id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.044 Rolnummer: A. 170184/IX-5212 Zaak: Arrest 159044 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 19:50 Fiche Arrest nr 159.044 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.044 van 22 mei 2006 in de zaak A. 170.184/IX-5212 In zake : Germain VAN LANGENHOVEN, wonende te NINOVE, Brusselsesteenweg 547 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Germain VAN LANGENHOVEN op 14 februari 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de hem door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : FAVV) ter kennis gebrachte beslissing waarbij bevestigd wordt dat hij niet meer in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het Voedselagentschap en dat er een einde gesteld wordt aan zijn opdrachten voor het Agentschap vanaf 1 februari 2006; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2006; IX-5212-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. FLAMEE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten, heeft objectieve criteria bepaald waaronder het FAVV zelfstandige dierenartsen bij de uitoefening van zijn opdrachten kan betrekken. Volgens deze nieuwe regeling gebeurt de aanstelling na een openbare oproep en kandidaatstelling (artikelen 4 en 5) en worden de kandidaten met het oog op de toekenning van de taken geëvalueerd door een evaluatiecommissie, waarbij “inzonderheid rekening gehouden (wordt) met de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts, alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid”, maar zonder dat deze evaluatie een onderlinge rangschikking van de kandidaten inhoudt (artikel 6, lid 1). De kandidaten hebben de mogelijkheid om tegen de beslissing van de evaluatiecommissie bezwaar in te dienen “bij de Gedelegeerd Bestuurder van het FAVV, die over een termijn van drie maand beschikt om zijn gemotiveerde beslissing aan betrokkene mede te delen” (artikel 6, lid 4). 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005 verschijnt een oproep aan gegadigden. Geïnteresseerde dierenartsen kunnen zich binnen de twee maanden kandidaat stellen. IX-5212-2/11 1.
- Verzoeker, die als zelfstandig dierenarts reeds keuringsopdrachten voor het FAVV vervult, stelt zich op 29 april 2005 kandidaat (brief ontvangen op 11 mei 2005). 1.
- Op 5 juli 2005 verschijnt verzoeker voor de evaluatiecommissie van de Provinciale Controle-Eenheid (PCE) van Oost-Vlaanderen. Met een brief van 17 oktober 2005 deelt het hoofd van de PCE Oost-Vlaanderen aan verzoeker mee dat hij “niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het Voedselagentschap” om reden van “onvoldoende beroepsernst” en “geen teamgeest (uit doodsbedreigingen t.o.v. collegae keurders)”. Er wordt hem ook medegedeeld dat hij zijn huidige opdrachten verder kan zetten totdat de gedelegeerd bestuurder van het FAVV hem het einde van zijn opdracht betekent. 1.
- Op 16 november 2005 brengt verzoeker zijn bezwaren tegen de beslissing van de evaluatiecommissie ter kennis van de gedelegeerd bestuurder van het FAVV. Hij betwist de vaagheid van de motieven en stelt ook dat de gebeurtenis- sen van 29 juli 2005 een apart gegeven vormen dat niet bij de beoordeling van zijn kandidaatstelling mag betrokken worden. Hij vraagt om gehoord te worden. 1.
- Op 21 december 2005 wordt verzoeker gehoord door de beroepscommissie van het FAVV. Blijkens het proces-verbaal van de vergadering krijgt verzoeker daar de mogelijkheid zijn bezwaar toe te lichten. Zijn raadsman zet er uiteen dat de beslissing van de evaluatiecom- missie geen deugdelijk motief had, onder meer omdat de commissie bij het treffen van haar beslissing ook rekening gehouden zou hebben met feiten die gebeurd zijn na de evaluatie, ook omdat er nooit doodsbedreigingen tegen collega’s geuit zijn. Hij stelt ook dat het drankprobleem, dat verzoeker gehad heeft, verleden tijd is. Vervolgens licht verzoeker “de aangehaalde feiten” toe. Niet betwist wordt dat het gaat om de feiten waarover de evaluatiecommissie na de hoorzitting informatie vergaard heeft: met name het relaas van gebeurtenissen die op 29 juli 2005 zijn voorgevallen in een kippenslachthuis waarbij verzoeker, in dronken toestand, een rel heeft veroorzaakt en -naar blijkt uit de verklaringen van de betrokken keurder en de getuigenis van een werknemer van het slachthuis- doodsbedreigingen tegen een collega zou geuit hebben. Die verklaringen zijn IX-5212-3/11 bovendien aangevuld met een andere waarin een andere keurder stelt dat hij op 18 juli 2005 door verzoeker met de dood bedreigd is. Verzoeker stelt dat de feiten “inderdaad gebeurd zijn”, maar dat ze een “medische achtergrond -verkeerde medicatie bij erge aangezichtspijnen- hebben”, dat de verklaringen van zijn collega over doodsbedreigingen “gelogen zijn” en dat hij met het hoofd van de dienst reeds overeengekomen was dat, wegens zijn drankprobleem, hij geen taken meer zou uitoefenen voor het FAVV “tot hij een medisch attest van genezing kon voorleggen”, hetgeen hij blijkbaar reeds op de hoorzitting gedaan heeft. Het proces-verbaal stelt vervolgens : “Beraadslaging van de beroepscommissie De beroepscommissie houdt wel rekening met feiten die gebeurd zijn na de evaluatie. De heer Van Langenhoven en zijn raadsman beschikken over meer documenten uit het dossier dan de beroepscommissie zelf. Deze documenten zullen eerst opgevraagd worden in de PCE Oost-Vlaanderen, waarna de beroepscommissie zijn advies zal geven. De opgevraagde documenten bevestigen dat de heer Van Langenhoven doodsbedreigingen geuit heeft tegenover een collega keurder. De motivatie van de beslissing van de evaluatiecommissie wordt hierdoor bevestigd. Beslissing Het bezwaar van de heer Germain Van Langenhoven tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, wordt niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost- Vlaanderen ongewijzigd en komt de heer Germain Van Langenhoven niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.” 1.
