← België

Arrest 159016 - - 18/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.016 Rolnummer: A. 114532/XIV-7758 Zaak: Arrest 159016 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 19:42 Fiche Arrest nr 159.016 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.016 van 18 mei 2006 in de zaak A.114.532/XIV-7758. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Fr. Rooseveltlaan 156 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 april 1961 en van Armeense nationaliteit, op 6 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 november 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op 21 december 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 23 december 2004; XIV-7758-1/11 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 23 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 13 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 7 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde het Armeens staatsburgerschap te bezitten en stelde dat uw vader tewerkgesteld was als journalist bij de krant ‘Ardashat’. Als lid van de Communistische Partij uitte hij kritiek op de autoriteiten en ‘HHsh’ ( de toenmalige regeringspartij) waardoor hij last XIV-7758-2/11 kreeg met de burgemeester van Ardashat, Hovik Abrahamian. Deze laatste werd in 1997 gouverneur. Op 8 januari 1998 werd uw vader vermoord. U en uw moeder dienden tevergeefs klacht in bij de lokale procureur en de procureur van de republiek. Vanaf de periode april/mei 1998 ontvingen jullie thuis dreigtelefoons. Op 2 mei 1999 kon uw echtgenote (L. G.,) een ontvoering van twee van uw kinderen verijdelen. In de nacht van 10 mei 1999 werd uw woning door onbekenden onder vuur genomen. In hoofde van uw beroepsactiviteiten als politieagent diende u toezicht te houden op het verloop van de lokale verkiezingen van 14 november 1999 te Vostan. Uw chef had voordien de opdracht gegeven om de verkiezing van Seiran Nasarjan(kandidaat voor HHsh) te bewerkstelligen ten nadele van Martin Zakarjan (kandidaat voor AIM) door de invloed die u had als wijkagent te Vostan aan te wenden. U weigerde hier op in te gaan en de dag van de verkiezingen hield u iemand tegen die stembiljetten voor Nasarjan in de bus wou werpen. Een halfuur later werd u door de lijfwachten van gouverneur Abrahamian meegenomen naar diens kantoor. Ook uw chef was er aanwezig. U werd er bedreigd en geslagen door de lijfwachten waarna u verplicht werd terug te keren naar het stembureau. Na uw dienst diende u als gevolg van dit incident één week het bed te houden. Op 16 januari 2000 werd u opgeroepen omdat Seiran Nasarjan was vermoord. U werd ondervraagd over uw vermeende betrokkenheid bij de moord, hierbij werd u geslagen door de neef van gouverneur Abrahamian. Bij gebrek aan bewijzen werd u vrijgelaten. Vanaf 20 januari 2000 verborg u zich bij een vriend. Op 30 januari 2000 was er een poging uw vrouw te ontvoeren. Op 7 februari 2000 bracht uw vriend u hiervan op de hoogte. De volgende avond keerde u terug naar uw woning om samen met uw vrouw een uitweg te zoeken. Juist vóór uw woning werd u onder vuur genomen, niettemin slaagde u erin ongedeerd binnen te geraken. Via de buren belde u een collega op die u en uw familie naar uw zus G. te Erevan bracht. Van daaruit reisden jullie naar Lvov. Tien dagen later vertrokken jullie richting België. Op 23 februari 2000 boden u en uw echtgenote L. G., haar kind W. G. en jullie beider kinderen M. Y. en N. Y. zich aan bij de gebouwen van de Belgische asielinstanties. Dezelfde dag startten u enuw echtgenote er jullie asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een “vrees voor vervolging” in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Wat betreft de door u aangehaalde problemen omwille van het communistische verleden van uw vader, uw activiteiten binnen de Communistische Partij (waarvoor u als bewijs uw lidkaart met nummer 21507334 voorlegt) en de door u ondernomen stappen na de vermeende moord van uw vader dient het volgende te worden opgemerkt. Het is weinig aannemelijk dat zijn dood en uw problemen te wijten zouden zijn aan de problemen die leden van de Communistische Partij zouden hebben in Armenië. Weliswaar heeft de Communistische Partij in 1991 problemen ondervonden en werden haar activiteiten toen stopgezet, in april 1993 echter werd de Communistisch Partij officieel erkend door de Hoge Raad van de Republiek van Armenië. Bij de