id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.997 Rolnummer: A. 103295/VII-23435 Zaak: Arrest 158997 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 19:35 Fiche Arrest nr 158.997 van 18 mei 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.997 van 18 mei 2006 in de zaak A. 103.295/VII-23.435. In zake : de n.v. BELGIAN SHELL, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BELGIAN SHELL op 12 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 14 februari 2001 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 augustus 2000 houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een brandstoffenverdeelstation gelegen te Knokke-Heist, Elizabethlaan 81, te veranderen door uitbreiding en wijziging, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 14 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-23.435-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de voor de oplossing van het geschil relevante gegevens als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij exploiteert een tankstation, gelegen aan de Elizabethlaan te Knokke-Heist (kadastraal perceel, 4/ Afd., Sectie B, nr. 952), en dit naar eigen zeggen sinds meer dan 50 jaar. De meest recente milieuvergunning dateert van 17 oktober 1994 en werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke voor een termijn van 20 jaar, verstrijkende op 17 oktober 2014. Op 14 april 2000 dient de verzoekende partij een aanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen om de vergunde inrichting uit te breiden en te wijzigen. De aanvraag strekt ertoe de vergunde inrichting: 1/) uit te breiden met: - het lozen van bedrijfsafvalwater in de openbare riolering: max. 0,1 m³/uur, 0,5 m³/dag en 100 m³/jaar; - een airconditioningsinstallatie (3 kW), 3 koelinstallaties (3 x 1 kW) en 1 luchtcompressor (2,9 kW); VII-23.435-2/11 - de opslag van tweetactbenzine in een verplaatsbaar apparaat met een inhoud van 70 l; - de opslag van 5.000 l stookolie in ondergrondse dubbelwandige houder; - de opslag van 210 l smeerolie in een vat; - de opslag van antivries en smeerolie in verpakkingen van 1 tot en met 5 l: totaal 100 l; - 1 verdeelslang voor tweetactbenzine; 2/) te wijzigen met: - 3 brandstofverdelers (voorheen vergund) worden nu 8 verdeelslangen; zodat de inrichting voortaan zou omvatten: - 1 ondergronds dubbelwandig reservoir van 60.000 l, als volgt onderverdeeld: 10.000 l super, 10.000 l eurosuper, 10.000 l superplus en 30.000 l diesel; - een autoherstellingswerkplaats voorzien van: 1 luchtcompressor 2,9 kW, 1 hefbrug 2,9 kW, 1 boormachine 0,736 kW en 1 slijpmachine 0,736 kW; - een airconditioningsinstallatie (3 kW), 3 koelinstallaties (3 x 1 kW) en l luchtcompressor (2,9 kW); - de opslag van tweetactbenzine in een verplaatsbaar apparaat met een inhoud van 70 l; - de opslag van 5.000 l stookolie in een ondergrondse dubbelwandige houder; - de opslag van 210 l smeerolie in een vat; - de opslag van antivries en smeerolie in verpakkingen van 1 tot en met 5 l: totaal 100 l; - 8 verdeelslangen voor benzine en diesel en 1 verdeelslang voor tweetactbenzine; - het lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering: max. 60 m³/jaar; - het lozen van bedrijfsafvalwater in de openbare riolering: max. 0,1 m³/uur, 0,5 m³/dag en 100 m³/jaar. De grootste wijziging/uitbreiding, met name de opslag van 5.000 liter stookolie is bestemd voor de verwarming van de shop en woning. VII-23.435-3/11 Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. De adviezen zijn gunstig, behoudens het advies van de afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (AROHM). De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen beslist op 17 augustus 2000 de vergunning te verlenen voor een termijn verstrijkende op 17 oktober 2014 . 1.2. Op 20 september 2000 tekent de gemachtigde ambtenaar van AROHM beroep aan tegen deze beslissing. Dit beroep is gesteund op het volgende argument: "Desbetreffend perceel is te situeren binnen het plangebied van een BPA 'Wijk Prins Karellaan' MB 23/6/1988. Kadastraal perceel 4° afdeling sectie B nr/ 952. Dit BPA werd op 6/2/1991 in herziening gesteld doch de verderzetting van de procedure werd stopgezet. Qua bestemming zijn voor deze zone enkel alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen of dubbelwoningen toegelaten. Aldus is het voorstel tot uitbreiden en wijzigen van dit tankstation strijdig met deze voorgehouden bestemming. Dit werd reeds bevestigd in een ongunstig advies van 6/12/1992 door het toenmalig hoofdbestuur van Ruimtelijke Ordening. Er zijn dus geen stappen ondernomen om de feitelijke toestand in overeenstemming te brengen met het planologisch toetsingskader.". 