id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.016 Rolnummer: A. 114532/XIV-7758 Zaak: Arrest 159016 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 19:42 Fiche Arrest nr 159.016 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.016 van 18 mei 2006 in de zaak A.114.532/XIV-7758. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Fr. Rooseveltlaan 156 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 april 1961 en van Armeense nationaliteit, op 6 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 november 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op 21 december 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 23 december 2004; XIV-7758-1/11 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 23 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 13 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 7 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde het Armeens staatsburgerschap te bezitten en stelde dat uw vader tewerkgesteld was als journalist bij de krant ‘Ardashat’. Als lid van de Communistische Partij uitte hij kritiek op de autoriteiten en ‘HHsh’ ( de toenmalige regeringspartij) waardoor hij last XIV-7758-2/11 kreeg met de burgemeester van Ardashat, Hovik Abrahamian. Deze laatste werd in 1997 gouverneur. Op 8 januari 1998 werd uw vader vermoord. U en uw moeder dienden tevergeefs klacht in bij de lokale procureur en de procureur van de republiek. Vanaf de periode april/mei 1998 ontvingen jullie thuis dreigtelefoons. Op 2 mei 1999 kon uw echtgenote (L. G.,) een ontvoering van twee van uw kinderen verijdelen. In de nacht van 10 mei 1999 werd uw woning door onbekenden onder vuur genomen. In hoofde van uw beroepsactiviteiten als politieagent diende u toezicht te houden op het verloop van de lokale verkiezingen van 14 november 1999 te Vostan. Uw chef had voordien de opdracht gegeven om de verkiezing van Seiran Nasarjan(kandidaat voor HHsh) te bewerkstelligen ten nadele van Martin Zakarjan (kandidaat voor AIM) door de invloed die u had als wijkagent te Vostan aan te wenden. U weigerde hier op in te gaan en de dag van de verkiezingen hield u iemand tegen die stembiljetten voor Nasarjan in de bus wou werpen. Een halfuur later werd u door de lijfwachten van gouverneur Abrahamian meegenomen naar diens kantoor. Ook uw chef was er aanwezig. U werd er bedreigd en geslagen door de lijfwachten waarna u verplicht werd terug te keren naar het stembureau. Na uw dienst diende u als gevolg van dit incident één week het bed te houden. Op 16 januari 2000 werd u opgeroepen omdat Seiran Nasarjan was vermoord. U werd ondervraagd over uw vermeende betrokkenheid bij de moord, hierbij werd u geslagen door de neef van gouverneur Abrahamian. Bij gebrek aan bewijzen werd u vrijgelaten. Vanaf 20 januari 2000 verborg u zich bij een vriend. Op 30 januari 2000 was er een poging uw vrouw te ontvoeren. Op 7 februari 2000 bracht uw vriend u hiervan op de hoogte. De volgende avond keerde u terug naar uw woning om samen met uw vrouw een uitweg te zoeken. Juist vóór uw woning werd u onder vuur genomen, niettemin slaagde u erin ongedeerd binnen te geraken. Via de buren belde u een collega op die u en uw familie naar uw zus G. te Erevan bracht. Van daaruit reisden jullie naar Lvov. Tien dagen later vertrokken jullie richting België. Op 23 februari 2000 boden u en uw echtgenote L. G., haar kind W. G. en jullie beider kinderen M. Y. en N. Y. zich aan bij de gebouwen van de Belgische asielinstanties. Dezelfde dag startten u enuw echtgenote er jullie asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een “vrees voor vervolging” in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Wat betreft de door u aangehaalde problemen omwille van het communistische verleden van uw vader, uw activiteiten binnen de Communistische Partij (waarvoor u als bewijs uw lidkaart met nummer 21507334 voorlegt) en de door u ondernomen stappen na de vermeende moord van uw vader dient