← België

Arrest 159020 - - 18/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.020 Rolnummer: A. 169624/XII-4626 Zaak: Arrest 159020 - - 18/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-29 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:43 Fiche Arrest nr 159.020 van 18 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.020 van 18 mei 2006 in de zaak A. 169.624/XII-

  1. In zake :
  2. Brigitte VERDICKT,
  3. Edwin NIEUWENBURG, die woonplaats kiezen bij advocaat S. Bulcke, kantoor houdende te Knesselare, Kloosterstraat 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Brigitte Verdickt en Edwin Nieuwen- burg op 20 januari 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 14 oktober 2005 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dat Edwin Nieuwenburg op datum van 4 februari 2004 moet worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Waasmunster, Nijverheidslaan 43, in het gezin van Brigitte Verdickt, komende van een afschrijving voor Nederland, en dat hij vervolgens op datum van 11 december 2004 moet worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Berlare, Loereveldstraat 80, in het gezin van Brigitte Verdickt, komende van de Nijverheidslaan 43 te Waasmunster; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2006; XII-4626-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Bulcke, die verschijnt voor verzoekers, en van attaché F. Verduyn, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat tweede verzoeker, de Nederlandse nationaliteit hebbend, op 19 februari 2003 uit het bevolkingsregister van Lokeren wordt afgevoerd voor inschrijving in Nederland; dat met een verslag van 22 september 2003 de politie van de zone Hamme/Waasmunster aan het ministerie van Binnenlandse Zaken meedeelt dat het college van burgemeester en schepenen van Waasmunster op 25 augustus 2003 het onderzoek tot ambtshalve inschrijving van tweede verzoeker in het bevolkingsregis- ter, op het adres Nijverheidslaan 43, “ongunstig behandeld” heeft; dat, na een onderzoek door de bevolkingsinspectie van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, de minister van Binnenlandse Zaken op 14 oktober 2005 beslist om tweede verzoeker op datum van 4 februari 2004 in te schrijven in het bevolkingsregister van Waasmunster, Nijverheidslaan 43, en op datum van 11 december 2004 in het bevolkingsregister van Berlare, Loereveldstraat 80, telkens in het gezin van eerste verzoekster; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat in het verzoekschrift wordt aangevoerd wat volgt : “- Naar aanleiding van de verplicht inschrijving van tweede verzoeker op het adres van tweede verzoeker [lees : eerste verzoekster] zal zij als gevolg van deze inschrijving niet meer als alleenstaande worden beschouwd. Het hoeft geen betoog dat de verplichte inschrijving van tweede verzoeker op het adres van eerste verzoekster ernstige fiscale en financiële gevolgen voor haar met zich brengt. Ook XII-4626-2/5 allerlei andere administraties hebben de informatie uit de bevolkingsregisters als formeel aanknopingsbron of element. - Hetzelfde kan gezegd worden van tweede verzoeker. Bijkomstig ernstig nadeel voor hem is dat wanneer hij zowel in de bevolkingsregisters te Nederland als in België ingeschreven zou zijn, hij hierdoor fiscaal wellicht twee maal zal worden getaxeerd. Het hoeft wederom geen betoog dat dit ernstige financiële nadelen voor tweede verzoeker met zich brengt die moeilijk te herstellen zijn. - Een bijkomend ernstig nadeel voor eerste verzoekster is dat door de verplichte inschrijving van tweede verzoeker op haar adres, zij op kwestieus en haar eventueel volgende adres(sen) in rechte kan worden aangesproken en gedagvaard. Dat zij kan worden gedagvaard en aangesproken op haar adres is niet als een ernstig nadeel te beschouwen. Echter kan ook een eventuele uitvoering van vonnissen op haar adres geschieden. Tweede verzoeker is een Nederlandse zakenman met wie zij weliswaar een relatie heeft, doch zij wenst met haar beperkte middelen niet in te staan voor de betaling van zijn eventuele persoonlijke en zakelijke schulden, laat staan dat zij bereid zou zijn om haar meubelen en bezittingen als onderpand af te staan. Indien verzoeker zou ingeschreven worden op haar adres zal dit de facto het geval zijn. Het hoeft geen betoog dat wanneer dergelijke situatie zich voordoet, en zij berooid achter blijft, zij dit wellicht niet of toch alleszins slechts mits grote moeite zal kunnen rechtzetten. - Psychologisch zwaar en dus nadelig voor tweede verzoeker is dat hij als Nederlander, in