← België

Arrest 159043 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.043 Rolnummer: A. 123074/XIV-10591 Zaak: Arrest 159043 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:49 Fiche Arrest nr 159.043 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.043 van 22 mei 2006 in de zaak A. 123.074/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. DE MEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 25 bus 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 september 1971 en van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag d.d. 1 juli 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgezonden aan de bevoegde kamer op 5 juli 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.591-1/8 Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat V. DE MEY, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 13 juli 2000 en verklaart zich vluchteling op 14 juli
  4. 1.
  5. Op 19 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 27 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchte- lingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Isfahan. U verklaart Iran te hebben verlaten omwille van de problemen van uw man. Op 15/12/1378 (Iraanse kalender; komt overeen met 06/03/2000 in de Gregoriaanse kalender) is de Ettelaat (geheime dienst) binnengedrongen in de opslagruimte van uw man. Uw man is vervolgens gevlucht naar Nahavand. Op 17/12/1378 (08/03/2000) zijn er mensen van de Ettelaat een huiszoeking komen doen. Een week daarna vond er opnieuw een huiszoeking plaats. U bent dan bij uw schoon- moeder gaan wonen. Vervolgens vond er een huiszoeking bij uw schoonmoeder plaats. Op 01/01/1379 (21/03/2000) is de winkel van uw man in brand gestoken. Op 01/04/1379 XIV-10.591-2/8 (22/06/200

(0)) heeft u Iran verlaten samen met uw man en uw kind en op 13/07/2000 bent u in België aangekomen. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen tijdens het verhoor op Dienst Vreemdelingenzaken en het verhoor in Dringend Beroep, en anderzijds tussen uw verklaringen en die van uw echtgenoot. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo verklaarde u bij Dienst Vreemdelingenzaken dat u na één van de huiszoekingen van de Ettelaat bij u thuis een miskraam heeft gehad en dat u daarom bij uw schoonmoeder bent gaan wonen (verhoorverslag vraag nr. 42). En dit terwijl u tijdens het verhoor in Dringend Beroep verklaarde dat uw man u na de tweede huiszoeking heeft gezegd om bij zijn moeder te gaan wonen en niets vermeld(
  1. t)over een miskraam (verhoorverslag p 5-6). Verder stelde u tijdens het verhoor op Dienst Vreemdelingenzaken dat de agenten van de Ettelaat enkele keren bij u(
  2. w)thuis zijn geweest en twee keer bij uw schoonmoeder thuis (verhoorverslag vraag nr. 42) terwijl u in Dringend Beroep verklaarde dat er 3 huiszoekingen zijn geweest, 2 bij u thuis en 1 bij u schoonmoeder thuis (verhoorverslag p 5-6). U beweerde ook bij Dienst Vreemdelingenzaken dat u regelmatig telefonisch contact had met uw man, dat hij vanuit een telefooncel naar het huis van zijn moeder belde (verhoorverslag vraag nr. 42). Tijdens het verhoor in Dringend Beroep verklaarde u echter dat u altijd uw man contacteerde vanuit een openbare telefooncel en dat uw man u nooit heeft opgebeld (verhoorverslag p 6). Tenslotte verklaarde uw man in Dringend Beroep dat u in Iran niet op de hoogte was van zijn politieke activiteiten voor Montazeri en dat u pas in België op de hoogte bent gebracht van deze activiteiten (verhoorverslag p 18) terwijl u zelf in Dringend Beroep beweerde dat u reeds in Iran op de hoogte was van de politieke activiteiten van uw man voor Montazeri (verhoorverslag p 3). Wat de elementen betreft die u aanbrengt met betrekking tot uw eigen problemen, namelijk de drie keer dat u in 1378
(1999)bent tegengehouden door de Ghasteh Comiteh Sid Erlikhan omdat u zich niet aan de Islamitische kledingsvoorschriften hield (verhoorverslag Dringend Beroep p 7), dient te worden vastgesteld dat deze elementen onvoldoende zwaarwichtig zijn om effectief als een daad van systematische en persoonlijke vervolging te worden beschouwd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat het door u neergelegde document, namelijk een kopie van uw identiteitskaart niet van die aard is om bovenvermelde vaststellingen te wijzigen. Dit document betreft immers enkel uw identiteit en voegt niets toe aan uw vluchtrelaas. (...).”. 2.
