id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.979 Rolnummer: A. 130706/XIV-13066 Zaak: Arrest 158979 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 19:30 Fiche Arrest nr 158.979 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.979 van 18 mei 2006 in de zaak A. 130.706/XIV-13.066. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 mei 1973 en van Oekraïense nationaliteit, op 17 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 december 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 19 april 2006 om 14.00 uur; XIV-13.066-1/15 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 25 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 27 november 2000. 1.2. Op 7 december 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 18 november 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent Oekraïens staatsburger van de Roemeense origine. U ontvluchtte uw land omwille van problemen met uw echtgenoot. U verliet Oekraïne op 23 november 2000. Op 27 november 2000 vroeg u in België asiel aan. Uw echtgenoot, K. I., sloeg u sinds uw dochter twee jaar was, d.w.z. sinds 1997/1998. Hij trok in twijfel of hij wel de natuurlijke vader van uw dochter was. Hij dronk veel en had bovendien relaties met anderen. In uw beroepschrift meldde u verder dat de Roemeense minderheid in Oekraïne gediscrimineerd wordt. U legde geen documenten voor ter staving van uw identiteit. Er dient te worden opgemerkt dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten niet van die aard zijn om als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te kunnen worden bestempeld. U verklaarde problemen te kennen met uw echtgenoot. Uw echtgenoot dronk en mishandelde u. Ten gevolge hiervan verliet u Oekraïne (DVZ, vraag 42). Uit uw relaas blijkt duidelijk dat u problemen kende met een privé-persoon, met name uw echtgenoot. Nergens blijkt uit uw relaas dat deze problemen enig verband houden met uw politieke overtuigingen, religie, etnie of sociale toebehoren. Tevens toont u niet aan dat u enige hulp van de Oekraïense overheden inriep tegen de ondergane mishandelingen. U heeft de XIV-13.066-2/15 beschermingsmaatregelen alleszins niet uitgeput, en u kan niet aannemelijk maken niet op de Oekraïense overheden te kunnen rekenen voor bescherming, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. De feiten waarop u uw asielaanvraag baseert vallen dan ook buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Wat betreft de discriminatie ten overstaan van de Roemeense minderheid in Oekraïne, haalt u noch in uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in uw Dringend Beroepschrift concrete feiten aan. Gezien het belang u in uw Dringend Beroepschrift hecht aan deze discriminatie, is het bovendien vreemd dat u nooit over discriminatie ten overstaan van Roemenen in Oekraïne gesproken hebt tijdens uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ, vraag 42 en Nota DVZ). Wat er ook van zij, uit informatie waarover het Commissariaat- Generaal beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt eveneens dat geen enkele minderheid, en dus ook niet de Roemeense minderheid, gediscrimineerd wordt in Oekraïne. U heeft in uw Dringend Beroepschrift niet aannemelijk gemaakt dat dit voor u niet het geval zou zijn. Aldus kan er in hoofde van u niet besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Aangezien uit uw verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit uw Dringend beroep reeds blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is, ben ik van oordeel dat het niet nodig is u nader te horen. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- a)Eerste middel: = schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden Verzoekster ziet een eerste middel in de schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke overheid oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar worden toevertrouwd. Volgens dit beginsel dient men het verloop van een te lange tijdsperiode tussen de inleiding van een dringend beroep en de betekening van de beslissing van de administratie omtrent dit beroep te sanctioneren. In casu heeft verzoekster haar dringend beroep ingeleid op 02 maart 2001 en is het slechts op 18 november 2002 - hetzij twintig maanden nadien dat een beslissing genomen is. Zulke termijn moet beschouwd worden als abnormaal, in het kader van de behandeling van een « dringend » beroep. Een beslissing in zulke omstandigheden genomen is dus door gebreken aangetast.