- Met een brief van 24 januari 2006 deelt de gedelegeerd bestuurder van het FAVV aan verzoeker mee: “In uw schrijven van 16 november 2005 hebt u, bij toepassing van artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005), bezwaren kenbaar gemaakt bij de Gedelegeerd Bestuurder van het Agentschap tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen om u niet in aanmerking te nemen voor het uitvoeren van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Op 13 december 2005 werd u per aangetekend schrijven uitgenodigd om gehoord te worden door de beroepscommissie op 21 december
- U hebt op 21 december 2005 inzage kunnen nemen in uw dossier. Op 21 december 2005 heeft de beroepscommissie van het Voedselagent- schap u gehoord waarbij u de gelegenheid had uw bezwaren toe te lichten. Na beraadslaging heeft de beroepscommissie het volgende advies gegeven: er zijn geen redenen om de beslissing van de evaluatiecommissie te herzien om u niet in aanmerking te nemen als zelfstandige dierenarts voor het uitvoeren IX-5212-4/11 van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselke- ten. Daarom heb ik beslist om uw bezwaar niet te aanvaarden en blijft de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd. U vindt in bijlage de gemotiveerde beslissing van de beroepscommissie.” Van deze beslissing vordert verzoeker de schorsing.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de fair-play-norm, van zijn rechten van verdediging, van de hoorplicht en van het onpartijdigheidsbeginsel, doordat de beroepscommissie stukken opgevraagd heeft zonder dat hij zich daarover heeft kunnen verdedigen, zonder aan te geven om welke stukken het gaat en zonder ook te verduidelijken welke gegevens uit die stukken bij de besluitvorming betrokken zijn; dat hij in zijn toelichting in essentie nog verduidelijkt dat hem op de hoorzitting van 21 december 2005 was gezegd dat hij “nogmaals gehoord zou worden”, terwijl het toch ook “voor zich spreekt” dat hij zich had moeten kunnen verdedigen ten aanzien van nieuwe stukken die van doorslaggevend belang zijn geweest bij de besluitvorming; Overwegende dat in het daarbij aansluitend vierde middel, verzoeker de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de beroepscommissie stukken ingezameld heeft nadat hij gehoord was en hij zich daarover dus niet meer heeft kunnen verdedigen; dat hij in zijn toelichting stelt dat aldus de beroepscommissie op grond van bijkomende stukken heeft kunnen stellen dat hij een collega bedreigd zou hebben maar dat hij, in tegenstelling met wat beloofd was, over die bijkomende stukken geen verweer meer heeft mogen opbouwen en aldus bijvoorbeeld geen vragen heeft kunnen stellen bij de aard en de waarheidsge- trouwheid van de getuigenissen die daarin opgenomen zou zijn; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending van de “materiële motiveringsverplichting” aanvoert doordat de verwerende partij niet afdoende aanduidt op welke juridische en feitelijke gronden zij het bestreden besluit IX-5212-5/11 gesteund heeft; dat hij in de toelichting bij dat middel stelt dat het besluit vage motieven bevat die geenszins het verband leggen tussen concrete feiten en de beslissing en die ook niet toelaten te begrijpen waarom meer belang gehecht wordt aan zekere documenten dan aan de stukken die hij zelf voorgebracht heeft; dat hij nog specifieert dat het bestuur “nogal gemakkelijk” aanneemt dat hij doodsbedrei- gingen tegen collega’s geuit heeft en dat hij niet weet op grond van welke documen- ten zo een duidelijk standpunt ingenomen is kunnen worden; dat hij in het derde middel de schending aanvoert van de formele motiveringswet, doordat het bestreden besluit geen uitdrukkelijke en afdoende motivering bevat, met name doordat geen “concrete feiten die aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing (worden vermeld)”, doordat de beslissing de rechtsregels niet vermeldt waarop zij steunt en doordat niet aangegeven wordt hoe en waarom de bewezen feiten overeenkomstig de vermelde rechtsregels tot het bestreden besluit aanleiding hebben kunnen geven; dat in de toelichting bij dat middel verzoeker er ook op wijst dat het bestuur niet ingegaan is op de argumenten die verzoeker in zijn beroepsschrift had aangebracht, zoals het argument dat de