← België

Arrest 159017 - - 18/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.017 Rolnummer: A. 114534/XIV-7759 Zaak: Arrest 159017 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 19:42 Fiche Arrest nr 159.017 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.017 van 18 mei 2006 in de zaak A.114.534/XIV-7759. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Fr. Rooseveltlaan 156 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 augustus 1962 en van Armeense nationaliteit, op 6 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 november 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 21 december 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 23 december 2004; XIV-7759-1/9 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 23 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 13 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 7 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde het Armeens staatsburgerschap te bezitten en stelde dat uw schoonvader op 8 januari 1998 werd vermoord. Uw echtgenoot A. (O.V. 4.934.047), werkzaam als politieman, diende samen met zijn moeder tevergeefs klacht in hiertegen. Thuis hebben jullie vanaf de XIV-7759-2/9 periode dat uw man en schoonmoeder klacht indienden verschillende dreigtelefoons ontvangen. Op 2 mei 1999 poogden drie mannen uw kinderen Martin en Norair te ontvoeren. Op 10 mei 1999 namen onbekenden uw woning onder vuur. Op 14 november 1999 werd uw echtgenoot in elkaar geslagen door de lijfwachten van gouverneur Abrahamian omdat hij zich met ‘een zaak zou hebben bemoeid’ tijdens de lokale verkiezingen die dag. Hij diende hierna een week het bed te houden. Op 16 januari 2000 werd één van de verliezende kandidaten voor het burgemeesterschap vermoord. Uw echtgenoot werd opgeroepen omdat de feiten zich in zijn werkgebied hadden afgespeeld. Hij werd er echter van beschuldigd zelf de moord te hebben gepleegd. Twee dagen later was hij terug thuis maar uit voorzorg besloot hij bij een vriend te gaan wonen. Op 30 januari 2000 konden buurtbewoners en omstaanders een poging om u te ontvoeren verijdelen. Op 8 februari 2000 keerde uw echtgenoot huiswaarts maar voordat hij het appartement kon binnengaan, werd hij beschoten. Hij kon aan de kogels ontsnappen, rende naar boven, nam u en de kinderen mee naar een buur vanwaar hij een collega opbelde die jullie naar Erevan bracht. Jullie verbleven er bij Gajane, de zus van uw echtgenoot. Twee dagen later reisden jullie per vliegtuig naar Lvov (Oekraïne) en van daaruit verder naar België. Op 23 februari 2000 boden u en uw echtgenoot Ashot , uw kind W. XXX en jullie beider kinderen Martin en Norayr zich aan bij de gebouwen van de Belgische asielinstanties. Dezelfde dag startten u en uw echtgenoot er jullie asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een “vrees voor vervolging” in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. In het algemeen dient te worden vastgesteld dat de door u aangehaalde problemen gerelateerd zijn aan het asielrelaas van uw echtgenoot Ashot (cfr. verhoorverslag Commissariaat-generaal dd. 22 mei 2000, p.2). Gezien de negatieve beslissing die in hoofde van diens asielaanvraag werd genomen, kan er ook voor u geen vermoeden van vrees voor vervolging worden vastgesteld. Een belangrijk hiaat in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 25 februari 2000) ondermijnt daarenboven de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. U maakte er immers geen melding van het feit dat er op 30 januari 2000 een poging zou zijn geweest om u te ontvoeren. Daarenboven was dit incident voor uw echtgenoot de directe aanleiding om huiswaarts te keren. Derhalve lijkt het weinig waarschijnlijk dat u van zo’n zwaarwichtig feit zou hebben vergeten melding te maken voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De door u neergelegde documenten –met name uw paspoort (met nummer AE0447602), uw huwelijksakte (met nummer 472644) en uw diploma (met nummer 017017)- doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen aangezien ze enkel een bewijs aanbrengen van uw identiteit, huwelijk en gevolgde studies. De overige door u en uw echtgenoot neergelegde documenten (zijn paspoort (met nummer AE0447600), militair boekje (met nummer 4534723), rijbewijs (met nummer 011277), politiekaart (met nummer 021675), de geboorteaktes van Martin (met nummer 338411) en Norayr (met nummer 498143) en het document (met nummer 021404) omtrent jullie activiteiten in bijberoep) brengen geen wijzigingen in de hierboven gedane vaststellingen aangezien ze enkel een bewijs leveren van de identiteit van uw man en kinderen, de militaire dienstplicht van uw man en jullie beroepsactiviteiten. Het voorgelegde document van de rechtbank van eerste aanleg (met onleesbaar nummer) waarin uw echtgenoot een boete wordt opgelegd doet geen afbreuk aan bovenstaande bemerkingen aangezien de motivatie van het vonnis niet is vermeld. De neergelegde journalistenkaart (met nummer 2) van uw schoonvader brengt geen bewijs aan van de artikels die hij zou hebben geschreven en waarvoor hij zou zijn vermoord. De voorgelegde lidkaart van de Communistische Partij (met nummer 21507334) van uw echtgenoot brengt evenmin bewijzen aan omtrent zijn daadwerkelijke activiteiten binnen deze politieke formatie. Het door uw raadsman, Raf Quanten, neergelegde overlijdenscertificaat van uw schoonvader brengt geen uitsluitsel omtrent de omstandigheden van zijn dood. Formele gebreken (onleesbaarheid van de stempels, datum van afgifte en nummer van inschrijving in de overlijdensakten) laten daarenboven niet toe om de authenticiteit van dit document na te gaan. Bij gebrek aan enig ander document is een controle van uw reisweg onmogelijk. (...).”