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende repliceert: “2.1. Eerste middel: schending van het algemeen beginsel van goed beheer (redelijke termijn). 2.1.1. Verzoekende partij roept in dat een te lange tijdsperiode verliep tussen de inleiding van een asielaanvraag en de betekening van de bestreden beslissing. Verwerende partij antwoordt dat verzoekster op 27 november 2000 haar asielaanvraag indiende, op 2 maart 2001 haar dringend beroep indiende en op 18 november 2002 de beslissing werd verstuurd naar verzoekster. Geen wettelijke bepaling legt de Commissaris-generaal een dwingende termijn op bij het behandelen van asielaanvragen. Verzoekende partij roept in dat de termijn van twintig maanden buitensporig en abnormaal is in het kader van en behandeling van een dringend beroep. Verzoekende partij geeft echter niet aan welk belang verzoekster had bij een snellere afhandeling van haar asielaanvraag. Het eerste middel is niet gegrond.”; XIV-13.066-3/15 Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- b)Tweede middel: = schending van artikel 52.1.2/ van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en gelijktijdige schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van de administratieve akten en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen De aangevochten beslissing berust op de omstandigheid dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond is (toepassing van artikel 52 van de vreemdelingenwet - zie eerste bladzijde van de aangevochten beslissing). Volgens de Raad van State , « est manifeste ce dont l'existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires » (arresten van de Raad van State 51.555 d.d. 07 februari 1995, 60.091 d.d. 11 juni 1996, 69.760 d.d. 25 november 1997). Welnu, het is evident in casu dat de asielaanvraag van verzoekster niet « kennelijk » ongegrond kan zijn aangezien het C.G.V.S. bijna twee jaar heeft nodig gehad om het dossier van verzoekster te behandelen en dit zonder dat verzoekster zelf het voorwerp uitrnaakte van een verhoor bij de diensten van het C.G.V.S. Hier bestaat een fundamentele tegenspraak, op het vlak van de motivering (schending van de regels omtrent de motivering) en een schending van de notie van manifest ongegronde aanvraag (schending van hoger vermeld artikel 52).”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende repliceert: “2.2. Tweede middel: schending van artikelen 52, § 1, 2/ van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partij stelt dat het ondenkbaar is dat de notie van kennelijk ongegronde aanvraag wordt aangewend wanneer men bijna twee jaar nodig heeft gehad om het verhaal van verzoekster te analyseren. Verwerende partij antwoordt dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal geen termijnen van orde oplegt om een asielaanvraag kennelijk ongegrond te verklaren. Het tweede middel is niet gegrond.”; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.3.1 Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste en het tweede middel samengenomen, de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden”, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; XIV-13.066-4/15 2.3.2. Overwegende dat in casu de periode tussen het instellen van het dringend beroep en de beslissing van de Commissaris-generaal één jaar en zeveneneenhalve maand bedroeg; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag afzonderlijk dient te behandelen; dat, gelet op de zeer grote toevloed aan asielzoekers in deze periode, er geen onredelijke termijn is verstreken tussen de datum van het indienen van het beroep en de uiteindelijke beslissing; dat tijdens de duur van het onderzoek in dringend beroep alle verwijderingsmaatregelen ten aanzien van de kandidaat-vluchteling worden geschorst, zodat de verzoekende partij gedurende die periode op legale wijze in het Rijk kon verblijven en zij tevens in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielrelaas te verzamelen, zodat de verstreken termijn de verzoekende partij niet heeft benadeeld; dat de verzoekende partij reeds van bij het indienen van de asielaanvraag wist dat haar verblijf in het Rijk precair was; dat het