parlementsverkiezingen van 1995 behaalde de Communistische Partij zeven zetels, bij de perlementsverkiezingen (parlementsverkiezingen) van 1999 werden dit er tien. Verder blijkt uit deze informatie dat de Communistische Partij samenwerkt met Kocharian, de huidige president van Armenië, en dat een lid van de Communistische Partij tot in december 2000 minister was in de regering (cfr. Nouvelles d’Arménie, nr.54, juni 2000; lettre de l’UGAB, nr.216, dd. 4 april 1998; SWB, SU/3555 F/1, 8 juni 1999; Background paper on refugees and asylum seekers from Armenia, UNHCR, augustus 1995, p.10; http://www.agora.stm.it/elections/elections/ armenia.htm; Country Profile, Arménie, mars 2001, p.16). Uw verdere bewering als zou uw vader gedood zijn omwille van de kritiek die hij uitte op de regering in hoofde van zijn journalistieke activiteiten bij de krant Ardashat wordt met uitzondering van zijn journalisten- kaart (met nummer 2) –die echter op geen enkele manier uitsluitsel geeft over de daadwerkelijke journalistieke activiteiten van uw vader- door geen enkel element aangetoond: u brengt geen enkel bewijs aan aangaande de doodsoorzaak van uw vader, noch omtrent de vermeende klachten die u zou hebben ingediend bij de lokale procureur en de procureur van de republiek hierna. Evenmin hebt u gereageerd op de vraag van het Commissariaat-generaal naar krantenartikels waarin uw vader kritiek uitte op de regering (cfr. verhoorverslag Commissariaat- generaal dd. 25 april 2000, p.9 en dd. 22 mei 2000, p.2). Het door uw raadsman, Raf Quanten, neergelegde overlijdenscertificaat van uw vader brengt geen uitsluitsel omtrent de omstandigheden van zijn dood. Formele gebreken (onleesbaarheid van de stempels, datum van afgifte en nummer van inschrijving in de overlijdensakten) laten daarenboven niet toe om de authenticiteit van dit document na te gaan. In verband met de gebeurtenissen rond de verkiezingen te Vostan op 14 november 1999 en de moord op Seiran Nasarjan dient het volgende te worden vastgesteld. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de moord op Seiran Nasarjan geen verband hield met de verkiezingen van 14 november 1999. Hij zou immers zijn omgekomen in een conflict met zijn buur (cfr. informatie ‘International Foundation for Election Systems’, Erevan, dd. 26 april 2001). Uw bewering –als zou Nasarjan geld hebben betaald aan gouverneur Abrahamian om zijn verkiezing te bewerkstelligen, waarop deze laatste Nasarjan zou hebben laten vermoorden toen diens verkiezing niet was gelukt- doet de waarheid dus geweld aan. Tevens dient te worden vermeld dat u nooit officieel in beschuldiging werd gesteld van de moord op Nasarjan (cfr. Cg. dd. 22 mei 2000, p.5). XIV-7758-3/11 Gelet op het voorgaande is er bovendien geen enkel element om aan te nemen dat u niet over voldoende rechtsmiddelen zou kunnen beschikken, indien u daadwerkelijk in beschuldiging gesteld zou zijn van de moord op Nasarjan. In het algemeen kan worden opgemerkt dat het ten zeerste bevreemdend is dat u –die naar eigen zeggen reeds sinds april, mei 1998 problemen zou hebben gehad met de autoriteiten omwille van de door u ingediende klacht bij de procureur en daarna met de politiechef- de hele tijd in functie kon blijven. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er bezwaarlijk nog geloof worden gehecht aan de door u aangehaalde poging tot ontvoering van uw kinderen, aanslag op uw woning, poging tot ontvoering van uw echtgenote en de aanslag op uzelf toen u uw woning wou binnengaan op 8 februari 2000 en de vele dreigtelefoons die jullie zouden hebben ontvangen, aangezien deze feiten in verband staan met de (reeds ontkrachte) hierboven vermelde gebeurtenissen. Alsook dient te worden vermeld dat tegenstrijdigheden in uw verklaringen voor de verschillende asielinstanties (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal) de geloofwaardigheid van uw vervolgingsrelaas ondermijnen. In verband met het incident op 14 november 1999 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de persoon die stembriefjes in de stembus wilde gooien onmiddellijk door de veiligheidsmensen van Zakarjan Martin werd opgepakt (cfr. verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 23 februari 2000, p.46). Tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal stelde u echter dat die persoon werd meegetrokken door aanhangers van Nasarjan. Toen u door de interviewer van het