id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.996 Rolnummer: A. 155987/VII-32815 Zaak: Arrest 158996 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 19:34 Fiche Arrest nr 158.996 van 18 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.996 van 18 mei 2006 in de zaak A. 155.987/VII-32.815. In zake : 1. Roland GAUDISSABOIS, 2. Ivan TRANGEZ, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. tussenkomende partij : de Vlaamse Vervoermaatschappij DE LIJN, n.v. van publiek recht, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roland GAUDISSABOIS en Ivan TRANGEZ op 27 september 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van "het ministerieel besluit van 16 juli 2004, verleend door de Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, waarbij het beroep van o.m. verzoekers tegen het besluit (...) van 29 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergun- ning, voor een termijn verstrijkend op 29 januari 2009, aan de n.v. van publiek recht Vlaamse Vervoermaatschappij, om een stelplaats voor autobussen gelegen te 9060 Destelbergen, Dendermondsesteenweg, 185 (kadastergegevens afd. 1, sectie A, perceelnr. 71/
- v)te veranderen (wijzigen en uitbreiden), als ongegrond wordt afgewezen en de beroepen beslissing voornoemd wordt bevestigd"; VII-32.815-1/6 Gelet op het arrest nr. 140.489 van 11 februari 2005 waarbij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gelet op het arrest nr. 150.908 van 3 november 2005 waarbij het eerste middel ongegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verwerende partij en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 27 april 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VERMEIRE die, loco Advocaat P. DEVERS verschijnt voor verzoekers, van Advocaat D. DE KEYSER die, loco Advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat Th. EYSKENS die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt : VII-32.815-2/6 1. De standpunten van de partijen 1.1. In een tweede onderdeel van het tweede middel stellen verzoekers meer bepaald het volgende : "(...) Dat op basis van deze motieven, inzonderheid met betrekking tot de bezwaren van o.m. de verzoekers op het stuk van de blijvende geluidshinder kant Dendermondsesteenweg, het beroep werd afgewezen en de beroepen beslissing werd bevestigd, daar waar deze motieven, op het bedoelde vlak, natuurlijk niet draagkrachtig kunnen zijn ten aanzien van het bestreden besluit, en al evenmin voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel, nu : - de minister zich -om het voorgaande te beweren- niet baseert op enige, hem ter beschikking staande en controleerbare akoestische studie, laat staan op een 'volledig akoestisch onderzoek' bedoeld in bijlage 4.5.2 van VLAREM II, maar op een loutere telefonische mededeling van de aanvrager zelf; - het plaatsen, kant Dendermondsesteenweg, van de bedoelde geluidsschermen ten tijde van het aangevochten ministerieel besluit, en overigens ook op heden, niet eens stedenbouwkundig vergund werd (hetzelfde geldt overigens voor het achteruit brengen van de toegangspoort); - van het plaatsen van de zo bedoelde schermen, van het achteruit brengen van de toegangspoort en het omleiden van het verkeer van de zgn. wasstraat, niet eens een bijzondere voorwaarde voor het afleveren van de vergunning is gemaakt. (...) Deze anomaliën worden natuurlijk niet goedgemaakt door het opleggen, in de bevestigde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 januari 2004, artikel 3, pt. 24 van het uitvoeren van een geluidsstudie binnen de 6 maanden na ingebruikname van de vernieuwde stelplaats. Overigens betreft afdeling 4.5.4. VLAREM II (en het daar bedoelde akoestisch onderzoek) alleen bestaande inrichtingen, en niet veranderingen van bestaande inrichtingen (waarvoor artikel 4.5.3.1. geldt)". 1.2. De verwerende partij doet in essentie gelden dat de vergunningstermijn beperkt bleef tot vijf jaar en dat bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden werden opgelegd. Als de vergunning is verleend kunnen altijd strengere voorwaarden worden opgelegd. De minister heeft op een omstandige manier gemotiveerd dat noch op stedenbouwkundig vlak, noch op milieutechnisch vlak onoverkomelijke bezwaren bleken te bestaan die ertoe moesten leiden dat de vergunning diende geweigerd te worden. Zij stelt eveneens dat de mogelijkheid om voldoende strenge voorwaarden op te leggen volstond en dat de exploitant inspanningen deed om de aanvraag overzichtelijker en vooral minder milieubelastend te maken. Zij besluit dat om aan de motiveringsplicht te voldoen niet vereist is dat de beslissing een antwoord geeft op alle argumenten die de betrokken bestuurde of vroegere bezwaarindieners in het kader van het openbaar onderzoek hebben naar voren gebracht en de bezwaren niet individueel en omstandig moeten worden beantwoord. VII-32.815-3/6 1.3. De tussenkomende partij laat daarover het volgende gelden : "In casu is er bovendien geen sprake van het niet volgen van het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, maar van het ingaan op de bezwaren die deze commissie formuleerde. Dat daarbij een beroep werd gedaan op de aanvrager zelf om een akoestische studie te doen, maakt geen onwettigheid uit. De verzoekende partijen maken immers niet duidelijk waarom er te dezen een 'volledig akoestisch onderzoek' in de zin van bijlage 4.5.2. van VLAREM II moest worden uitgevoerd alvorens de vergunning kon worden verleend". 