1.3. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven: - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 13 november 2000 ongunstig; dit advies herneemt in essentie de argumenten van het beroep van de gemachtigde ambtenaar; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 16 november 2000 gunstig wat betreft de milieutechnische aspecten; voor de stedenbouwkundige aspecten wordt verwezen naar het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 27 november 2000 ongunstig "omdat de gevraagde uitbreidingen en wijzigingen strijdig zijn met de bepalingen van het BPA". 1.4. Op 14 februari 2001 beslist de verwerende partij het beroep van de gemachtigde ambtenaar gegrond te verklaren en de gevraagde wijziging en uitbreiding te weigeren. Dit is het bestreden besluit, dat als volgt is gemotiveerd: "Overwegende dat de inrichting gelegen is langs de drukke Elizabethlaan (N360), op de hoek met de Montgomerylaan; dat de onmiddellijke omgeving VII-23.435-4/11 rond de inrichting dicht bewoond is en een uitgesproken residentieel karakter (open villa bebouwing) heeft; Overwegende dat de opslag van 5.000 l stookolie gebruikt wordt voor de verwarming van de shop; dat deze opslag zal gebeuren in een ondergrondse dubbelwandige houder; Overwegende dat er in de werkplaats 1 vat (210
- l)met smeerolie opgesteld is; dat dit vat op een lekbak staat; Overwegende dat er een opslag van tweetactbenzine aanwezig is in een verplaatsbaar apparaat met een inhoud van 70 l; dat daardoor de rubriek 17.3.4.3 van toepassing wordt ter vervanging van de rubriek 17.3.4.2.; Overwegende dat tengevolge van de wijziging van de indelingslijst (bijlage 1 van Vlarem I) van kracht sedert 01 mei 1999, 8 verdeelslangen voor de verdeling van benzine en diesel en 1 verdeelslang voor tweetactbenzine aangevraagd werden; Overwegende dat in de shop smeerolie en antivries verkocht wordt in verpakkingen van 1 tot en met 5 l; dat de maximale opslag 100 l bedraagt; Overwegende dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van het mogelijks met koolwaterstoffen verontreinigd hemelwater dat op de tankpiste terecht kan komen; dat dit afvalwater wordt geloosd op de openbare riolering van de Elizabethlaan na een voorbehandeling in een KWS-afscheider met slibvanger; dat deze riolering aangesloten is op de RWZI van Heist; dat het hier dus een zuiveringszone A betreft; Overwegende dat de argumentatie van de beroepindiener enkel betrekking heeft op de stedenbouwkundige aspecten, inzonderheid de strijdigheid met de verkavelingsvoorschriften; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, gezien de strijdigheid met de bestemmingen van het geldende BPA, namelijk alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen of dubbelwoningen; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepsindiener dus als volgt kunnen worden geëvalueerd: het voorstel tot het uitbreiden en wijzigen van dit tankstation is inderdaad strijdig met de voorgehouden bestemming van dit BPA; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beslissing op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren"; 2. De gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel neemt uit de schending van de artikelen 20, § 1, 1/, 21, § 2 en 30, § 1 van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheidsbeginsel; dat dit middel als volgt wordt toegelicht: "Doordat, uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het beroep enkel wordt ingewilligd omwille van de onverenigbaarheid van de tot in 2014 VII-23.435-5/11 vergunde inrichting waarvan conform artikel 6 bis §1 1/ de vernadering (sic) werd gevraagd met het ter plaatse vigerende BPA En doordat, dit negatief advies werd uitgebracht over de bestaanbaarheid van de bestaande vergunde inrichting zelf, met de ter plaatse geldende plannen van aanleg, en niet over het effect dat de tenuitvoerlegging van de gevraagde wijziging zou hebben op bestaanbaarheid van de inrichting met de plannen van aanleg, Terwijl, het advies dat in het kader van een milieuvergunningsaanvraag conform artikel 6 bis van het Vlarem-I besluit door AROHM wordt uitgebracht zich dient te beperken tot het effect van de gevraagde verandering op de bestaanbaarheid van de veranderde inrichting met de vigerende plannen van aanleg, en niet (...) over de bestaanbaarheid van de bestaande en vergunde inrichting met deze plannen, vermits zoniet het uitgebrachte advies geen betrekking heeft op de aanvraag doch op de inrichting zelf, die niet het voorwerp is van de aanvraag. En terwijl, de motivering