id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.015 Rolnummer: A. 142907/XIV-17178 Zaak: Arrest 159015 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 19:41 Fiche Arrest nr 159.015 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.015 van 18 mei 2006 in de zaak A. 142.907/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN PUT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 april 1966 en van Braziliaanse nationaliteit, op 20 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 23 september 2003, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 oktober 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H.VERHULST d.d. 26 augustus 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 30 augustus 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-17.178-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VAN PUT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 24 april 1998 en legt een aankomstverklaring af op 17 juli 1998, waarbij haar verblijf op het grondgebied van het Rijk wordt toegestaan tot 24 juli
- 1.
- Op 21 december 1998 sluit de verzoekende partij een samenlevingsovereenkomst af met een in België wonende Nederlandse onderdaan. Op basis van deze overeenkomst bekomt de verzoekende partij een tijdelijke verblijfsvergunning die jaarlijks wordt verlengd. 1.
- Op 5 april 2002 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot voorlopig verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 1.
- Op 9 oktober 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 13 december
- 1.
- Op 23 september 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 oktober
- Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de exceptie van laattijdigheid. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van laattijdigheid opwerpt, omdat het annulatieberoep tevens is gericht tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken van 9 oktober XIV-17.178-2/5 2002, waarbij de aanvraag van verzoekster om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk werd verklaard; dat vermits, voornoemde beslissing op 13 december 2002 aan verzoekster ter kennis werd gebracht, het annulatieberoep ratione temporis onontvankelijk is; Overwegende dat uit de samenlezing van het verzoekschrift met de memorie van wederantwoord blijkt dat het annulatieberoep enkel is gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken van 23 september 2003, ter kennis gebracht aan verzoekster op 6 oktober 2003 en niet tegen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken van 9 oktober 2002; dat verzoekster wat voorafgaat beaamt in haar memorie van wederantwoord; dat bijgevolg de exceptie van laattijdigheid ingeroepen door de verwerende partij feitelijke grondslag mist en wordt verworpen;
- Over de gegrondheid van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoekster een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “(...) Het eerste en enig middel is gesteund op een schending van de motiveringsplicht; Dat wat de motivatie betreft, de beslissing van 23/09/2003 enkel verwijst naar artikel 7 §1 en 2 van de wet van 15 december
- Het zuiver verwijzen naar een bepaling van de Wet kan moeilijk als een motivatie beschouwd worden. Minstens mag verwacht worden dat de administratie aangeeft waar juist de verzoekster tekort komt, hetgeen niet gedaan werd. (...)”. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het middel van verzoekster “onvoldoende duidelijk en niet precies (werd) omschreven”, en “dat geen geschonden geachte rechtsregel (...) (werd) aangeduid”; dat de verwerende partij aanvoert dat “deze omschrijving (...) bij elk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State noodzakelijk (is) opdat er sprake zou kunnen zijn van een ‘middel’ in de zin van art. 2, § 1, 2/ Algemeen Procedurereglement”; dat de verwerende partij stelt dat, wanneer een bepaalde rechtstoestand, zoals in casu, met meerdere rechtsregels in verband kan worden gebracht, verzoekster de door haar geschonden geachte rechtsregel(s) specifiek dient aan te duiden; dat de verwerende partij daaraan toevoegt dat verzoekster niet aan deze voorwaarde voldoet, zodat het enig middel in rechte niet afdoende is onderbouwd; dat de verwerende partij besluit dat het enig middel onontvankelijk is; dat de verwerende partij, wat de grond van de zaak betreft, uiteenzet dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende is gemotiveerd, vermits zowel de juridische als de feitelijke grondslag erin worden vermeld; dat het normdoel dat aan de formele motiveringsplicht ten grondslag ligt, is bereikt; XIV-17.178-3/5 3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat er geen inbreuk is op de motiveringsplicht op het ogenblik dat men kan onderscheiden welke argumentatie wordt weerhouden; dat de verwerende partij aanvoert dat “wanneer een argumentatie flagrant ingaat tegen andere informatie en verkeerdelijk wordt gesteld (...) verzoekster (dient) te kunnen antwoorden op de inhoud van de argumentatie voor de Raad van State”; dat verzoekster stelt dat “oordelen dat er geen inbreuk zou zijn op de motiveringsplicht, vermits concluante over de argumentatie werd ingelicht, zou kunnen leiden tot willekeur, daar waar het een vrijbrief geeft om te argumenteren tegen de werkelijkheid in, zolang men de argumenten maar verstaat.”; 3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat het beroep tot nietigverklaring enkel is gericht tegen voornoemd bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat verzoekster ten onrechte stelt dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten niet afzonderlijk werd gemotiveerd; dat de bestreden beslissing wel degelijk een eigen motivering bevat, met name dat verzoekster “langer in het Rijk (verblijft) dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of (...) er niet in (slaagt) het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreven (overschreden) werd”; dat verzoekster deze motieven niet aanvecht; dat de motivering pertinent terzake dienend en afdoende is; Overwegende dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-17.178-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-17.178-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.