verloop van een termijn, zelfs al zou deze onredelijk zijn, wat in casu niet het geval is, voor de behandeling van een dossier betreffende de aanvraag tot het verkrijgen van de status van vluchteling niet tot gevolg heeft dat er enig recht op verblijf ontstaat; dat de termijn voorzien in de Vreemdelingenwet om een beslissing te nemen, voor de Commissaris-generaal een termijn van orde uitmaakt en geen vervaltermijn; dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn; Overwegende dat voor wat de schending van de motiveringsplicht, van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet betreft, wordt verwezen naar de analyse van het vijfde middel; 2.4. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- c)Derde middel: = schending van de notie van dringend beroep zoals bedoeld in de artikelen 63.2 en volgende van de wet d.d. 15 december 1980 = gelijktijdige schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet d. d. 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve akten en van artikel 62 van de wet dd. 15 december 1980 met betrekking tot de toegang op het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen - Het C.G.V.S. heeft verschillende keren in de beslissing het verwijt gemaakt aan verzoekster haar verhaal niet te hebben ontwikkeld in haar dringend beroep (cfr: “Wat betreft de discriminatie ten overstaan van de Roemeense minderheid in Oekraïne, haalt u noch in uw verhoor bij de Dienst Vreemdelingen, noch in uw Dringend Beroepschrift concrete feiten aan”, " U heeft in uw Dringend Beroepschrift niet aannemelijk gemaakt dat dit voor u niet het geval zou zijn”, "Aangezien uit uw verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit uw Dringend beroep reeds blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is, ben ik van oordeel dat het niet nodig is u nader te horen.") Door dit te doen heeft het C.G.V.S. de omstandigheid uit het oog verloren dat op strikt wettelijk vlak, het dringend beroep absoluut niet gemotiveerd dient te worden. Bovendien heeft verzoekster in haar dringend beroep het feit dat zij « wenst mondeling uiteen te zetten hetgeen haar overkomen is » vermeld.”; Overwegende dat de verwerende partij het volgende antwoordt in de memorie van antwoord: XIV-13.066-5/15 “2.3. Derde middel: schending van de notie van dringend beroep (artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet); schending van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partij stelt dat verzoekster niet kan worden verweten haar verhaal niet geheel te hebben ontwikkeld in haar dringend beroep, aangezien wettelijk gezien het dringend beroep niet gemotiveerd moet worden. Verwerende partij antwoordt dat verzoekster nergens wordt verweten dat het dringend beroep niet werd gemotiveerd. De Commissaris-generaal stelde enkel dat uit de stukken in het administratief dossier, namelijk het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken en het dringend beroepschrift bleek dat verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond was. Bijgevolg was de Commissaris-generaal gerechtigd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te nemen, zonder verzoekster mondeling te horen. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 63/2 en volgende van de Vreemdelingenwet; van het motiveringsbeginsel; van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; 2.4.2. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier, meer bepaald het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat de verzoekende partij geen melding heeft gemaakt van discriminatie ten overstaan van de Roemeense minderheid in Oekraïne, maar enkel melding maakte van problemen met haar echtgenoot; dat zij in haar verzoekschrift in dringend beroep schreef dat zij haar land van oorsprong diende “te verlaten omwille van talrijke discriminaties gekend in verband met haar origine, (...) de Roemeense minderheid”; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat deze eenvoudige vermelding, zonder ze te verduidelijken met concrete feiten, niet volstaat om te gelden als een uiteenzetting van feiten die kunnen worden bestempeld als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal verder in zijn beslissing op afdoende wijze ingaat op dit gegeven en motiveert waarom hij meent dat de Roemeense minderheid niet wordt gediscrimineerd in Oekraïne; Overwegende dat voor wat de schending van de motiveringsplicht, van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet betreft, wordt verwezen naar de analyse van het vijfde middel; Overwegende dat, wat de in haar dringend beroepschrift uitgedrukte wens betreft om mondeling te worden gehoord, wordt verwezen naar de analyse van het vierde middel; dat het derde middel ongegrond is; 2.5. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat als volgt luidt: XIV-13.066-6/15 “
