← België

Arrest 158943 - - 18/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.943 Rolnummer: A. 100449/XII-2949 Zaak: Arrest 158943 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 19:30 Fiche Arrest nr 158.943 van 18 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.943 van 18 mei 2006 in de zaak A. 100.449/XII-

  1. In zake : Gerbrand TÜCK, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor Openbaar Ambt, met zetel te 1050 Brussel, Lang-Levenstraat 27-29 tegen : de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. De Block, kantoor houdende te Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerbrand Tück op 14 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 november 2000 van de gemeenteraad van de stad Antwerpen, tot bekrachtiging van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur “tijdens het schooljaar 1999-2000 en uiterlijk tot en met 30 juni 2000” als leraar aan het stedelijk polytechnisch instituut ten belope van 11 uren ter vervanging van een afwezige leerkracht en ten belope van 11 uren in een open plaats, alsmede de nietigverklaring van de volgende uit die beslissing blijkende weigeringen: ten eerste, de weigering om hem aan te stellen “voor onbepaalde duur, maar minstens tot en met 31 augustus 2000”, ten tweede, de weigering om hem “met ingang van 1 september 1999, minstens met ingang van 1 januari 2000 ten belope van 11 uren vast te benoemen [...] in de vacante betrekking waarvoor [hij] tijdelijk werd aangesteld voor doorlopende duur” en, ten derde, de weigering om hem “met ingang van 1 september 1999, minstens met ingang van 1 januari 2000 vast te benoemen in de hoedanigheid van leraar secundair onderwijs in één of meer van de betrekkingen, zoals vermeld in [zijn] aanvraag voor vaste benoeming met ingang van 1 januari 2000”; Gelet op het arrest nr. 140.646 van 15 februari 2005 waarbij de debatten worden heropend; XII-2949-1/8 Gezien het aanvullend verslag in de zaak, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 13 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. Schippers, die loco advocaat M. De Block verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Voorgaanden
  3. Overwegende dat de feitelijke toedracht van de zaak kan worden samengevat als volgt : Verzoeker is sedert 12 december 1990 tijdelijk aangesteld in diverse betrekkingen van leraar in het stedelijk onderwijs van de stad Antwerpen, zo ook tijdens het schooljaar 1999-
  4. Op 6 april 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen om verzoeker overeenkomstig artikel 24 van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 te ontslaan als leraar aan het stedelijk polytechnisch instituut. De gemeenteraad bekrachtigt dit besluit op 2 mei
  5. XII-2949-2/8 Op 16 mei 2000 tekent verzoeker tegen dit ontslag bezwaar aan bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Op 11 oktober 2000 beslist de kamer van beroep dat verzoeker onrechtmatig werd ontslagen. Op 13 november 2000 bekrachtigt de gemeenteraad de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van verzoeker als leraar “tijdens het schooljaar 1999-2000 en uiterlijk tot en met 30 juni 2000”, ten belope van 11 uren ter vervanging van een afwezige leraar en ten belope van 11 uren in een open plaats. Op 18 december 2000 richt de syndicale organisatie van verzoeker aan het stadsbestuur een omstandig schrijven, waarin finaal verzocht wordt om “retroactieve reconstitutie van de administratieve loopbaan” van verzoeker, waarbij het advies van de kamer van beroep in rekening zou worden gebracht en “de inrichtende macht het aanstellingsbesluit van 13 november 2000 zou vervangen door een correcte beslissing”. Tot slot wordt het bestuur gewezen “op het feit dat dit schrijven moet worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 14, § 3, eerste volzin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. Op 14 februari 2001 dient verzoeker voorliggend annulatieberoep in tegen het raadsbesluit van 13 november 2000 en de hiervoor genoemde, volgens hem uit dit besluit blijkende weigeringen. Op 30 mei 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad voor te stellen de tijdelijke aanstelling van verzoeker te bekrachtigen “van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000”, de raadsbesluiten van 2 mei 2000 (het ontslagbesluit) en van 13 november 2000 (het formeel bestreden aanstellingsbesluit) in te trekken en kennis te nemen van het feit dat verzoeker sedert 1 september 2000 niet meer in dienst is van het stedelijk onderwijs. Op 19 juni 2001 neemt de gemeenteraad volgende beslissing : “Argumentatie Gerbrand Tück voldoet vanaf 1 september 1999 aan de voorwaarden voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. In belang van betrokkene dient bijgevolg het gemeenteraadsbesluit van 13 november 2000 te worden herzien, wat de tijdelijke aanstelling van Gerbrand Tück betreft. Op 2 mei 2000 bekrachtigde de gemeenteraad het ontslag van Gerbrand Tück. De kamer van beroep, dat het beroep behandelde dat Gerbrand Tück instelde tegen deze XII-2949-3/8 beslissing, vond deze beslissing onrechtmatig. Daarom wordt gevraagd het gemeenteraadsbesluit van 2 mei 2000 in te trekken. Financiële gevolgen Het aangesteld personeelslid ontvangt wedde van de Vlaamse gemeenschap. Besluit De gemeenteraad keurt eenparig het volgende besluit goed. Artikel 1 De gemeenteraad bekrachtigt de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van navermeld personeelslid als volgt Tück Gerbrand (1-610308-03639), geaggregeerde lager secundair onderwijs wiskunde van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000 stedelijk polytechnisch instituut Antwerpen, August Leyweg 3, 2020 