. 2. Wat de gevolgde procedure betreft. Overwegende dat de Advocaat van verzoekster ter zitting verklaart dat hij namens zijn cliënte in de loop van de procedure afstand heeft gedaan van de vordering tot schorsing, opdat artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zou kunnen XIV-7759-3/9 worden toegepast en er memories zouden kunnen worden gewisseld, maar dat de Auditeur hiermee geen rekening heeft gehouden in zijn verslag; Overwegende dat uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de Advocaat van verzoekster op 3 maart 2003 naar de Hoofdgriffier van de Raad van State het volgende schrijft: “(...) Hierbij heb ik de eer u mee te delen dat ik werd geraadpleegd door de heer en mevrouw XXX in het kader van hun procedure voor de Raad van State, in opvolging van confrater Thierry Frankin. Met dit schrijven wensen mijn cliënten formeel afstand te doen van de procedure tot schorsing die door de vorige raadsman is gestart. Omwille van deportatie van de familie op 6 september 2002 naar Rusland, kunnen betrokkenen geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aantonen. De procedure tot nietigverklaring daarentegen moet wel verder gezet worden. Ik heb het uitdrukkelijk mandaat gekregen van de familie om hun belangen te behartigen. (...)”; Overwegende dat uit deze brief enkel blijkt dat de cliënten van Advocaat A. NAVASARTIAN afstand doen van de schorsingsprocedure; dat in deze brief niet wordt vermeld dat zij om de toepassing verzoeken van artikel 23 van voornoemd koninklijk besluit; dat de keuze van de procedure trouwens berust bij het Auditoraat, gelet op het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State; dat er bijgevolg geen aanleiding is om artikel 23 toe te passen en dat de procedure regelmatig wordt gevoerd op basis van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; 3. Over de grond van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste en een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals “de duidelijke verkeerde appreciatie en (...) (een) gebrek aan motivatie”; 3.1.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal niet aantoont in welke mate het asielrelaas van verzoekster manifest ongegrond zou zijn, en stelt dat hij de elementen in het verzoekschrift zeer onredelijk apprecieert; dat verzoekster uiteenzet dat de “tegenpartij niet kan aantonen dat het verzoek van vertoogster manifest ongegrond zou zijn omdat de vreemdeling niet onmiddellijk kan aantonen dat er een element zou bestaan van ernstige aanwijzingen van een gefundeerde vrees op vervolging in de zin van het Verdrag van Genève.”, en “dat uit het dossier blijkt dat haar verklaringen niet zijn aangetast door tegenstrijdigheden, geen vaag karakter hebben, noch onprecies, confuus, stereotype, incoherent of inconsistent (zijn).”; dat verzoekster betoogt dat, “met betrekking tot de externe wettigheid, (...) noch het recht noch de feiten de verwerping van het dringend XIV-7759-4/9 beroep en de bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd 10 maart 2000, (ver)rechtvaardigen”, en dat, met betrekking tot de interne wettigheid, de motieven die geleid hebben tot de bestreden beslissing, onvoldoende zijn; dat verzoekster aanvoert dat de overwegingen van de bestreden beslissing de grieven niet beantwoorden die zij heeft geformuleerd, en dit zowel in het dringend beroep als tijdens het verhoor; dat de persoonlijke situatie van verzoekster en de appreciatie hiervan door de eerste tegenpartij niet blijkt uit de motivatie, en dat men in de motivering geen enkele overweging in feite of in rechte terugvindt die zou toelaten te stellen dat verzoekster de Belgische asielinstellingen en autoriteiten heeft proberen te misleiden; dat verzoekster tenslotte betoogt dat de Commissaris-generaal in de motivering verwijst naar documenten “die niet vrij zijn voor kritiek.”, en stelt dat zij “(zich) verbaast (...) over de geringe informatie die ter beschikking is in (

  1. de)documenten”; 3.1.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris- XIV-7759-5/9 generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoekster onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - de problemen van verzoekster gebaseerd zijn op het asielrelaas van haar echtgenoot A ; dat, gelet op de negatieve beslissing die in hoofde van diens asielaanvraag werd genomen, ook voor verzoekster geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld; - een belangrijk hiaat in de verklaringen van verzoekster voor de Dienst Vreemdelingenzaken, de geloofwaardigheid van haar asielrelaas ondermijnt; dat verzoekster er immers geen melding maakte van het feit dat er op 30 januari 2000 een poging zou zijn geweest om haar te ontvoeren; dat dit incident voor haar echtgenoot bovendien de directe aanleiding was om huiswaarts te keren; dat het derhalve weinig waarschijnlijk is dat verzoekster zo’n zwaarwichtig feit zou vergeten te vermelden voor