Commissariaat-generaal werd gevraagd of personen van AIM hem niet konden tegenhouden antwoordde u enkel dat de stembiljetten niet in de stembus waren gevallen en dat AIM neutraal wilde blijven (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, pp.6-7). Nog in verband met de gebeurtenissen rond de verkiezingen verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u een halfuur na het incident telefonisch werd opgeroepen om u aan te bieden op het kabinet van gouverneur Abrahamian (cfr. verslag DVZ p.46) terwijl u voor het Commissariaat-generaal beweerde dat de lijfwachten van Abrahamian u kwamen halen en meenamen naar het kantoor van de gouverneur (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, p.6). Omtrent de gebeurtenissen die zich afspeelden nadat u in elkaar was geslagen door de lijfwachten van Abrahamian verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken: ‘De volgende dag ging ik naar het werk, hoewel ik mij zeer slecht voelde. Maar ik durfde niet thuis te blijven.’ (cfr. verslag DVZ, p.46). Voor het Commissariaat-generaal beweerde u daarentegen dat u na deze feiten één week het bed moest houden (cfr. Cg., dd. 25 april 2000, p.6). U verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er geen bewijzen tegen u waren in verband met de moord op Zakarjan, dat u mocht blijven werken en dat u op 8 februari 2000 terugkeerde van uw werk toen u werd beschoten (cfr. verslag DVZ, p.45). Uit uw verklaringen die u aflegde voor het Commissariaat-generaal blijkt echter dat u zich na uw vrijlating in januari 2000 ging verbergen bij uw vriend omdat de situatie te gevaarlijk was (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, p.7). Ook uw echtgenote verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u na uw vrijlating vertrok naar uw vriend N. en bij hem verbleef tot 8 februari 2000 (cfr. Cg. Lusik dd. 22 mei 2000, p.4). Aangaande de overige door u neergelegde documenten –met name uw paspoort (met nummer AE0447600), militair boekje (met nummer 4534723), huwelijksakte (met nummer 472644), rijbewijs (met nummer 011277), politiekaart (met nummer 021675), het document (met nummer 021404) omtrent uw activiteiten in bijberoep- brengen geen wijzigingen in de hierboven gedane vaststellingen aangezien ze enkel een bewijs leveren van uw identiteit, militaire dienstplicht, huwelijk en beroepsactiviteiten. Het door u voorgelegde document van de rechtbank van eerste aanleg (met onleesbaar nummer) waarin u een boete wordt opgelegd doet geen afbreuk aan bovenstaande bemerkingen aangezien de motivatie van het vonnis niet is vermeld. De overige door u voorgelegde documenten –geboorteaktes van Y. M. (met nummer ) en Y. N. (met nummer), een document aangaande de opleiding van uw zoon, paspoort (met nummer) en diploma (met nummer) van uw echtgenote- doen evenmin afbreuk aan voorgaande vaststellingen aangezien ze geen elementen aanbrengen ter staving van de door u ingeroepen problemen. Bij gebrek aan enig ander document is een controle van uw reisweg onmogelijk. (...).”. 2. Wat de gevolgde procedure betreft. Overwegende dat de Advocaat van verzoeker ter zitting verklaart dat hij namens zijn cliënt in de loop van de procedure afstand heeft gedaan van de vordering tot schorsing, opdat artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zou kunnen XIV-7758-4/11 worden toegepast en er memories zouden kunnen worden gewisseld, maar dat de Auditeur hiermee geen rekening heeft gehouden in zijn verslag; Overwegende dat uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de Advocaat van verzoeker op 3 maart 2003 naar de Hoofdgriffier van de Raad van State het volgende schrijft: “(...) Hierbij heb ik de eer u mee te delen dat ik werd geraadpleegd door de heer en mevrouw Yeritsyan in het kader van hun procedure voor de Raad van State, in opvolging van confrater Thierry Frankin. Met dit schrijven wensen mijn cliënten formeel afstand te doen van de procedure tot schorsing die door de vorige raadsman is gestart. Omwille van deportatie van de familie op 6 september 2002 naar Rusland, kunnen betrokkenen geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aantonen. De procedure tot nietigverklaring daarentegen moet wel verder gezet worden. Ik heb het uitdrukkelijk mandaat gekregen van de familie om hun belangen te behartigen. (...)”; Overwegende dat uit deze brief enkel blijkt dat de cliënten van Advocaat A. NAVASARTIAN afstand doen van de