id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.942 Rolnummer: A. 122433/XII-3575 Zaak: Arrest 158942 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-29 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:29 Fiche Arrest nr 158.942 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.942 van 18 mei 2006 in de zaak A. 122.433/XII-
- In zake : Lieve HUYBRECHTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat 64 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lieve Huybrechts op 13 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 22 februari 2002 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeels- leden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra (Belgisch Staatsblad, 18 april 2002); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; XII-3575-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Lahousse, die verschijnt voor verzoekster, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat verzoekster, die is geboren op 6 september 1947, sedert 1 januari 1993 vast benoemd kleuteronderwijzer is aan de vrije basisschool De Zonnewijzer te Leuven; Overwegende dat zij op grond van het door haar bestreden besluit in de gelegenheid wordt gesteld om een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen (de zogenaamde TBS) te krijgen als zij de leeftijd van 56 jaar zal hebben bereikt; dat evenwel vóór de wijziging bij het bestreden besluit van 22 februari 2002, de oorspronkelijke regeling van het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 2000 diezelfde TBS toeliet van zodra zij de leeftijd van 55 jaar zou hebben bereikt; dat, kortom, het wijzigende besluit voor wat haar betreft de TBS-regeling met een jaar uitstelt; dat die wijziging krachtens artikel 6 van het bestreden besluit in werking treedt op 1 september 2002 maar, luidens het artikel 2, 2/, van het besluit van 11 februari 2000 zoals gewijzigd bij artikel 2 van het besluit van 22 februari 2002, niet de personeelsleden treft “die geboren zijn voor 1 september 1947” voor wie “de leeftijd op 55 jaar gebracht [wordt]”: versta, op 55 jaar blijft; De gegrondheid van het beroep
- Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift een “eerste”, maar ook enig middel put uit de schending van het gelijkheidsbeginsel als grondwettelijk beginsel en als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van het XII-3575-2/6 niet-discriminatiebeginsel; dat zij met verwijzing naar het antwoord van de minister van onderwijs op een vraag om uitleg in de commissie voor onderwijs, vorming en wetenschapsbeleid in het Vlaams Parlement op 31 januari 2002 argumenteert dat voor het criterium van onderscheid “al dan niet geboren voor 1 september 1947” geen objectieve, redelijke en pertinente verantwoording bestaat, dat de minister bevestigt “dat initieel was voorzien een datum van 1 januari, doch nadien werd deze verschoven naar 1 september met het argument dat dan het schooljaar begint” en dat de minister “niet bereid [is] deze datum nog aan te passen gelet op het grote lerarentekort”, dat hiermee “impliciet [wordt] toegegeven dat de vooropgestelde datum willekeurig is”; dat verzoekster nog het voorbeeld geeft van een personeelslid dat geboren is op 30 augustus 1947, en het personeelslid dat geboren is op 2 september 1947, die “geniet van een heel andere regeling”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het besluit van de Vlaamse regering van 22 februari 2002 in werking treedt op 1 september 2002, zijnde de eerste dag van het nieuwe schooljaar, dat er tussen 1 september 1947 en 1 september 2002 juist 55 jaar ligt, dat het personeelslid om nog de voordelen van het “oud systeem” te genieten op de vooravond van 1 september 2002 vijfenvijftig jaar geworden moet zijn, dat de datum van 1 september 1947 dus gelinkt is aan de datum van de inwerkingtreding, een objectief criterium is en niet op willekeur gebaseerd; dat verwerende partij nog repliceert dat het optrekken van de TBS-leeftijd als doel had het lerarentekort te verhelpen, dat verzoekster op de datum van inwerkingtreding nog geen 55 jaar was en er dus geen verworven rechten werden miskend, dat de bestreden maatregel op redelijke wijze verantwoord is en dat de aangewende middelen niet onevenredig zijn met het beoogde doel; dat volgens verwerende partij anders oordelen er op neer zou komen dat het voor de overheid quasi onmogelijk zou zijn om wijzigingen aan te brengen in bestaande regelgeving of nieuwe regelgeving te ontwerpen; Overwegende dat verzoekster noch in de memorie van wederantwoord noch in de laatste memorie meer doet dan het middel wezenlijk te herhalen;