- d)Vierde middel : = schending van het beginsel van goed beheer = schending van de rechten van de verdediging Uit wat voorafgaat blijkt dat het Commissariaat Generaal heeft besloten te weigeren verzoekster te verhoren terwijl het terzelfdertijd, een periode van twintig maanden heeft laten verlopen tussen de inleiding van het dringend beroep en het nemen van een beslissing door zijn diensten. Indien men kan aanvaarden dat het Commissariaat Generaal in bepaalde gevallen kan stellen dat het vrijgesteld is van het overgaan tot een verhoor van een kandidaat, komt het dan toe aan het Commissariaat Generaal onmiddellijk een beslissing te nemen. Bij gebreke daarvan ontneemt het Commissariaat Generaal de kandidaat de mogelijkheid nieuwe elementen die gebeurd zijn tijdens de abnormale periode van behandeling van zijn asielaanvraag (in casu twintig maanden) uit te leggen tijdens een verhoor bij zijn diensten - nieuwe elementen die ofwel de oorspronkelijke aanvraag kunnen aanvullen, ofwel haar kunnen verduidelijken onder een ander daglicht.”; Overwegende dat de verwerende partij het volgende antwoordt in de memorie van antwoord: “2.4. Vierde middel: schending van het beginsel van goed beheer en van de rechten van de verdediging. Verweerder antwoordt vooreerst dat de Commissaris-generaal niet verplicht is kandidaat- vluchtelingen in het kader van het dringend beroep mondeling te horen. Dit wordt tot op zekere hoogte erkend door verzoekende partij. Evenwel ziet verwerende partij niet goed in in hoeverre de Commissaris-generaal verzoekster de kans heeft ontnomen nieuwe elementen aan te brengen doordat de procedure twintig maanden duurde. Verzoekster had vanaf de indiening van haar dringend beroep, namelijk op 2 maart 2001, de gelegenheid alle dienstige elementen voor haar asielaanvraag neer te leggen op het Commissariaat-generaal. De lengte van de procedure werkte hiervoor zelfs bevorderlijk. Dat verzoekster dit heeft nagelaten kan de Commissaris-generaal niet worden verweten. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.5.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van “het beginsel van goed beheer” en van de rechten van de verdediging; 2.5.2. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat, niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat de verzoekende partij bij het indienen van het dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat het haar bovendien vrij stond een vragenlijst aan te vragen of een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder de verzoekende partij te horen; dat de XIV-13.066-7/15 Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat de verzoekende partij niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; Overwegende dat, voor wat de termijn betreft van één jaar en zeveneneenhalve maand die is verstreken tussen het instellen van het dringend beroep en de kennisgeving van de bestreden beslissing, wordt verwezen naar de analyse van het eerste en het tweede middel; dat het vierde middel ongegrond is; 2.6. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- e)Vijfde middel: = schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van artikels 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen = schending van het beginsel van goed beheer = schending van de gelijkheid van de burgers voor de administratie Het is ten onrechte dat het C.G.V.S. heeft beschouwd dat "Wat er ook van zij, uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt eveneens dat geen enkele minderheid, en dus ook niet de Roemeense minderheid, gediscrimineerd wordt in Oekraïne." Indien men een eenvoudige opzoeking doet op het internet omtrent de situatie van de Roemeense minderheid in Oekraïne, ontdekt men dat, in tegenstelling tot wat het C.G.V.S. beweert, deze minderheid een bepaald aantal problemen van