← België

Arrest 159030 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.030 Rolnummer: A. 173040/XIV-31979 Zaak: Arrest 159030 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 19:47 Fiche Arrest nr 159.030 van 19 mei 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 159.030 van 19 mei 2006 in de zaak A. 173.040/VII-36.042 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat F. BECKERS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Bronstraat 68-70 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 16 mei 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 mei 2006 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en tot het vasthouden in een welbepaalde plaats, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 17 mei 2006 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 mei 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 mei 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-36.042-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco advocaat F. BECKERS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten. Verzoekers dienden op 3 augustus 2005 een asielaanvraag in Polen in. Zij verklaren daarna teruggekeerd te zijn naar hun land van herkomst. Verzoekers kwamen België binnen op 3 april 2006 en verklaarden zich op 6 april 2006 vluchteling. Op 4 mei 2006 besliste de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en tot het vasthouden in een welbepaalde plaats. Dit zijn de thans bestreden beslissingen.
  4. Beoordeling. 2.
  5. Op grond van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  6. Verzoekers stellen met betrekking tot de derde voorwaarde dat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen gescheiden zullen worden van de in België verblijvende moeder en broer van verzoeker. Ze verwijzen hierbij naar een rapport waarin gewezen wordt op het belang dat gehecht wordt aan de familiale banden volgens de traditie van hun streek van herkomst. Volgens verzoekers blijkt uit hetzelfde rapport dat asielzoekers in Polen geen toegang hebben tot medische zorgen. Gelet op hun gezondheidsproblemen, die zij trachten te bewijzen aan de hand van medische attesten, zou de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen leiden tot een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M., aldus besluiten verzoekers. VII-36.042-2/4 Verzoekers zetten niet op afdoende uiteen waarom zij bij hun familie in België moeten blijven, nu blijkt dat die familie reeds enkele jaren in België verblijft en verzoekers intussen in hun land van herkomst zijn gebleven en pas veel later in plaats van in België in Polen asiel hebben aangevraagd. Bovendien vindt, in de loutere onderstelling dat de scheiding voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou opleveren, die scheiding niet zijn oorzaak in de bestreden beslissing, doch in het feit dat verzoekers asiel hebben aangevraagd in Polen. Indien hun asielaanvraag in Polen wordt ingewilligd, zullen zij zich gemakkelijk kunnen verplaatsen in de Europese Unie zodat er alsdan van een scheiding als moeilijk te herstellen ernstig nadeel bezwaarlijk nog sprake zal kunnen zijn. Wat betreft de gezondheidstoestand van verzoekers, tonen de door verzoekers overgelegde medische attesten geenszins aan dat een medische behandeling en opvolging in België lopende is, noch dat die noodzakelijk of dringend is. De overgelegde stukken maken niet aannemelijk dat hun gezondheidstoestand nu dermate slecht zou zijn dat zij naar Polen, dat lid is van de Raad van Europa en van de EU en het EVRM heeft onderschreven, niet zouden kunnen worden gerepatrieerd of aldaar niet verzorgd zouden kunnen worden. De verwijzing naar het rapport overtuigt evenmin, aangezien het niet op concrete en gepersonaliseerde wijze in verband wordt gebracht met de gezondheidstoestand van verzoekers, zoals die blijkt uit de hiervoor aangehaalde en overgelegde medische attesten. Hun uiteenzetting maakt dus niet aannemelijk dat er in hun hoofde een concreet ernstig medisch gevaar dreigt ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Verzoekers tonen bijgevolg niet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal veroorzaken. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten worden voorbehouden. VII-36.042-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-36.042-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.