1.4. In haar laatste memorie staat de verwerende partij vooreerst stil bij de uitgebrachte adviezen. Zij benadrukt vervolgens dat de definitieve resultaten van de door de exploitant nog geplande bijkomende maatregelen tegen geluidshinder in de praktijk, dit wil zeggen niet uitsluitend op basis van theoretische simulaties, zullen blijken bij de evaluatie van de opgelegde geluidsstudie. Pas daarna en na de evaluatie van het eventueel hieruit voortvloeiend nog door de exploitant naar voor te brengen saneringsplan zal kunnen blijken van welke reële overdreven geluidshinder er nog sprake kan zijn. Zij herhaalt dat het al dan niet definitief worden van de individuele vrijstelling van de normale werkuren in de vergunning samen hangt met het al dan niet slagen van de exploitant in de verplicht gestelde geluidsstudie. Zij betoogt dat de minister in de motieven van de bestreden beslissing voldoende aantoonde dat in de gegeven omstandigheden van de beoogde herlocalisatie door de exploitant een korte vergunningstermijn van vijf jaar aangewezen was, en zij stelt tenslotte dat de minister op basis van de resultaten van de door de exploitant bijgebrachte geluidsstudie en het actuele inplantingsplan zoals voorgesteld op de hoorzitting van de Gewestelijke milieuvergunningscommissie, de milieuvergunning kon verlenen op basis van de motivering dat er geen overschrijdingen van de richtwaarden meer zijn. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel stelt zij meer bepaald : "Verzoekende partijen zijn ten onrechte van mening dat de bestreden beslissing in haar geheel dient te worden vernietigd omdat niet uitdrukkelijk als bijzondere milieuvoorwaarde werden opgelegd een aantal maatregelen waarvan in de motieven gewag wordt gemaakt als zijnde voldoende om te voldoen aan de eisen van VLAREM II op het vlak van de geluidshinder. Volgens het aanvullend auditoraatsverslag maakt zulks een bepaalde 'onvolkomendheid' uit in de motieven van de bestreden beslissing. Het aanvullend auditoraatsverslag spreekt zich niet ondubbelzinnig uit over de ernst van deze onvolkomendheid en het feit of deze eventuele onvolkomendheid zou kunnen/moeten leiden tot een algehele vernietiging van de bestreden beslissing, dan wel tot een partiële vernietiging. VII-32.815-4/6 De door de exploitant voorgebrachte geluidsstudie is - uiteraard - gebaseerd op een theoretische simulatie van de werkelijkheid door de erkende geluidsdeskundige. Het is juist daarom dat de Minister - zorgvuldigheidshalve - de bijzondere milieuvoorwaarde van de Bestendige Deputatie heeft hernomen waarbij de gegevens op basis van de simulaties aan de praktijk zullen dienen te worden getoetst door middel van een binnen de zes maanden na de ingebruikname van de vernieuwde stelplaats voor te brengen volledige geluidsstudie en van een eventueel geluidssaneringsplan. De Minister heeft hiermee zeker overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, meer in het bijzonder overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel". 2. Beoordeling In de bestreden beslissing wordt overwogen "dat de laatste aanvullende geluidsstudie aantoont dat mits plaatsen van bijkomende geluidsschermen langs de Dendermondsesteenweg en geperforeerde dwarse schermen langs de toegangspoort (beide 4 m hoog), het achteruit brengen van de toegangspoort (verder van de straat
- af)en het omleiden van het verkeer van de wasstraat, zodat dit niet langs de ingang moet, het mogelijk is om ook langs de zijde van de Dendermondsesteenweg te voldoen aan de eisen van titel II van het VLAREM (...)". Dit alles werd niet als bijzondere exploitatievoorwaarde opgelegd in de bestreden beslissing, en evenmin in de in eerste aanleg genomen beslissing. Dit duidt op een onzorgvuldigheid, en ook op een tegenstrijdigheid tussen de motieven van de bestreden beslissing en het dictum, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 16 juli 2004 van de Vlaams minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, waarbij het beroep dat o.m. Roland GAUDISSABOIS en Ivan TRANGEZ hadden ingesteld tegen het besluit van 29 januari 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 29 januari 2009, aan de n.v. van publiek recht Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn, om een stelplaats voor autobussen gelegen te 9060 Destelbergen, Dendermondsesteenweg, 185, te veranderen door wijziging en uitbreiding, als ongegrond wordt afgewezen en het beroepen besluit wordt bevestigd. VII-32.815-5/6 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-32.815-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.996 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.489 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div