Antwerpen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, leraar 11 uren ter vervanging van mevrouw M. Buyck, met afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000 stedelijk polytechnisch instituut Antwerpen, August Leyweg 3, 2020 Antwerpen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, leraar 11 uren open plaats Artikel 2 Het personeelslid van het stedelijk onderwijs moet in de uitoefening van zijn ambt de verplichtingen, voortvloeiend uit de specificiteit van het pedagogisch project stedelijk onderwijs, naleven. Artikel 3 De gemeenteraad beslist het gemeenteraadsbesluit van 13 november 2000 (jaarnummer 2062) betreffende de tijdelijk aanstelling van Gerbrand Tück in te trekken. Artikel 4 De gemeenteraad beslist het gemeenteraadsbesluit van 2 mei 2000 (jaarnummer 787) betreffende het ontslag van Gerbrand Tück in te trekken. Artikel 5 De gemeenteraad neemt kennis van het feit dat Gerbrand Tück sedert 1 september 2000 niet meer in dienst is van het stedelijk onderwijs”. Bij aangetekend schrijven van 19 september 2001 worden uiteindelijk het collegebesluit van 30 mei 2001 en het raadsbesluit van 19 juni 2001 aan verzoeker ter kennis gebracht; Voorwerp
  6. Overwegende dat de Raad van State in het tussenarrest nr. 140.646 van 15 februari 2005 heeft vastgesteld dat het bestreden raadsbesluit van 13 november 2000 naderhand is ingetrokken bij raadsbesluit van 19 juni 2001 zodat het formeel voorwerp van het beroep is verdwenen; dat de Raad na een onderzoek van het materieel voorwerp van het annulatieberoep evenwel heeft vastgesteld dat het XII-2949-4/8 beroep gericht tegen de vervangen beslissing geacht kan worden gericht te zijn tegen de vervangende beslissing; dat de Raad meer bepaald overwoog : “dat de gemeenteraadsbeslissing van 19 juni 2001 de ingetrokken raadsbeslissing van 13 november 2000 vervangt; dat die nieuwe beslissing van de stad Antwerpen naar haar inhoud beschouwd verschilt van de vorige, waar zij de einddatum van verzoekers tijdelijke aanstelling verschuift van 30 juni 2000 naar 31 augustus 2000; dat zij dan ook niet meer materieel identiek is aan de oorspronkelijk bestreden beslissing en evenmin nog het bestaan aantoont van ál de impliciete weigeringen die verzoeker op grond van de oorspronkelijk bestreden beslissing meende te bespeuren; dat de nieuwe tijdelijke aanstelling van verzoeker, waartoe de verwerende partij op 19 juni 2001 beslist, door verwerende partij evenwel bedoeld is om in de plaats van de eerste te komen en verzoeker nog steeds niet een vaste benoeming verleent; dat zij hem minstens in die mate nog evenzeer grieft als de oorspronkelijke beslissing; dat in principe het beroep geacht kan worden thans tegen die vervangende beslissing te zijn gericht; [...] dat dan wel, om het beroep ontvankelijk te doen verklaren, ten minste één van de oorspronkelijk aangevoerde annulatiemiddelen betrokken moet kunnen worden op de vervangende beslissing; [...] dat de vraag of het beroep nog ontvankelijk is bijgevolg getoetst moet worden aan de aangevoerde middelen”;
  7. Overwegende dat het raadsbesluit van 19 juni 2001 verzoeker heeft aangesteld tot 31 augustus 2000, zodat van een weigering om hem aan te stellen “minstens tot en met 31 augustus 2000” thans geen sprake is; dat het beroep in zoverre zonder voorwerp is;
  8. Overwegende dat verwerende partij niet geacht kan worden zich bij het bestreden raadsbesluit uitdrukkelijk of zelfs stilzwijgend te hebben uitgesproken over een vaste benoeming van verzoeker; dat uit de beslissing en haar motieven immers blijkt dat een vaste benoeming van verzoeker geenszins aan de orde was, zelfs indien een aanvraag van verzoeker voor vaste benoeming bij het gemeentebestuur in behandeling was op het ogenblik van de beslissing; dat de gemeenteraad van de stad Antwerpen het raadsbesluit van 19 juni 2001 enkel aanneemt, ten einde recht te doen aan het advies van 11 oktober 2000 waarbij de kamer van beroep op bezwaar van verzoeker besluit dat verzoeker onrechtmatig werd ontslagen als tijdelijk leraar, omdat “de ontslagregelingen die voorzien zijn voor de tijdelijke personeelsleden niet van toepassing zijn voor de tijdelijke personeelsleden die moeten worden beschouwd als zijnde aangesteld voor doorlopende duur” en “te dezen de inrichtende macht ten onrechte de procedure heeft gevolgd die van toepassing is voor de tijdelijke personeelsleden die niet aangesteld zijn voor doorlopende duur”; dat de gemeenteraad op 19 juni 2001 dienvolgens met verwijzing naar het advies van de kamer van beroep het eerder genomen ontslagbesluit intrekt en een nieuwe beslissing neemt over de tijdelijke XII-2949-5/8 aanstelling van verzoeker; dat het beroep, wat de zogenaamde impliciete weigeringen om verzoeker vast te benoemen betreft, eveneens zonder voorwerp is; Belang van verzoeker
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het belang van verzoeker betwist omdat hij uit dienst ging op 31 augustus 2000 en hij sedertdien ook niet meer in dienst was van de stad Antwerpen; Overwegende dat verzoeker hier vooreerst terecht op repliceert dat hij op een nog eerder ogenblik door de stad Antwerpen is ontslagen en voorts even terecht verwijst naar wat het materiële voorwerp vormt van zijn annulatieberoep; dat als verzoeker sedert 31 augustus 2000 niet meer in dienst is van de stad Antwerpen, zulks het gevolg is van het te dezen bestreden besluit en niet van een vrijwillig door verzoeker gegeven ontslag; dat verzoeker er belang bij heeft, door de vernietiging van het raadsbesluit van 19 juni 2001, van zijn dienstbeëindiging op 31 augustus 2000 tegen te gaan; dat zulks de strekking is van het eerste hierna ter sprake komend middel; dat de exceptie wordt verworpen; Ten gronde 6.