het volgende te worden opgemerkt. Het is weinig aannemelijk dat zijn dood en uw problemen te wijten zouden zijn aan de problemen die leden van de Communistische Partij zouden hebben in Armenië. Weliswaar heeft de Communistische Partij in 1991 problemen ondervonden en werden haar activiteiten toen stopgezet, in april 1993 echter werd de Communistisch Partij officieel erkend door de Hoge Raad van de Republiek van Armenië. Bij de parlementsverkiezingen van 1995 behaalde de Communistische Partij zeven zetels, bij de perlementsverkiezingen (parlementsverkiezingen) van 1999 werden dit er tien. Verder blijkt uit deze informatie dat de Communistische Partij samenwerkt met Kocharian, de huidige president van Armenië, en dat een lid van de Communistische Partij tot in december 2000 minister was in de regering (cfr. Nouvelles d’Arménie, nr.54, juni 2000; lettre de l’UGAB, nr.216, dd. 4 april 1998; SWB, SU/3555 F/1, 8 juni 1999; Background paper on refugees and asylum seekers from Armenia, UNHCR, augustus 1995, p.10; http://www.agora.stm.it/elections/elections/ armenia.htm; Country Profile, Arménie, mars 2001, p.16). Uw verdere bewering als zou uw vader gedood zijn omwille van de kritiek die hij uitte op de regering in hoofde van zijn journalistieke activiteiten bij de krant Ardashat wordt met uitzondering van zijn journalisten- kaart (met nummer 2) –die echter op geen enkele manier uitsluitsel geeft over de daadwerkelijke journalistieke activiteiten van uw vader- door geen enkel element aangetoond: u brengt geen enkel bewijs aan aangaande de doodsoorzaak van uw vader, noch omtrent de vermeende klachten die u zou hebben ingediend bij de lokale procureur en de procureur van de republiek hierna. Evenmin hebt u gereageerd op de vraag van het Commissariaat-generaal naar krantenartikels waarin uw vader kritiek uitte op de regering (cfr. verhoorverslag Commissariaat- generaal dd. 25 april 2000, p.9 en dd. 22 mei 2000, p.2). Het door uw raadsman, Raf Quanten, neergelegde overlijdenscertificaat van uw vader brengt geen uitsluitsel omtrent de omstandigheden van zijn dood. Formele gebreken (onleesbaarheid van de stempels, datum van afgifte en nummer van inschrijving in de overlijdensakten) laten daarenboven niet toe om de authenticiteit van dit document na te gaan. In verband met de gebeurtenissen rond de verkiezingen te Vostan op 14 november 1999 en de moord op Seiran Nasarjan dient het volgende te worden vastgesteld. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de moord op Seiran Nasarjan geen verband hield met de verkiezingen van 14 november 1999. Hij zou immers zijn omgekomen in een conflict met zijn buur (cfr. informatie ‘International Foundation for Election Systems’, Erevan, dd. 26 april 2001). Uw bewering –als zou Nasarjan geld hebben betaald aan gouverneur Abrahamian om zijn verkiezing te bewerkstelligen, waarop deze laatste Nasarjan zou hebben laten vermoorden toen diens verkiezing niet was gelukt- doet de waarheid dus geweld aan. Tevens dient te worden vermeld dat u nooit officieel in beschuldiging werd gesteld van de moord op Nasarjan (cfr. Cg. dd. 22 mei 2000, p.5). XIV-7758-3/11 Gelet op het voorgaande is er bovendien geen enkel element om aan te nemen dat u niet over voldoende rechtsmiddelen zou kunnen beschikken, indien u daadwerkelijk in beschuldiging gesteld zou zijn van de moord op Nasarjan. In het algemeen kan worden opgemerkt dat het ten zeerste bevreemdend is dat u –die naar eigen zeggen reeds sinds april, mei 1998 problemen zou hebben gehad met de autoriteiten omwille van de door u ingediende klacht bij de procureur en daarna met de politiechef- de hele tijd in functie kon blijven. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er bezwaarlijk nog geloof worden gehecht aan de door u aangehaalde poging tot ontvoering van uw kinderen, aanslag op uw woning, poging tot ontvoering van uw echtgenote en de aanslag op uzelf toen u uw woning wou binnengaan op 8 februari 2000 en de vele dreigtelefoons die jullie zouden hebben ontvangen, aangezien deze feiten in verband staan met de (reeds ontkrachte) hierboven vermelde gebeurtenissen. Alsook dient te worden vermeld dat tegenstrijdigheden in uw verklaringen voor de verschillende asielinstanties (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal) de geloofwaardigheid van uw vervolgingsrelaas ondermijnen. In verband met het incident op 14 november 1999 verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de persoon die stembriefjes in de stembus wilde gooien onmiddellijk door de veiligheidsmensen van Zakarjan Martin werd opgepakt (cfr. verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 23 februari 2000, p.46). Tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal stelde u echter dat die persoon werd meegetrokken door aanhangers van Nasarjan. Toen u door de interviewer van het Commissariaat-generaal werd gevraagd of personen van AIM hem niet konden tegenhouden antwoordde u enkel dat de stembiljetten niet in de stembus waren gevallen en dat AIM neutraal wilde blijven (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, pp.6-7). Nog in verband met de gebeurtenissen rond de verkiezingen verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u een halfuur na het incident telefonisch werd opgeroepen om u aan te bieden op het kabinet van gouverneur Abrahamian (cfr. verslag DVZ p.46) terwijl u voor het Commissariaat-generaal beweerde dat de lijfwachten van Abrahamian u kwamen halen en meenamen naar het kantoor van de gouverneur (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, p.6). Omtrent de gebeurtenissen die zich afspeelden nadat u in elkaar was geslagen door de lijfwachten van Abrahamian verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken: ‘De volgende dag ging ik naar het werk, hoewel ik mij zeer slecht voelde. Maar ik durfde niet thuis te blijven.’ (cfr. verslag DVZ, p.46). Voor het Commissariaat-generaal beweerde u daarentegen dat u na deze feiten één week het bed moest houden (cfr. Cg., dd. 25 april 2000, p.6). U verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er geen bewijzen tegen u waren in verband met de moord op Zakarjan, dat u mocht blijven werken en dat u op 8 februari 2000 terugkeerde van uw werk toen u werd beschoten (cfr. verslag DVZ, p.45). Uit uw verklaringen die u aflegde voor het Commissariaat-generaal blijkt echter dat u zich na uw vrijlating in januari 2000 ging verbergen bij uw vriend omdat de situatie te gevaarlijk was (cfr. Cg. dd. 25 april 2000, p.7). Ook uw echtgenote verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u na uw vrijlating vertrok naar uw vriend N. en bij hem verbleef tot 8 februari 2000 (cfr. Cg. Lusik dd. 22 mei 2000, p.4). Aangaande de overige door u neergelegde documenten –met name uw paspoort (met nummer AE0447600), militair boekje (met nummer 4534723), huwelijksakte (met nummer 472644), rijbewijs (met nummer 011277), politiekaart (met nummer 021675), het document (met nummer 021404) omtrent uw activiteiten in bijberoep- brengen geen wijzigingen in de hierboven gedane vaststellingen aangezien ze enkel een bewijs leveren van uw identiteit, militaire dienstplicht, huwelijk en beroepsactiviteiten. Het door u voorgelegde document van de rechtbank van eerste aanleg (met onleesbaar nummer) waarin u een boete wordt opgelegd doet geen afbreuk aan bovenstaande bemerkingen aangezien de motivatie van het vonnis niet is vermeld. De overige door u voorgelegde documenten –geboorteaktes van Y. M. (met nummer ) en Y. N. (met nummer), een document aangaande de opleiding van uw zoon, paspoort (met nummer) en diploma (met nummer) van uw echtgenote- doen evenmin afbreuk aan voorgaande vaststellingen aangezien ze geen elementen aanbrengen ter staving van de door u ingeroepen problemen. Bij gebrek aan enig ander document is een controle van uw reisweg onmogelijk. (...).”. 