schorsingsprocedure; dat in deze brief niet wordt vermeld dat zij om de toepassing verzoeken van artikel 23 van voornoemd koninklijk besluit; dat de keuze van de procedure trouwens berust bij het Auditoraat, gelet op het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State; dat er bijgevolg geen aanleiding is om artikel 23 toe te passen en dat de procedure regelmatig wordt gevoerd op basis van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; 3. Over de grond van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste en een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals “de duidelijke verkeerde appreciatie en (...) (een) gebrek aan adequate motivatie”; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet aantoont in welke mate het asielrelaas van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond zou zijn, en stelt dat hij de elementen in het verzoekschrift zeer onredelijk apprecieert; dat verzoeker uiteenzet dat de “tegenpartij niet kan aantonen dat het verzoek van vertoger manifest ongegrond zou zijn omdat de vreemdeling niet onmiddellijk kan aantonen dat er een element zou bestaan van ernstige aanwijzingen van een gefundeerde vrees op vervolging in de zin van het Verdrag van Genève.”, en “dat uit het dossier blijkt dat zijn verklaringen niet zijn aangetast door tegenstrijdigheden, geen vaag karakter hebben, noch onprecies, confuus, stereotype, incoherent of inconsistent (zijn).”; dat verzoeker betoogt dat, “met betrekking tot de externe wettigheid, (...) noch het recht noch de feiten de verwerping van het dringend XIV-7758-5/11 beroep en de bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd 10 maart 2000, (ver)rechtvaardigen”, en dat, met betrekking tot de interne wettigheid, de motieven die geleid hebben tot de bestreden beslissing, onvoldoende zijn; dat verzoeker aanvoert dat de overwegingen van de bestreden beslissing de grieven die hij heeft geformuleerd, niet beantwoorden en dit zowel in het dringend beroep als tijdens het verhoor, dat de persoonlijke situatie van verzoeker en de appreciatie hiervan door de eerste tegenpartij niet blijkt uit de motivatie, en dat men in de motivering geen enkele overweging in feite of in rechte terugvindt die zou toelaten te stellen dat verzoeker de Belgische asielinstellingen en autoriteiten heeft proberen te misleiden; dat verzoeker tenslotte betoogt dat de Commissaris-generaal in de motivering verwijst naar documenten “die niet vrij zijn voor kritiek.”, en stelt dat hij “(zich) verbaast (...) over de geringe informatie die ter beschikking is in (

  1. de)documenten”; 3.1.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoeker onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - wat betreft verzoekers problemen omwille van het communistische verleden van zijn vader, zijn activiteiten binnen de Communistische Partij en de door hem ondernomen stappen na XIV-7758-6/11 de vermeende moord op zijn vader, het weinig aannemelijk is dat de dood van zijn vader en zijn problemen te wijten zouden zijn aan de problemen die leden van de Communistische Partij zouden hebben in Armenië; dat, hoewel zij in 1991 problemen heeft ondervonden en haar activiteiten werden stopgezet, de Communistisch Partij in april 1993 officieel werd erkend door de Hoge Raad van de Republiek van Armenië; dat zij bij de parlementsverkiezingen van 1995 zeven zetels behaalde, en tien bij de verkiezingen van 1999; dat de Communistische Partij samenwerkt met KOCHARIAN, de president van Armenië, en dat een lid van de Communistische Partij tot december 2000 minister was in de regering; - verzoekers bewering, als zou zijn vader gedood zijn omwille van de kritiek die hij als journalist uitte op de regering, door geen enkel element wordt aangetoond; dat verzoeker geen bewijs aanbrengt aangaande de doodsoorzaak van zijn vader, noch omtrent de vermeende klachten die hij zou hebben ingediend bij de lokale procureur en de procureur van de republiek; dat verzoeker evenmin heeft gereageerd op de vraag van het Commissariaat- generaal naar krantenartikels waarin zijn vader kritiek uitte op de regering; dat het overlijdenscertificaat, neergelegd door de raadsman van verzoeker, geen uitsluitsel brengt omtrent de omstandigheden van zijn dood; dat formele gebreken (onleesbaarheid van de stempels, datum van afgifte en nummer van inschrijving in de overlijdensakten) daarenboven niet toelaten om de authenticiteit