de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat verzoekster geen concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag omdat verzoekster onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar verzoekster de overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, blijkt dat verzoekster een verklaring post factum geeft, maar dat zij de tegenstrijdigheden niet ontkracht; dat van een kandidaat- vluchteling wordt verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente en gedetailleerde verklaringen aflegt; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoekster heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoekster het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat verzoekster geen opmerkingen heeft geformuleerd omtrent het verloop van het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat verzoekster derhalve niet kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat, “met betrekking tot de externe wettigheid, (...) noch het recht noch de feiten de verwerping van het dringend beroep en de bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd 10 maart 2000, (ver)rechtvaardigen”, dat, met betrekking tot de interne wettigheid, zij daaraan toevoegt dat de motieven die geleid hebben tot de bestreden beslissing, niet volstaan, dat de overwegingen van de bestreden beslissing niet antwoorden op de grieven die zij heeft geformuleerd, en dat de Commissaris- XIV-7759-6/9 generaal op geen enkel ogenblik bewijst dat zij de intentie had om bedrog te plegen in het kader van haar asielaanvraag; Overwegende dat een manifeste wil om de Belgische overheden te bedriegen of te misleiden niet is vereist om in redelijkheid tot het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag te besluiten; dat verzoekster zich bovendien beperkt tot het formuleren van algemeenheden, hypothesen en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op haar persoonlijke situatie; dat verzoekster niet concreet uitlegt waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoekster haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens; dat verzoekster evenmin aangeeft op welke grieven de Commissaris-generaal niet zou hebben geantwoord; dat verzoekster het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat verzoekster tenslotte evenmin kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat de Commissaris-generaal in de motivering verwijst naar documenten “die niet vrij zijn voor kritiek.”, en stelt dat zij “(zich) verbaast (...) over de geringe informatie die ter beschikking is in (
  2. de)documenten”; Overwegende dat het gaat om een zevental documenten en rapporten afkomstig uit verschillende bronnen, waarvan de relevante delen zijn opgenomen in het administratief dossier; dat de beschikbare informatie geenszins een geringe betekenis heeft; dat verzoekster bovendien geen elementen aanbrengt om deze informatie te ontkrachten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn; 4.1. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van artikel 32 van de Grondwet, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, en “van het algemeen beginsel van het recht op verdediging.”; 4.2. Overwegende dat de verzoekster in dit middel aanvoert dat “een recht op beroep, zei (zij) het zelfs een ‘dringend beroep’ het recht moet inhouden om het administratief dossier te kunnen raadplegen.”; dat verzoekster stelt dat de inzage haar evenwel werd geweigerd; dat verzoekster uiteenzet dat deze weigering onwettig is, en “in strijd (
  3. is)met het beginsel van de ‘administratieve transparantie’ dat een grondwettelijk beginsel is, gedefinieerd en in werk(ing) gesteld (...) door de wet van april 1994.”; dat verzoekster tenslotte aanvoert dat de toegang tot het administratief dossier een essentiële voorwaarde is om het recht van verdediging te kunnen garanderen; XIV-7759-7/9 4.3. Overwegende dat artikel 32 van de Grondwet aan eenieder het basisrecht verleent om elk bestuursdocument te raadplegen; dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorziet in een specifieke procedure die verzoekster niet heeft gevolgd, zodat verzoekster de eventuele schending van het inzagerecht niet dienstig kan aanvoeren; dat bovendien uit het administratief dossier niet blijkt dat de Advocaat van verzoekster geen toegang verkreeg tot het administratief dossier; dat enkel een brief d.d. 22 november 2001 van de toenmalige Advocaat van verzoekster voorligt, waarin hij meedeelt dat hij op vrijdag 23 november 2001 het dossier wenst te raadplegen en de gevraagde kopies wenst af te halen; dat niet blijkt of de Advocaat zich ooit heeft aangemeld op het Commissariaat-generaal en dat evenmin een weigeringsbeslissing van het Commissariaat- generaal voorligt; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de rechten van verdediging betreft, vaststaat dat de procedure voor de Commissaris-generaal geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve procedure; dat de rechten van verdediging vooralsnog niet onverkort van toepassing zijn op beslissingen die worden genomen in het kader van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 5. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: XIV-7759-8/9 Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . D. MOONS. XIV-7759-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.