2. Wat de gevolgde procedure betreft. Overwegende dat de Advocaat van verzoeker ter zitting verklaart dat hij namens zijn cliënt in de loop van de procedure afstand heeft gedaan van de vordering tot schorsing, opdat artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zou kunnen XIV-7758-4/11 worden toegepast en er memories zouden kunnen worden gewisseld, maar dat de Auditeur hiermee geen rekening heeft gehouden in zijn verslag; Overwegende dat uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de Advocaat van verzoeker op 3 maart 2003 naar de Hoofdgriffier van de Raad van State het volgende schrijft: “(...) Hierbij heb ik de eer u mee te delen dat ik werd geraadpleegd door de heer en mevrouw Yeritsyan in het kader van hun procedure voor de Raad van State, in opvolging van confrater Thierry Frankin. Met dit schrijven wensen mijn cliënten formeel afstand te doen van de procedure tot schorsing die door de vorige raadsman is gestart. Omwille van deportatie van de familie op 6 september 2002 naar Rusland, kunnen betrokkenen geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aantonen. De procedure tot nietigverklaring daarentegen moet wel verder gezet worden. Ik heb het uitdrukkelijk mandaat gekregen van de familie om hun belangen te behartigen. (...)”; Overwegende dat uit deze brief enkel blijkt dat de cliënten van Advocaat A. NAVASARTIAN afstand doen van de schorsingsprocedure; dat in deze brief niet wordt vermeld dat zij om de toepassing verzoeken van artikel 23 van voornoemd koninklijk besluit; dat de keuze van de procedure trouwens berust bij het Auditoraat, gelet op het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State; dat er bijgevolg geen aanleiding is om artikel 23 toe te passen en dat de procedure regelmatig wordt gevoerd op basis van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; 3. Over de grond van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste en een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals “de duidelijke verkeerde appreciatie en (...) (een) gebrek aan adequate motivatie”; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet aantoont in welke mate het asielrelaas van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond zou zijn, en stelt dat hij de elementen in het verzoekschrift zeer onredelijk apprecieert; dat verzoeker uiteenzet dat de “tegenpartij niet kan aantonen dat het verzoek van vertoger manifest ongegrond zou zijn omdat de vreemdeling niet onmiddellijk kan aantonen dat er een element zou bestaan van ernstige aanwijzingen van een gefundeerde vrees op vervolging in de zin van het Verdrag van Genève.”, en “dat uit het dossier blijkt dat zijn verklaringen niet zijn aangetast door tegenstrijdigheden, geen vaag karakter hebben, noch onprecies, confuus, stereotype, incoherent of inconsistent (zijn).”; dat verzoeker betoogt dat, “met betrekking tot de externe wettigheid, (...) noch het recht noch de feiten de verwerping van het dringend XIV-7758-5/11 beroep en de bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd 10 maart 2000, (ver)rechtvaardigen”, en dat, met betrekking tot de interne wettigheid, de motieven die geleid hebben tot de bestreden beslissing, onvoldoende zijn; dat verzoeker aanvoert dat de overwegingen van de bestreden beslissing de grieven die hij heeft geformuleerd, niet beantwoorden en dit zowel in het dringend beroep als tijdens het verhoor, dat de persoonlijke situatie van verzoeker en de appreciatie hiervan door de eerste tegenpartij niet blijkt uit de motivatie, en dat men in de motivering geen enkele overweging in feite of in rechte terugvindt die zou toelaten te stellen dat verzoeker de Belgische asielinstellingen en autoriteiten heeft proberen te misleiden; dat verzoeker tenslotte betoogt dat de Commissaris-generaal in de motivering verwijst naar documenten “die niet vrij zijn voor kritiek.”, en stelt dat hij “(zich) verbaast (...) over de geringe informatie die ter beschikking is in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.