- Overwegende dat de oorspronkelijke bij besluit van 11 februari 2000 uitgewerkte TBS-regeling een onderdeel vormt van de rechtspositie van verzoekster; dat het een gunstregeling is die aan de personeelsleden van het onderwijs, zoals verzoekster, de mogelijkheid geeft om onder bepaalde voorwaarden, XII-3575-3/6 vanaf de leeftijd van 55 jaar, een verlof aan te vragen voorafgaand aan het rustpensioen, dat onherroepelijk is en waarvoor dat personeelslid dan een wachtgeld of wachtgeldtoelage krijgt; Overwegende dat de overheid steeds de rechtspositie kan wijzigen voor de toekomst; dat zij zulks te dezen heeft gedaan door een nieuwe regeling uit te werken die verzoekster als minder gunstig ervaart; dat de Raad aanneemt, op grond van het betoog van verwerende partij en de uiteenzetting van de minister waarnaar verzoekster zelf verwijst, dat de verhoging van de instapleeftijd voor de TBS-regeling is ingegeven door een geoorloofd doel, te weten het inperken van een vastgesteld lerarentekort; dat ingevolge de doorgevoerde wijziging -overigens voor verzoekster naar 56 jaar, maar voor de meeste personeelsleden naar 58 jaar- minder leerkrachten zich op die regeling kunnen beroepen, zodat de maatregel er effectief toe bijdraagt om aan het lerarentekort te verhelpen; dat verzoekster overigens niet het beginsel zelf bestrijdt van de veranderlijkheid van haar statutaire toestand, maar enkel betoogt dat het door de overheid gekozen criterium om de verhoging van de instapleeftijd te bepalen -al dan niet geboren voor 1 september 1947- willekeurig is; Overwegende dat het bestuur niet onwettig handelt door de vroegere gunstregeling gedeeltelijk terug te schroeven; dat zij dit maar kan door een datum te kiezen tot wanneer de leeftijdsvoorwaarden van de vroegere TBS-regeling nog mogen worden toegepast en vanaf wanneer de leeftijdsvoorwaarden van de nieuwe TBS-regeling in werking treden; dat er dus onvermijdelijk, waar ook de overheid het cesuurteken plaatst, sommigen net wel en anderen net niet onder het regime van de ene of de andere regeling komen; dat verzoekster op grond van de door haar aangevoerde beginselen evenwel mag eisen dat voor het door de overheid gekozen criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat die er ook is; dat immers de vereiste om op 1 september 2002 aan de voorgeschreven leeftijdsvoorwaarde te voldoen een objectief criterium is; dat de verwerende partij die datum voorts in redelijkheid niet éérder heeft vastgesteld omdat, zoals verwerende partij heeft uiteengezet, zij rechtstreeks in verband staat met de datum van inwerkingtreding van het besluit en zodoende de verworven rechten waarborgt van de personeelsleden die op die datum de vroegere leeftijd van 55 jaar reeds hadden bereikt; dat de verwerende partij tenslotte die datum evenzeer in redelijkheid niet láter heeft vastgesteld omdat, zoals zij betoogt, die datum van inwerkingtreding samenvalt met het begin van het schooljaar, wat een gebruikelijke datum is van inwerkingtreding van onderwijsreglementering, en maximaal kan XII-3575-4/6 voorkomen dat nog in de loop van het schooljaar -bijvoorbeeld op 1 januari zoals verzoekster het liever had gezien- een andere kleuteronderwijzer in de betrokken kleuterklas moet starten, en de schoolorganisatie in het gedrang zou komen; dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord en nogmaals in de laatste memorie aanvoert dat het besluit een bijkomend onderscheid maakt, namelijk tussen de kleuteronderwijzers en het ander onderwijzend personeel voor wie de leeftijd nog meer wordt verhoogd; Overwegende dat verzoekster deze grief reeds had kunnen formuleren in het inleidend verzoekschrift; dat zij, nog daargelaten de vraag welk belang verzoekster heeft bij dit nieuwe middel, het niet meer op ontvankelijke wijze kan doen in de memorie van wederantwoord;
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord ook nog als grief uiteenzet -en in de laatste memorie herneemt- dat er in de berekening van de bijkomende terbeschikkingstelling in de overgangsmaatregelen voor personeelsleden geboren tussen 1 september 1947 en 1 september 1952 wordt gediscrimineerd; dat ook tegen deze grief dient opgeworpen dat verzoekster ze al had kunnen aanvoeren in de inleidende akte, hetgeen volstaat om er niet verder op in te gaan;
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord ten slotte nog voorstelt om aan het Arbitragehof bij wijze van prejudiciële vraag “te vragen of artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering dd. 22 februari 2002 de artikelen 10 en 11 van de G.W. schendt”; dat verzoekster in het auditoraatsverslag er terecht op wordt gewezen dat het Arbitragehof geen rechtsmacht heeft om besluiten te toetsen aan de bedoelde grondwetsbepalingen; dat verzoekster in de laatste memorie op deze kwestie niet terugkomt, zodat de Raad aanneemt dat zij haar verzoek niet langer handhaaft, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-3575-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3575-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.942 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.