  1. Overwegende dat verzoekster vraagt dat de zaak in de Franse taal zou worden behandeld; Overwegende dat artikel 51/4, § 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat de asielaanvraag wordt behandeld in het Nederlands of het Frans, naar keuze van de vreemdeling die niet de hulp van een tolk verlangt, of bij ontstentenis daarvan, in functie van de noodwendigheden van de diensten; dat, krachtens artikel 51/4, § 3 van dezelfde wet, die taal moet worden gebruikt in de eventuele daaropvolgende procedure voor de Raad van State; dat aan het verzoek geen gevolg kan worden verleend, zelfs wanneer te dezen de verzoekende partij, overeenkomstig de mogelijkheid die haar wordt geboden bij artikel 66 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in haar akten en verklaringen de taal van haar keuze heeft gebruikt; Overwegende dat de verzoekende partij op 14 juli 2000 om de bijstand heeft verzocht van een Perzische tolk, zodat bij toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, de Administratie de taal van de procedure bepaalt in het belang van de diensten, gelet op de niet betwiste omstandigheid dat de verzoekende partij geen van de drie XIV-10.591-3/8 landstalen kent; dat bijgevolg de procedure in het Nederlands wordt gevoerd en dat er geen aanleiding is om de zaak naar een Franstalige kamer te verwijzen; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij vraagt om de zaak te behandelen met drie staatsraden; dat zij deze vraag niet heeft gesteld in “limine litis”, vooraleer haar Advocaat de grond van de zaak heeft aangevat, zodat de verzoekende partij de vraag niet gestand doet ter openbare terechtzitting en de vraag bijgevolg wordt verworpen; 3.1.
  3. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel, de schending aanvoert van het artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de motiveringsplicht; dat verzoekster betoogt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden niet volstaan om tot de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag te besluiten en dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid heeft overschreden; 3.1.2. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-10.591-4/8 Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat tegenstrijdigheden werden vastgesteld zowel tussen verzoeksters opeenvolgende verklaringen als tussen haar verklaringen en die van haar echtgenoot, S. S.: - verzoekster verklaarde tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken dat zij na een huiszoeking van de Ettelaat een miskraam kreeg en daarom bij haar schoonmoeder ging wonen, terwijl zij tijdens het verhoor in dringend beroep verklaarde dat haar man gezegd heeft dat zij bij zijn moeder moest gaan wonen en zij niets vermeldde over een miskraam; - verzoekster verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de Ettelaat enkele keren bij haar thuis was geweest en twee keer bij haar schoonmoeder, terwijl zij op het Commissariaat-generaal beweerde dat drie huiszoekingen plaatsvonden, twee bij haar thuis en één bij haar schoonmoeder; -verzoekster verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij regelmatig contact had met haar man doordat hij vanuit een telefooncel naar het huis van zijn moeder belde, terwijl zij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat zij altijd haar man contacteerde vanuit een openbare telefooncel en dat haar man haar nooit heeft opgebeld; - verzoeksters echtgenoot verklaarde in dringend beroep dat verzoekster pas in België op de hoogte werd gebracht van zijn politieke activiteiten voor Montazeri, terwijl verzoekster in dringend beroep verklaarde dat zij reeds in Iran op de hoogte was van zijn politieke activiteiten; Overwegende dat verzoekster betoogt dat haar asielrelaas coherent is en dat de door het Commissariaat-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden niet zwaarwichtig genoeg zijn om afbreuk te doen aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas; dat verzoekster voor het overige geen poging onderneemt om de vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen; dat bovendien de tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal derhalve op wettige gronden kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; XIV-10.591-5/8 Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig en deugdelijk zijn; dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat één onderdeel op zich de beslissing misschien niet kan dragen, maar in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig is; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel van de bestreden beslissing, de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoeksters verklaringen tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel zijn verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom hij van oordeel is dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  2. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van het artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de motiveringsplicht; 3.2.2. Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van het artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie betreft, evenals de schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel; 3.2.
  1. Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van het feit dat verzoekster stelt dat zij in 1999 werd tegengehouden omdat zij zich niet aan de Islamitische kledingvoorschriften hield, maar dat deze elementen onvoldoende zwaarwichtig zijn om effectief als een daad van systematische en persoonlijke vervolging te worden beschouwd; XIV-10.591-6/8 Overwegende dat verzoekster betoogt dat zij wel voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie aangezien de opslagplaats van haar echtgenoot werd in brand gestoken en er tweemaal een huiszoeking bij haar thuis plaatsvond en éénmaal bij haar schoonmoeder; dat verzoekster bijgevolg de feiten uit haar asielrelaas enkel herhaalt en geen concrete gegevens aanbrengt die de vaststellingen van de Commissaris-generaal ontkrachten; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het tweede middel ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.591-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.591-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.