vervolging of discriminatie kent. Zo dient men te benadrukken dat " Depuis 1991, l'Ukraine mène une intense politique d'ukraïnisation en Bucovine du Nord, principalement dans le domaine de la culture et de l'enseignement. Comme toute minorité, les Roumains d'Ukraine devraient avoir le droit à l'exercice de leurs libertés culturelles et linguistiques ainsi qu'à la protection de leur identité propre. Cependant, les droits de la minorité roumaine de même que les droits élémentaires de l'homme ne sont pas respectés. On peut dès lors se poser des questions graves par rapport à la " démocratie” de l'Etat ukrainien. D'ailleurs, le nombre croissant des demandeurs d'asile [3] provenant d'Ukraine nous incite à dire que ce pays est confronté à des grandes difficultés. (...) Les roumains sont considérés comme des" vénétics "[5], c'est-à-dire des "venus d'ailleurs" bien qu'ils se trouvent sur leur propre terre héritée de leurs ancêtres. On dit aux roumains " Daloi ", c'est-à-dire " Partez d'Ukraine. L'Ukraine appartient aux Ukrainiens " Les Ukrainiens sont réputés pour leur intolérance envers les minorités, leur nationalisme excessif et leur brutalité (J. Les abus perpétrés par les autorités policières et judiciaires ainsi que le règne du libre-arbitre quand il s'agit de la défense des droits des Roumains n'ont pas d'égal. Les Roumains ne sont pas protégés par la police et ils ne peuvent pas faire valoir leurs droits en justice. De plus, ils sont souvent accusés à tort pour des faits qu'ils n'ont pas commis et doivent payer des grosses sommes d'argent pour que les ukrainiens les disculpent. On remarque donc clairement dans cet exposé LE NON-RESPECT DES DROITS ELEMENTAIRES DE LA MINORITE ROUMAINE D'UKRAINE. Les Roumains n'ont pratiquement aucun droit en Ukraine. A cause de toutes ces discriminations et inégalités économiques, sociales et politiques, les Roumains de Bucovine du Nord sont obligés soit d'émigrer en masse soit de se laisser assimilerpar les Ukrainiens. Ils se voient alors obligés de renoncer à leur identité nationale. Et ceux qui, malgré tout, ne se laissent pas assimilés ou qui essaient de s'affirmer en tant que Roumains ont part de la pire des choses " (Brussel, 15 augustus 2000 - Aurelia DIMA - home.tiscafi.belbucovina) Een recent werk dat over de kwestie werd gepubliceerd (Eugène Patras, The Rornanian. Connnunity in Ukraine, http://wwwl.proeuropa;ro/ALTERA/2000/14/a14e.htm) besloot overigens tot het feit dat « depuis 1990, la communauté roumaine d'Ukraine a dû faire face à une discrimination méthodique de la part de la majorité (..). Tous ces facteurs créent les prémices d'une assimilation forcée à l'encontre de la volonté des membres de la communauté ». In deze omstandigheden kan het C.G.V.S. dus niet besluiten tot de afwezigheid van documentatie over de schending van de rechten van de Roemeense minderheid en zeker niet op het niveau van de ontvankelijkheid (« kennelijk ongegrond »). XIV-13.066-8/15 In ieder geval, rekening houdend met het feit dat een deel van deze documentatie meegedeeld was bij het C.G.V.S. in bijlage bij het dringend beroep d.d. 02 maart 2001, kwam het de administratie toe aan te duiden In hoeverre ze stelde dat deze documentatie niet voldoende wsas - hetgeen ze hier totaal niet doet (toepassig van het motiveringsbeginsel) !! Het C.G.V.S. schendt tenslotte het gelijkheidsbeginsel van de burgers voor de administratie, gegeven het feit dat het C.G.V.S. in een bepaald aantal gevallen heeft beschouwd dat de asielaanvraag van leden van de Roemeense minderheid van het land die exclusief discriminaties omwille van hun Roemeense origine inriepen ontvankelijk was (zie bijvoorbeeld dossier 02/21071 - aanvraag ontvankelijk verklaard op dringend beroep voor het C.G.V.S.).”