  10. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het toenmalige artikel 23bis, § 16, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) en van de materiële motiveringsplicht; dat hij toelicht dat het eigen kenmerk van de toekenning van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur er in bestaat dat de tijdelijke aanstelling niet eindigt op het einde van het schooljaar, maar over de schooljaren heen loopt, dat de bestreden beslissing een soort “interimaire aanstelling” met een einddatum is, wat niet correct is zelfs voor zover de aanstelling deels een niet-vacante betrekking betreft; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord enkel de niet-ontvankelijkheid van het beroep opwerpt en de middelen zelf uitdrukkelijk onbesproken laat, omdat ze volgens haar zonder voorwerp zijn; dat zij na kennisneming van het tussenarrest en van het aanvullend auditoraatsverslag, dat tot de gegrondheid van het eerste middel besluit, geen behoefte had om een laatste XII-2949-6/8 memorie in te dienen; dat de inzichten van verwerende partij over de gegrondheid van het middel aan de Raad dan ook onbekend blijven; 6.
  11. Overwegende dat niet wordt betwist, zoals overigens blijkt uit de aangehaalde bewoordingen van de bestreden beslissing zelf, dat verzoeker vanaf 1 september 1999 in aanmerking komt voor een zogenaamde TADD (tijdelijke aan- stelling voor doorlopende duur); dat dan evenmin kan worden betwist dat verzoeker de bescherming geniet die aan TADD-personeelsleden wordt geboden door het meervermeld artikel 23bis van het rechtspositiedecreet; Overwegende dat de aangevoerde paragraaf 16 van dat artikel 23bis ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde wat volgt: “§
  12. - De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur conform dit decreet steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. Artikel 21, § 1, f, artikel 24 en artikel 25 gelden niet voor personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur”; Overwegende dat artikel 21, § 1, f, van het rechtspositiedecreet de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt “van rechtswege en zonder vooropzeg” laat eindigen “uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan”; dat die bepaling krachtens artikel 23bis, § 16, tweede lid, evenwel niet mag gelden voor verzoeker; Overwegende dat de verwerende partij in het aanstellingsbesluit zonder opgave van redenen reeds de aanstelling beperkt in de tijd, tot het einde van het schooljaar; dat bovendien luidens de hiervoor geciteerde bepaling de beëindiging van een TADD “steeds” schriftelijk moet worden gemotiveerd en aan het personeelslid meegedeeld; dat enige zodanige motivering van de beëindiging van de TADD niet blijkt; dat het een én het ander in strijd is met de waarborgen waarmee het artikel 23bis, §16, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wezenlijk onderscheidt van een gewone tijdelijke aanstelling; dat het middel gegrond is; dat het de nietigverklaring verantwoordt van het raadsbesluit van 19 juni 2001, dat in de plaats van het eerste bestreden voorwerp is aangewezen;
  13. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker terecht uit de vermelding van de einddatum van zijn aanstelling in het bestreden besluit een weigering afleidt om hem een TADD van onbepaalde duur te vergunnen; dat het XII-2949-7/8 middel ook op die weigering kan worden betrokken en de uitdrukkelijke vernietiging ervan verantwoordt, BESLUIT: Artikel
  14. Vernietigd wordt het besluit van 19 juni 2001 van de gemeenteraad van de stad Antwerpen tot tijdelijke aanstelling van doorlopende duur “van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2000” van Gerbrand Tück als leraar aan het stedelijk polytechnisch instituut ten belope van 11 uren ter vervanging van een afwezige leerkracht en ten belope van 11 uren in een open plaats en van de er uit blijkende weigering hem een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor onbepaalde duur te vergunnen. Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2949-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.