van het bestreden besluit eveneens volledig is gebaseerd op de zogezegde onbestaanbaarheid van de tot in 2014 vergunde inrichting zelf met het vigerende BPA, en niet met de bestaanbaarheid van de gevraagde verandering met dit BPA, en dit in functie van het effect dat de verandering heeft op de hinderlijkheid van de bestaande en vergunde inrichting, En terwijl, uit de toetsing van het effect dat de gevraagde verandering heeft op de bestaanbaarheid van de inrichting met het plan en met de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving blijkt dat de verandering hierop geen enkel effect ressorteert: zo de te veranderen vergunde inrichting op het desbetreffende perceel kon worden vergund, geldt zulks ook voor de veranderde inrichting."; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "(...) Verzoekende partij meent dat verwerende partij met de bestreden beslissing de artt. 20 § 1, 1/, 21 § 2 en 30 § 1 van het Vlarem I geschonden heeft. Bovendien meent verzoekende partij dat verwerende partij ter zake ook de artt. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering overheidshandelingen zou geschonden hebben alsook het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekende partij houdt immers voor dat zowel verwerende partij als de adviesverlenende overheid onterecht alleen zou geadviseerd en gemotiveerd hebben omtrent de bestaanbaarheid van de bestaande inrichting en niet omtrent de 'veranderde inrichting'. (...) Ook hier kan verwerende partij niet volgen. Opnieuw zal verwerende partij de door verzoekende partij aangehaalde artikelen uit het Vlarem I uitdrukkelijk weergeven: Art. 20 § 1, 1/ De overheidsorganen die advies uitbrengen over een vergunningsaanvraag, bedoeld in artikel 6 § 1, 1/, alsmede over een beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie van de provincie of van het college van burgemeester en schepenen zijn: 1/ de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Art. 21 § 2 Het advies van de bevoegde afdeling ROHM van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen bevat de volgende gegevens: 1/ de voorschriften en verordeningen op het vlak van stedenbouw en de ruimtelijke ordening die van toepassing zijn op de percelen, waarop de VII-23.435-6/11 vergunningsaanvraag slaat en de beschrijving van de bestemming die, overeenkomstig de plannen van aanleg, in een straal van 500 m rond de betrokken inrichting, aan de omgeving is gegeven; 2/ een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. (...) Verwerende partij ziet de relevantie van de door verzoekende partij aangehaalde artikelen maar ziet niet in hoe deze zouden kunnen geschonden zijn. Dit wordt door de verzoekende partij trouwens niet uiteengezet. Het is immers onbetwist dat de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur advies heeft verleend. De dienst Stedenbouwkundige vergunningen heeft in zijn advies aangegeven welke de stedenbouwkundige voorschriften zijn die van toepassing zijn op het perceel waarop de vergunningsaanvraag slaat. Bovendien heeft dit adviesorgaan zich uitgesproken over de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Bovendien werd zowel in de bestreden beslissing als in het voorafgaand advies geoordeeld dat het voorstel tot wijzigen en uitbreiden van het tankstation strijdig is met de voorgehouden bestemming van het BPA. (...) Ook het vijfde middel is dus ongegrond."; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het standpunt van de tegenpartij als volgt weerlegt: "(...) Het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen d.d. 14 november 2000 luidt: 'Het desbetreffend perceel is te situeren binnen het plangebied van een B.P.A. 'Wijk Prins Karellaan', goedgekeurd bij M.B. van 23 juni 1988. Qua bestemming zijn voor deze zone enkel alleenstaande of gekoppelde eensgezinswoningen of dubbelwoningen (voor percelen vanaf 2000 m²) toegelaten. Het BPA laat geen nevenstemmingen in deze woonzone toe. Dit B.P.A. werd op 6 februari 1991 in herziening gesteld doch de verderzetting van de procedure werd stopgezet. Indien de gemeente het behouden van het station had gewenst, hadden zij de procedure van de herziening van het B.P.A. maar moeten verderzetten. Er zijn dus geen stappen ondernomen om de feitelijke toestand in overeenstemming te brengen met het planologisch toetsingskader.'