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.5. Vijfde middel: schending van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder de artikels 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; schending van het beginsel van goed beheer; schending van de gelijkheid van de burgers voor de administratie. De door verzoekende partij geciteerde informatie is niet dienstig daar waar ze betrekking heeft op de rechten van de Roemeense Oekraïeners op het vlak van cultuur en onderwijs. De eerste bron spreekt over discriminatie maar is niet verifieerbaar. Het opgegeven internetadres levert immers geen resultaat op. Dit geldt zowel voor het adres opgegeven in het verzoekschrift dringend beroep (www.bucovina.net) als voor het adres vermeld in voorliggend verzoekschrift (home.tiscali.be/bucovina). Wat de inhoud van deze tekst die werd opgenomen in het dringend beroepschrift betreft wenst verwerende partij te antwoorden dat in de bestreden beslissing wel degelijk wordt gesteld waarom deze documentatie niet voldoet. Deze feiten zijn vooreerst niet concreet. Ze zouden betrekking hebben op een algemene situatie maar zeggen niets over de concrete situatie van verzoekster. Daarnaast heeft verzoekster over eventuele etnische problemen niets gezegd op de Dienst Vreemdelingenzaken. Bijgevolg kon de Commissaris- generaal tot de genomen conclusie komen. Betreffende de schending van het gelijkheidheidsbeginsel verwijst verzoekende partij naar een andere asielaanvraag van een Roemeense Oekraïner die wel degelijk ontvankelijk werd verklaard. Verwerende partij antwoordt dat dit element hier niet ter zake doet. Elke asielaanvraag wordt door de Commissaris-generaal individueel behandeld. Bijgevolg is elke asielaanvraag verschillend, ook al kunnen kandidaatvluchtelingen gemeenschappelijke kenmerken hebben. In voorliggend verzoekschrift op basis van een dossiernummer stellen dat verzoekster ook ontvankelijk diende te worden verklaard is niet afdoend, zonder de concrete elementen van deze andere zaak te kennen. Alleszins is verzoeksters beslissing afdoende gemotiveerd. Uit de beslissing in het geciteerde dossier dat berust op andere feiten en zonder enige band met dat van verzoekster kan verzoekster alleszins geen rechtsgevolgen putten.”; 2.6.1. Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel; van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van het “beginsel van goed beheer” en van het gelijkheidsbeginsel; 2.6.2. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de XIV-13.066-9/15 verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de feiten die de verzoekende partij heeft ingeroepen ter staving van haar asielaanvraag niet van die aard zijn om als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te kunnen worden bestempeld: - de verzoekende partij verklaarde problemen te kennen met haar echtgenoot, hij dronk en mishandelde haar, als gevolg hiervan verliet zij Oekraïne; - uit het relaas van de verzoekende partij blijkt duidelijk dat zij problemen kende met haar echtgenoot; nergens uit haar relaas blijkt dat deze problemen enig verband houden met haar politieke overtuigingen, religie, etnie of sociale toebehoren; - de verzoekende partij toont evenmin aan dat zij de hulp inriep van de Oekraïense overheden tegen de ondergane mishandelingen: zij heeft de beschermingsmaatregelen niet uitgeput, en maakt niet aannemelijk dat ze niet op de Oekraïense overheden zou kunnen rekenen voor bescherming, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie; - de feiten waarop de verzoekende partij haar asielaanvraag baseert, vallen buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; - wat betreft de discriminatie ten overstaan van de Roemeense minderheid in Oekraïne, haalt de verzoekende partij noch in haar verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in haar dringend beroepschrift concrete feiten aan; gezien het belang dat de verzoekende partij hecht aan deze discriminatie in haar dringend beroepschrift, is het vreemd dat zij hierover nooit gesproken heeft tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken; - uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en die in het dossier werd gevoegd, blijkt dat geen enkele minderheid, ook niet de Roemeense, gediscrimineerd wordt in Oekraïne; in haar dringend beroepschrift heeft de verzoekende partij deze discriminatie niet aannemelijk gemaakt; er kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie in hoofde van de verzoekende partij; XIV-13.066-10/15 - omdat uit haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit haar dringend beroepschrift reeds blijkt dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is, is het niet nodig om de verzoekende partij te horen; Overwegende dat vooreerst wordt opgemerkt dat de verzoekende partij het motief niet betwist dat het feit dat haar echtgenoot haar lastig viel, niet