleszins blijkt dat hij kennis kon nemen van de bouwvergunning en van de gemeenteraadsbeslissing van 30 september 1993; 3.1.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij in dezelfde zin antwoordt; 3.2. Overwegende dat artikel 63, § 1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw luidt als volgt : "§ 1. De Koning bepaalt : (...) 3. onder welke voorwaarden aanpalende eigenaars bij dezelfde besturen de door hen gevraagde inlichtingen kunnen verkrijgen over een aanvraag om een bouw- of verkavelingsvergunning; (...)"; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw bepaalt : "Gedurende ten minste twee dagen per week, door de gemeentebesturen te bepalen, kunnen de aanpalende eigenaars van deze de inlichtingen verkrijgen die betrekking hebben op de ingediende aanvragen om een bouw- of verkavelingsvergunning, die nader zijn bepaald in bijlage 1 bij dit besluit. Die inlichtingen worden verschaft op het formulier waarvan het model bij dit besluit behoort. De stukken van het dossier mogen evenwel niet worden medegedeeld"; Overwegende dat, daargelaten de vraag of de schending van de voormelde bepalingen kan leiden tot de vernietiging van de bestreden besluiten, dient te worden vastgesteld dat verzoeker in gebreke blijft aan te tonen dat hij de X-9408-9/13 bedoelde inlichtingen heeft gevraagd en deze hem door de eerste verwerende partij werden geweigerd; dat het middel derhalve feitelijke grondslag mist; 4.1.1. Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt "uit de schending van de motiveringswet van 29 juli 1991, uit het gebrek aan motivering, minstens wegens onvoldoende, onjuiste en tegenstrijdige motivering, wegens machtsoverschrijding of machtsafwending"; dat volgens verzoeker "het voorwerp van de bouwvergunning geenszins overeenstemt met de notie agrarisch gebied en met de voorgestelde reliëfwijziging (,dat) de bouwvergunning houdende een feitelijke stortplaats met de voorgestelde reliëfwijziging in tegenstrijd (
- is)met het agrarisch gebied en met het eromliggend woongebied"; 4.1.2. Overwegende dat de eerst verwerende partij hierop antwoordt dat de bouwvergunning wel degelijk gemotiveerd is en verwijst naar het bij de aanvraag gevoegde plan, aangevuld met de verantwoordingsnota van 11 mei 1993 en de voorwaarden gesteld in de zitting van het college van burgemeester en schepenen van 7 mei 1993; dat uit de stukken zeer duidelijk blijkt dat het niet gaat om een feitelijke stortplaats; 4.1.3. Overwegende dat volgens de tweede verwerende partij het middel onduidelijk is en daarom alleen al dient te worden verworpen; 4.2. Overwegende dat een middel slechts ontvankelijk is wanneer, onder meer, duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangegeven in welk opzicht de bestreden beslissing de bepaling of het beginsel waarvan de schending wordt ingeroepen, schendt; dat in casu het middel niet beantwoordt aan die vereiste, aangezien verzoeker zijn kritiek dat het terrein als stortplaats wordt gebruikt niet op de motivering van de bestreden besluiten betrekt; dat het middel niet ontvankelijk is; 5.1.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en van de beginselen van behoorlijk bestuur, doordat, volgens verzoeker, "het stort boven op waterbronnen (komt) en X-9408-10/13 hierdoor het bronnengebied vernietigd wordt, (
- en)doordat ook de bestemming van het brongebied aangetast wordt zonder enige wettelijke toelating"; 5.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat op het betrokken perceel geen stort komt, maar enkel een goed bestudeerde en technisch verantwoorde verhoging van het terrein met door de overheid toegelaten milieuvriendelijke organische materialen, met name grond afkomstig van werken uitgevoerd door de gemeente; dat er bovendien voorzorgen worden getroffen om sluikstorten te voorkomen; dat in het advies van AMINAL voorwaarden worden gesteld, o.a. wat de waterhuishouding betreft en het weren van afbraakmateriaal; dat de gemeente de nodige voorzorgsmaatregelen heeft genomen en aan de milieuambtenaar de opdracht heeft gegeven de werken op te volgen; 5.1.3. Overwegende dat volgens de tweede verwerende partij het middel feitelijke grondslag mist en er geen sprake is van aantasting van het oppervlaktewater; 5.2. Overwegende dat artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging een verbod oplegt om in deze wateren voorwerpen of stoffen te deponeren, verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen erin te lozen of er gassen in te brengen, behalve de lozing van afvalwater waarvoor vergunning is verleend overeenkomstig de bepalingen van deze wet; dat door de bestreden besluiten geen handelingen worden vergund welke door het genoemde artikel 2 verboden zijn; dat het middel niet gegrond is; 6.1.1. Overwegende dat het vijfde middel is afgeleid "uit de miskenning van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de milieuvergunning, in het bijzonder art. 17 e.v., art. 31 e.v., en 56 e.v., qua bekendmaking van de uit de toegekende bouwvergunning voortspruitende werken"; 6.1.2. Overwegende dat de verwerende partijen verwijzen naar het antwoord op het vierde middel; X-9408-11/13 Overwegende dat de tweede verwerende partij hieraan toevoegt dat het middel moet worden verworpen wegens onduidelijkheid; 6.2. Overwegende dat het middel niet voldoet aan de bij de bespreking van het derde middel vermelde ontvankelijkheidsvereiste; dat verzoeker immers niet aangeeft waarom de in het middel vermelde voorschriften door de bestreden besluiten geschonden zijn; dat het middel niet ontvankelijk is; 7.1.1. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, "doordat de verharde weg niet voorkomt op het plan op basis waarvan de bouwvergunning werd afgeleverd" en "doordat werken werden uitgevoerd vooraleer een vergunning werd afgeleverd, terwijl artikel 44 van de stedenbouwwet vereist dat de vergunning voorafgaandelijk werd afgeleverd"; 7.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij hierop antwoordt dat zowel in de verantwoordingsnota van 11 mei 1993 als op het plan dat bij de bouwaanvraag is gevoegd, sprake is van een toegangsweg; dat wat de werken betreft die zouden zijn uitgevoerd vooraleer de vergunning werd verleend, door verzoeker de geëigende wettelijke procedures kunnen worden aangewend; 7.1.3. Overwegende dat door de tweede verwerende partij hierop in dezelfde zin wordt geantwoord; dat wat de werken betreft die zouden zijn uitgevoerd vooraleer de vergunning werd verleend, de tweede verwerende partij stelt dat deze op zich geen grond tot annulatie van de bestreden beslissingen kunnen vormen; 7.2. Overwegende dat met de verwerende partijen dient te worden vastgesteld dat de door het eerste bestreden besluit verleende vergunning inderdaad in de aanleg van een toegangsweg voorziet; dat de verantwoordingsnota van 11 mei 1993 dienaangaande bepaalt : X-9408-12/13 "Om het terrein toegankelijk te maken, en te vermijden dat bij het verlaten van het terrein met voertuigen aarde op de openbare weg wordt achtergelaten, zal een voorlopige toegangsweg worden aangelegd in steenachtige materialen. Deze toegangsweg zal systematisch verwijderd worden, naarmate de aanvullingen voltooid zijn"; Overwegende dat het feit dat werken zouden uitgevoerd zijn zonder dat een vergunning werd verleend, geen gegeven vormt dat de wettigheid van de bestreden besluiten in het gedrang brengt; dat het middel niet gegrond is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9408-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div