. De lezing van dit advies doet besluiten dat het begrip feitelijke toestand, zoals vermeld in de laatste alinea van het advies, verwijst naar de huidige feitelijke toestand, in casu de bestaande inrichting, en geenszins de veranderde inrichting. Het advies dat door de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen werd gegeven schendt art. 6 bis van het Vlarem-I besluit, mits het zich niet beperkt tot het effect van de gevraagde vergunningen op de bestaanbaarheid van de veranderde inrichting, doch a contrario adviseert over de bestaanbaarheid van de bestaande en vergunde inrichting met deze plannen van aanleg. Bijgevolg heeft de bestreden beslissing betrekking op de inrichting zelf en niet op de aanvraag. (...) De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verwijst indirect naar de beginselen van behoorlijk bestuur en wijst met de vinger naar de gemeente Knokke die de procedure van herziening maar had moeten verder zetten. Het nog langer blijven ontkennen van de schending van o.m. het vertrouwens- of redelijkheidsbeginsel door de tegenpartij is dan ook uit den boze!"; VII-23.435-7/11 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie "in hoofdorde" betoogt als volgt: "De minister kwam tot de conclusie dat het uitbreiden en wijzigen van het vergunde tankstation strijdig is met de bestemming van het van toepassing zijnde BPA, waardoor de vergunning geweigerd diende te worden. Het BPA duidt het gebied waarin de exploitatie gelegen is immers aan als zone bestemd voor alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen of dubbelwoningen. Het is dan ook duidelijk dat de rubrieken waarvoor vergunning aangevraagd werd, hetzij bij uitbreiding op een bestaande vergunning, hetzij bij verandering van deze vergunning, niet vergunbaar zijn in woongebied. In tegenstelling tot wat door verzoekende partij én in het Auditoraatsverslag voorgehouden wordt, werd de vergunning niet geweigerd omdat het tankstation in z’n geheel strijdig is met het BPA - wat wel het geval is -, doch omdat de wijziging (verandering en uitbreiding) van de vergunning strijdig is met het BPA. Dit staat ook duidelijk in de bestreden beslissing te lezen: 'Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, gezien de strijdigheid met de bestemmingen van het geldende BPA, namelijk alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen of dubbelwoningen. (...) het voorstel tot het uitbreiden en wijzigen van dit tankstation is inderdaad strijdig met de voorgehouden bestemming van dit BPA.' De hele bestreden beslissing vermeldt nergens de vaststelling en derhalve de motivering dat het hele tankstation strijdig is met het BPA, maar vermeldt enkel dat de wijziging en uitbreiding van het tankstation strijdig is. Het advies van het Auditoraat baseerde zich, om tot de gegrondheid van het vijfde middel te komen, louter op het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, dat vaststelde dat het perceel te situeren is binnen het plangebied van het BPA, en dat de bestemming die dit BPA aangeeft niet overeenstemt met de exploitatie van een tankstation (dus de gehele exploitatie). Bij de kritiek die verzoekende partij uit, waarbij het Auditoraatsverslag zich aansluit, wordt onterecht uitgegaan van de veronderstelling dat ook de bestreden beslissing zich baseert op de onverenigbaarheid met de gehele exploitatie, dus het reeds vergunde tankstation, met het BPA. Dit is niet het geval, en dit in tegenstelling tot het feit dat het advies van het Auditoraat stelt dat uit zowel het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen als uit de motivering van de bestreden beslissing zou blijken dat de motivering gebaseerd is op de stelling dat de bestaande inrichting niet verenigbaar is met het BPA. Zoals hiervoren uiteengezet, en zoals duidelijk blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit, is dit niét het geval, en werd art. 21 § 2 VLAREM I dan ook niét geschonden, waardoor het vijfde middel ongegrond is."; dat de verwerende partij vervolgens "in ondergeschikte orde" nog het volgende laat gelden: "Geheel in ondergeschikte orde, en dit voor zover hypothetisch het geval zou geweest zijn dat de beslissing zou gebaseerd zijn op de motivering dat de gehele exploitatie, dus het tankstation op zijn geheel, in strijd is met het toepasselijke BPA, en dus niet enkel op de niet-verenigbaarheid van de aangevraagde VII-23.435-8/11 wijziging en uitbreiding van dit tankstation - quod non! -, zet verwerende partij het volgende uiteen. Zélfs indien de beslissing op deze motivering gebaseerd zou geweest zijn, dan nog zou dit geen schending van enige norm voor gevolg gehad hebben. Want bij de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de aangevraagde wijziging van een inrichting, kan rekening gehouden worden met de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige reglementering van de gehele inrichting