ressorteert onder de criteria van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat, wat de situatie van de Roemeense minderheid betreft, de verzoekende partij verwijst naar informatie die op het internet te vinden is om te betogen dat de Commissaris-generaal in deze fase van de asielprocedure niet kan besluiten dat de rechten van deze minderheid niet worden geschonden; dat zij hieraan toevoegt dat de Commissaris-generaal had moeten motiveren waarom de documenten die de verzoekende partij had neergelegd, niet volstonden; Overwegende dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat het Commissariaat-generaal verwijst naar informatie die zich in het dossier bevindt, om te besluiten dat de Roemeense minderheid niet wordt vervolgd in Oekraïne; dat deze informatie steunt op objectieve gegevens die CEDOCA, een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst, onder meer heeft opgevraagd bij het European Center for Minority Issues, en bij het hoofd van de afdeling Ukrainian Studies aan de universiteit van Toronto; dat uit het verzoekschrift in dringend beroep blijkt dat de verzoekende partij één citaat heeft bijgevoegd afkomstig van de website www.bucovina.net; dat het niet onredelijk is dat de Commissaris-generaal heeft beslist dat de verzoekende partij in haar dringend beroepschrift geen concrete feiten aanhaalt die wijzen op discriminatie; dat uit de gegevens van het dossier evenmin blijkt dat de verzoekende partij een concreet feit heeft vermeld waarin zij persoonlijk werd gediscrimineerd omwille van haar Roemeense afkomst; dat de conclusie van de Commissaris-generaal in dit verband op goede gronden berust; dat de Commissaris- generaal, door te overwegen dat de verzoekende partij in haar dringend beroepschrift geen concrete feiten aanhaalt wat betreft de discriminatie van de Roemeense minderheid in Oekraïne, afdoende motiveert waarom het internetcitaat in het dringend beroepschrift niet volstaat om aan te tonen dat de verzoekende partij het slachtoffer is van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; XIV-13.066-11/15 Overwegende dat de verwijzing naar andere informatie in het middel geen afbreuk kan doen aan de bestreden beslissing, omdat deze informatie niet werd voorgelegd aan het Commissariaat-generaal; dat deze informatie pas voor het eerst wordt voorgelegd aan de Raad van State; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; Overwegende dat het gelijkheidsbeginsel een verschillende behandeling niet verhindert, mits dit verschil in behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is; dat de verzoekende partij niet met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat vreemdelingen die zich in een identieke situatie met haar bevonden, anders werden behandeld; dat de verzoekende partij met een algemene verwijzing naar andere asielaanvragen van leden van de Roemeense minderheid die discriminaties inriepen, die wel ontvankelijk werden verklaard, niet aannemelijk maakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden; dat het vijfde middel ongegrond is; 2.7. Overwegende dat de verzoekende partij een zesde middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- f)Zesde middel: = schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van artikels 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen = schending van het beginsel van goed bestuur In casu heeft het C.G.V.S. een beslissing genomen waarbij het zich exclusief baseerde op de verklaringen die door verzoekster werden gedaan bij de D.V.Z. Het is eveneens in functie van deze verklaringen dat het C.G.V.S heeft gesteld dat het niet nodig was over te gaan tot het verhoor van verzoekster. In casu heeft het Commissariaat Generaal gehandeld alsof het uitging van het feit dat dit verslag de verklaringen van verzoekster perfect betrouwbaar weergaf. Door zich zo te baseren op het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, heeft het Commissariaat Generaal een draagwijdte gegeven aan het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken die dit laatste. rekening houdend met bepaalde objectieve elementen, niet had in casu!! Inderdaad, terwijl duidelijk uit het verslag van de D.V.Z. blijkt (vraag 12) dat verzoekster heeft uitgelegd dat haar taal het roemeens was (zij vemeldt absoluut geen enkele andere taal), stelt