Nederland wonende door de Belgische Overheid wordt verplicht om een inschrijving te nemen bij zijn Belgische vriendin en eerste verzoekster, wiens huidige en toekomstige financiële situatie hij hiermee hypothekeert. De prijs van de liefde lijkt hem in deze al te hoog. Een mogelijks einde van de relatie omwille van deze verplichte inschrijving lijkt in zijn hoofde nog het ernstigste nadeel te zijn hetwelk wellicht helemaal niet 'herstelbaar' is”; Overwegende dat, blijkens die uiteenzetting, zowel de eerste verzoekster als de tweede verzoeker een dubbel nadeel riskeren; dat de eerste verzoekster in essentie vreest voor, eensdeels, “ernstige fiscale en financiële gevolgen” doordat zij niet meer als alleenstaande zal worden beschouwd en, anderdeels, voor de “eventuele uitvoering van vonnissen” met betrekking tot de “eventuele persoonlijke en zakelijk schulden” van tweede verzoeker; dat de tweede verzoeker blijkt te vrezen, eensdeels, voor fiscale en financiële gevolgen doordat hij niet meer als een alleenstaan- de wordt beschouwd en doordat hij “wellicht tweemaal zal worden getaxeerd” en, anderdeels, voor het einde van zijn relatie met eerste verzoekster; Overwegende, aangaande de beweerde fiscale en financiële gevolgen voor verzoekers, dat met de verwerende partij, in de nota, moet worden vastgesteld dat hun omvang niet nader omschreven wordt; dat de Raad met andere woorden volkomen het raden heeft naar hun grootte en het betreffende nadeel dan ook bezwaarlijk het predikaat “ernstig” in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan toebedelen; dat eveneens terecht de verwerende partij er op wijst dat een pecuniair nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is; dat het XII-4626-3/5 uitzonderlijk weliswaar anders kan zijn, maar die uitzonderlijke omstandigheden te dezen niet aannemelijk worden gemaakt; Overwegende, wat inzonderheid het gevaar betreft dat tweede verzoeker “wellicht” twee maal zal worden getaxeerd, dat die mogelijkheid niet zo evident is dat hij op geen enkele wijze hoeft onderbouwd te worden om geloofwaardig te zijn; dat de verklaring van de raadsman van verzoekers dat hij geen fiscalist is en evenmin een grondig fiscaal onderzoek heeft uitgevoerd, voor dit tekort aan staving geen geldige verontschuldiging vormt; dat de verklaring integendeel de al bestaande scepsis ter zake juist aanscherpt; dat, hoe dan ook, wie een nadeel in aanmerking genomen wil zien worden, dat nadeel voldoende overtuigend moet beargumenteren en documenteren; dat dit hier niet gebeurt, zelfs niet ter terechtzitting -voor zoveel dat dan nog tijdig zou hebben gekund- in antwoord op het verweer in de nota dat de bewering in verband met de dubbele belasting “kant, noch wal” raakt aangezien niemand kan worden ingeschreven in de bevolkingsregisters op twee verschillende plaatsen; dat het gevaar om “wellicht” in België en in Nederland belast te worden vooralsnog alleen een loze veronderstelling lijkt; Overwegende dat verzoekers niet voldoende duidelijk en concreet aantonen dat de bestreden beslissing riskeert fiscale en financiële gevolgen mee te brengen die voor hen een ernstig en een moeilijk te herstellen nadeel kunnen uitmaken; Overwegende dat ook de “eventuele” tenuitvoerlegging, op de bezittingen van eerste verzoekster, van vonnissen met betrekking tot de “eventuele” schulden van tweede verzoeker niet als een ernstig en moeilijk herstelbaar nadeel kan worden aanzien; dat, alweer bij gebreke aan nadere verduidelijking, verwerende partij wordt bijgevallen waar zij in het nadeel niet meer dan een “louter hypothetische mogelijkheid” ziet; Overwegende ten slotte dat, zoals gezien, in de huidige stand van zaken niet blijkt dat de bestreden beslissing de financiële situatie van eerste verzoekster ernstig bemoeilijkt; dat in die omstandigheden er reden toe is de beweerde psychologi- sche belasting van tweede verzoeker -doordat hij zich verantwoordelijk weet voor de bedreiging van de financiële situatie van eerste verzoekster- te betwijfelen, minstens danig te relativeren; dat dit niet betekent dat bijgevolg tweede verzoeker de “prijs van de liefde” niet “al te hoog” mag vinden; dat het wel betekent dat hij “een mogelijks einde van de relatie” in voorkomend geval niet terecht aan de bestreden beslissing zou toeschrijven; XII-4626-4/5 Overwegende dat niet aan de tweede cumulatieve grondvoorwaarde voor de schorsing voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4626-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.020 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.