van dit document na te gaan; - uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de moord op Seiran NASARJAN geen verband hield met de verkiezingen van 14 november 1999, maar dat hij zou zijn omgekomen in een conflict met zijn buur; dat verzoekers bewering, als zou NASARJAN geld hebben betaald aan gouverneur ABRAHAMIAN om zijn verkiezing te bewerkstelligen, waarop deze laatste NASARJAN zou hebben laten vermoorden toen diens verkiezing mislukte, niet geloofwaardig is; dat verzoeker bovendien nooit officieel in beschuldiging werd gesteld van de moord op NASARJAN; - gelet op het voorgaande, er geen enkele reden is om aan te nemen dat verzoeker niet over voldoende rechtsmiddelen zou beschikken indien hij daadwerkelijk voor de moord op NASARJAN in beschuldiging zou worden gesteld; - verzoeker, die naar eigen zeggen reeds sinds april-mei 1998 problemen zou hebben gehad met de autoriteiten omwille van de door hem ingediende klacht bij de procureur, de hele tijd in functie kon blijven; - gelet op het voorgaande, geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoeker aangehaalde poging tot ontvoering van zijn kinderen, de aanslag op zijn woning, de poging tot ontvoering van zijn echtgenote, de aanslag op hemzelf, evenals de vele dreigtelefoons die hij zou hebben ontvangen; Overwegende dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder XIV-7758-7/11 meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - de tegenstrijdigheden in de verklaringen die verzoeker voor de verschillende asielinstanties heeft afgelegd, de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; - verzoeker, in verband met het incident dat zich heeft voorgedaan op 14 november 1999, voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat de persoon die stembriefjes in de stembus wilde gooien, onmiddellijk werd opgepakt door de veiligheidsmensen van de heer ZAKARJAN; dat verzoeker tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat de persoon werd meegetrokken door aanhangers van de heer NASARJAN; dat verzoeker, toen hij door de interviewer van het Commissariaat-generaal werd gevraagd of personen van het AIM hem niet konden tegenhouden, enkel antwoordde dat de stembiljetten niet in de stembus waren gevallen en dat het AIM neutraal wilde blijven; - verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij een half uur na het incident telefonisch werd opgeroepen om zich aan te bieden op het kabinet van gouverneur ABRAHAMIAN; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat de lijfwachten van ABRAHAMIAN hem kwamen halen en meenamen naar het kantoor van de gouverneur; - verzoeker, met betrekking tot de gebeurtenissen die zich afspeelden nadat hij door de lijfwachten van ABRAHAMIAN in elkaar was geslagen, voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij de volgende dag naar zijn werk ging, hoewel hij zich zeer slecht voelde; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat hij na deze feiten gedurende één week bedlegerig was; - verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat er geen bewijzen waren tegen hem in verband met de moord op de heer ZAKARJAN, dat hij mocht blijven werken en dat hij op 8 februari 2000 terugkeerde van zijn werk toen hij werd beschoten; dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat hij zich na zijn vrijlating in januari 2000 ging verbergen bij een vriend omdat de situatie te gevaarlijk was; dat ook de echtgenote van verzoeker voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat verzoeker na zijn vrijlating vertrok naar een vriend en bij hem verbleef tot 8 februari 2000; Overwegende dat verzoeker geen concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag omdat verzoeker onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, en omdat zijn asielrelaas belangrijke tegenstrijdigheden bevat; dat XIV-7758-8/11 in de mate dat verzoeker de overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, blijkt dat verzoeker een verklaring post factum geeft, maar dat hij de tegenstrijdigheden niet ontkracht; dat van een kandidaat-vluchteling wordt verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente en gedetailleerde verklaringen aflegt; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met die inlichtingen die hij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd omtrent het verloop van het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker derhalve niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat, “met betrekking tot de externe wettigheid, (...) noch het recht noch de feiten de verwerping van het dringend beroep en de bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd 10 maart 2000, (ver)rechtvaardigen”, dat, met betrekking tot de interne wettigheid, hij daaraan toevoegt dat de motieven die geleid hebben tot de bestreden beslissing, niet volstaan, dat de overwegingen van de bestreden beslissing niet antwoorden op de grieven die hij heeft geformuleerd, en dat de Commissaris-generaal op geen enkel ogenblik bewijst dat hij de intentie had om bedrog te plegen in het kader van zijn asielaanvraag; Overwegende dat een manifeste wil om de Belgische overheden te bedriegen of te misleiden niet is vereist om in redelijkheid tot het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag te besluiten; dat verzoeker zich bovendien beperkt tot het formuleren van algemeenheden, hypothesen en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker niet concreet uitlegt waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens; dat verzoeker evenmin aangeeft op welke grieven de Commissaris-generaal niet zou hebben geantwoord; dat verzoeker het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat verzoeker tenslotte evenmin kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat de Commissaris-generaal in de motivering verwijst naar documenten “die niet vrij zijn voor kritiek.”, en stelt dat hij “(zich) verbaast (...) over de geringe informatie die ter beschikking is in (
  2. de)documenten”; Overwegende dat het gaat om een zevental documenten en rapporten afkomstig uit verschillende bronnen, waarvan de relevante delen zijn opgenomen in het administratief dossier; dat de beschikbare informatie geenszins een geringe betekenis heeft; dat verzoeker bovendien geen elementen aanbrengt om deze informatie te ontkrachten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; XIV-7758-9/11 Overwegende dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn; 4.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 32 van de Grondwet, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, en “van het algemeen beginsel van het recht op verdediging.”; 4.2. Overwegende dat verzoeker in dit middel aanvoert dat “een recht op beroep, zei (zij) het zelfs een ‘dringend beroep’ het recht moet inhouden om het administratief dossier te kunnen raadplegen.”; dat verzoeker stelt dat de inzage hem evenwel werd geweigerd; dat verzoeker uiteenzet dat deze weigering onwettig is, en “in strijd (
  3. is)met het beginsel van de ‘administratieve transparantie’ dat een grondwettelijk beginsel is, gedefinieerd en in werk gesteld (...) door de wet van april 1994.”; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de toegang tot het administratief dossier een essentiële voorwaarde is om het recht van verdediging te kunnen garanderen; 4.3. Overwegende dat artikel 32 van de Grondwet aan eenieder het basisrecht verleent om elk bestuursdocument te raadplegen; dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorziet in een specifieke procedure die verzoeker niet heeft gevolgd, zodat verzoeker de eventuele schending van het inzagerecht niet dienstig kan aanvoeren; dat bovendien uit het administratief dossier niet blijkt dat de Advocaat van verzoeker geen toegang verkreeg tot het administratief dossier; dat enkel een brief d.d. 22 november 2001 van de toenmalige Advocaat van verzoeker voorligt, waarin hij meedeelt dat hij op vrijdag 23 november 2001 het dossier wenst te raadplegen en de gevraagde kopies wenst af te halen; dat niet blijkt of de Advocaat zich ooit heeft aangemeld op het Commissariaat-generaal en dat evenmin een weigeringsbeslissing in dit verband van het Commissariaat-generaal voorligt; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de rechten van verdediging betreft, vaststaat dat de procedure voor de Commissaris-generaal geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve procedure; dat de rechten van verdediging vooralsnog niet onverkort van toepassing zijn op beslissingen die worden genomen in het kader van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 5. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, XIV-7758-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-7758-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.016 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.