men vast dat het verhoor bij de D.V.Z. plaats heeft gevonden ... in het Russisch (laatste blad van verhoorsverslag verzoekster D.V.Z.). Deze omstandigheid mocht het C.G.V.S. niet ontsnappen, dat, in zijn beslissing wel degelijk heeft vermeld dat verzoekster behoorde tot de Roemeense gemeenschap van Oekraïne. Bovendien mocht niet ontsnappen aan het C.G.V.S. dat de tijd die gewijd was aan het verhoor van verzoekster bij de D.V.Z. abnormaal laag was (30 minuten - laatste blad van verhoorverslag verzoekster D.V.Z.). Tenslotte moest het C.G.V.S. rekening houden met het feit dat de D.V.Z. aan zijn diensten slechts 7 bladzijden van de 15 van het verslag had overgemaakt - zodat dit laatste totaal onvolledig was. XIV-13.066-12/15 De verwijzing die het Commissariaat Generaal maakt naar het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken is dus ongepast, rekening houdend met het feit dat dit verslag in casu niet over de bewijswaarde beschikte die het normaal heeft - wat het Commissariaat Generaal dankzij een grondige lezing van de voornoemde verslagen normaal gezien zelf had moeten vaststellen. Rekening houdend met deze lacunes, komt het dus toe aan het Commissariaat Generaal, op grond van het beginsel van goed bestuur, zelf over te gaan tot een beter onderzoek van de zaak, door verzoekster te doen verhoren door zijn diensten.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende uiteenzet: “2.6. Zesde middel: schending van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; schending van het beginsel van goed beheer. Verzoekende partij betwist het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, door te stellen dat verzoekster in het Roemeens diende te worden gehoord. Uit het administratief dossier blijkt duidelijk dat verzoekster gekozen heeft voor de Russische taal (zie: document van taalkeuze, 27 november 2000). Ook heeft verzoekster hierover in haar dringend beroep geen enkele opmerking gemaakt, hetgeen gezien de devolutieve werking van het dringend beroep, kon worden verwacht. Ze vraagt in deze brief van haar raadsman wel een vertaler, maar specificeert verder niet voor welke taal. Bijgevolg kan dit element niet meer worden aangenomen. Het feit dat het gehoor slechts dertig minuten duurde is te wijten aan verzoekster die blijkbaar niet meer tijd nodig had om alle elementen dienstig voor haar asielaanvraag uiteen te zetten. Op basis van de stukken van de Dienst Vreemdelingenzaken kon tot de bestreden beslissing worden besloten. Het zesde middel is niet gegrond.”; 2.7.1. Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel; van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van het “beginsel van goed beheer”; 2.7.2. Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag de Commissaris-generaal dan ook de mogelijkheid heeft om de gegevens van het verhoorverslag voor de Dienst Vreemdelingenzaken te gebruiken om te komen tot zijn beslissing; dat de kritiek van de verzoekende partij als zou de Commissaris-generaal aan dit verhoorverslag een draagwijdte toekennen die het niet XIV-13.066-13/15 heeft, niet opgaat; dat uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat de verzoekende partij naar aanleiding van haar asielaanvraag om bijstand heeft verzocht van een tolk Russisch; dat het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken plaatsvond in het Russisch en het Nederlands; dat de verzoekende partij dit verhoorverslag heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat dit overeenstemt met de inlichtingen die ze heeft verstrekt; dat de verzoekende partij noch bij deze gelegenheid, noch in haar verzoekschrift in dringend beroep, melding heeft gemaakt van problemen betreffende de inhoud van dit verslag, betreffende de duur ervan, of betreffende de tolk; dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal tevens rekening heeft gehouden met hetgeen de verzoekende partij heeft vermeld in haar dringend beroepschrift; Overwegende dat, voor wat het niet opnieuw horen van de verzoekende partij betreft, wordt verwezen naar de analyse van het vierde middel; dat het zesde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.066-14/15 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.066-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.979 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div