waarvoor de wijziging gevraagd wordt. Verwerende partij kan hieromtrent verwijzen naar een arrest van Uw Raad, dat zich weliswaar louter situeert in de materie van de ruimtelijke ordening, en geen betrekking had op de aflevering van een milieuvergunning, doch die een redenering inhoudt die in casu per analogie van toepassing is. De feiten ten grondslag aan het arrest nr. 121.582 dd. 11 juli 2003 betroffen de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van garagepoorten van een zonevreemd bedrijf. De gemachtigde ambtenaar verleende positief advies, nadat hij louter de impact van het verbouwen van garagepoorten - aanvraag van de vergunning - beoordeelde, hetgeen hij complementair achtte te zijn aan het bestaande bedrijf, aangezien de gevraagde wijziging qua functie, vormgeving en gebruikte materialen geen afbreuk bleek te doen aan de bebouwde omgeving. Uw Raad was in die zaak evenwel van oordeel dat de verenigbaarheid van de vergunningsaanvraag met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan beoordeeld moest worden op grond van (in geval het gaat om het verbouwen van een bestaand gebouw) de bestemming van het geheel van de bouwwerken waaraan de verbouwingen moeten worden uitgevoerd. 'dat de omstandigheid dat de vergunde werken slechts 'het verbouwen' zouden betreffen van een bestaande werkplaats op zich niet volstaat om te kunnen besluiten dat de bestemming van de te verbouwen werkplaats in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan; dat uit de motivering van het advies van de gemachtigde ambtenaar niet blijkt dat de aanvraag is getoetst aan de bestemming van de bedrijfsgebouwen in hun geheel met de bestemming woongebied met landelijk karakter; dat de motiveringsplicht vereist dat uit de beslissing zelf blijkt waarom werd geoordeeld dat de aanvraag in overeenstemming is met de gewestplanbestemming, in casu, aangezien uit de gegevens van de zaak onomstootbaar blijkt dat de gebouwen niet zijn bestemd voor wonen, noch voor landbouw, (...)' Bijgevolg werd, nadat enkel op grond van de verenigbaarheid van de loutere wijziging met de stedenbouwkundige reglementering een beslissing tot aflevering van vergunning genomen was, door Uw Raad geoordeeld dat deze beslissing onwettig was, daar geen rekening gehouden werd met de verenigbaarheid van de gehele exploitatie waaraan de wijziging zou worden aangebracht, met de stedenbouwkundige reglementering. In ondergeschikte orde merkt verwerende partij op dat dezelfde redenering ook in casu geldt: bij aanvraag tot wijziging en uitbreiding van de zonevreemde exploitatie dient de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de gehele exploitatie in aanmerking genomen te worden: het gaat immers niet op telkens kleine uitbreidingen aan een d' office zonevreemd bedrijf te kunnen vergunnen. Op grond van het feit dat het om een zonevreemd bedrijf gaat, moet door de vergunningverlenende overheid kunnen geoordeeld worden dat de zonevreemdheid van de inrichting op zich elke uitbreiding in de weg staat, daar de uitbreiding aan een zonevreemd bedrijf hoedanook een zonevreemde activiteit is. Dit houdt geen schending in van de onder het vijfde middel ingeroepen normen."; VII-23.435-9/11 2.5. Overwegende dat onderhavige vergunningsaanvraag betrekking heeft op een wijziging en uitbreiding van de lopende basisvergunning verleend op 17 oktober 1994 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag voor de gevraagde verandering door uitbreiding en wijziging wel degelijk in de beoordeling ervan wordt betrokken waar het bestreden besluit stelt "dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, gezien de strijdigheid met de bestemmingen van het geldende BPA, namelijk alleenstaande of gekoppelde ééngezinswoningen of dubbelwoningen" en "het voorstel tot het uitbreiden en wijzigen van dit tankstation (...) inderdaad strijdig (
- is)met de voorgehouden bestemming van dit BPA"; dat het bestreden besluit aldus op afdoende wijze motiveert waarom de gevraagde verandering wordt geweigerd; dat in zoverre het middel gericht is tegen het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunnin- gen, dit advies niet het bestreden besluit uitmaakt; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.6. Overwegende dat het auditoraatsverslag werd beperkt tot de bespreking van het vijfde middel; dat er dienvolgens grond is om een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, VII-23.435-10/11 E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.435-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.997 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div