beslissing van de evaluatiecommissie niet formeel en materieel gemotiveerd was en het argument dat de evaluaties die aan de basis lagen van de beslissing van de commissie, vervalst waren hoewel zulks op zich bewijst dat er een zekere subjectiviteit bestond; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat uit de stukken van het dossier duidelijk blijkt dat de bestreden beslissing steunt “op niet betwiste negatieve ervaringen uit het verleden waarmee (zij) terecht rekening mag houden bij het in overweging nemen of betrokkene in aanmerking komt”, dat “de motiveringsplicht van (het bestuur) minder ruim is dan de motiveringsplicht van de rechter, (in die zin dat) het bestuur niet systematisch dient te antwoorden op alle feitelijke en juridische argumenten” en dat de commissie moest “beslissen, binnen haar discretionaire bevoegdheid, of iemand waarover een vermoeden van onnauw- keurigheid en een verleden van slechte samenwerking bestaat, in aanmerking kwam om taken uit te oefenen voor het Agentschap”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting nog uitvoerig ingaat op de feitelijke gegevens van de zaak; dat zij uiteenzet dat verzoeker op 5 juli 2005 geëvalueerd werd door de PCE Oost-Vlaanderen, dat zich vervolgens op 29 juli 2005 een probleem met verzoeker voorgedaan heeft in het pluimveeslacht- huis BELKI (keurder DE BACKER zou door verzoeker, die dronken was, met de dood bedreigd zijn), dat de dierenartsen-keurders die bij het voorval betrokken waren IX-5212-6/11 daarover een verklaring hebben opgesteld en dat één ervan zelfs melding maakt van een bedreiging, veertien dagen voordien, van een keurder met een mes, dat verzoeker, dienaangaande ondervraagd, op 3 augustus 2005 verklaard heeft dat zijn slecht functioneren te wijten was aan een drankprobleem, dat hij zich daarvoor zou laten behandelen door een dokter en dat hij niet meer zou keuren tot aan de voorlegging van een medisch attest dat zijn drankprobleem opgelost was; dat zij daaruit besluit dat verzoeker “zeer goed weet” wat er op 29 juli 2005 gebeurd is, dat hij de mogelijkheid gekregen heeft om zijn belangen terzake te verdedigen en dat de evaluatiecommissie “ten gevolge van dit voorval” op 10 oktober 2005 aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij niet in aanmerking kwam om taken voor het FAVV te vervullen op grond van “onvoldoende beroepsernst (en) geen teamgeest -uit doodsbedreigingen t.o.v. collegae keurders-”; dat volgens haar die motivering deugdelijk is aangezien verzoeker zijn drankprobleem toegeeft en dat zulks volstaat om vast te stellen dat verzoeker geen blijk geeft van de vereiste geschiktheid om aan de keuringsdienst mee te werken; dat zij daar aan toevoegt dat, rekening houdend met de uiteenzetting van de raadsman van verzoeker tijdens de zitting van de beroepscommissie, de commissie vastgesteld heeft dat verzoeker kennis had van stukken die de evaluatiecommissie hem had medegedeeld maar waarover zijzelf niet beschikte, dat zij die stukken vervolgens opgevraagd heeft en dat zij, na ontvangst daarvan heeft kunnen vaststellen dat er inderdaad doodsbedreigingen waren geuit en dat deze documenten de motivering aangenomen door de evaluatiecommissie bevestigden; 3.4.
- Overwegende dat het bestreden besluit kadert in de nieuwe regeling die met het koninklijk besluit van 20 december 2004 opgezet is om op een geobjectiveerde wijze een lijst op te maken van zelfstandige dierenartsen waarop het FAVV voor het uitoefenen van zijn opdrachten beroep zal kunnen doen; dat aldus de kandidaten, die ingaan op een openbare oproep en daarbij de gelegenheid hebben om hun verdiensten toe te lichten, onderzocht worden door een evaluatiecommissie welke, in het licht van de taken die zij binnen de PCE te vervullen zullen krijgen, de kandidaturen waardeert op “ervaring, geschiktheid en beschikbaarheid”; dat dit geschiktheidsonderzoek niet gelijkgesteld mag worden aan een evaluatieprocedure zoals dat in het ambtenarenrecht bestaat, noch met een tuchtprocedure; dat de voor die aangelegenheden geldende rechten van verdediging of hoorplicht terzake niet, ook niet bij analogie, van toepassing zijn; dat een beslissing als de bestredene, die aan een teleurgestelde kandidaat een voordeel weigert, veeleer vergelijkbaar is met een benoemingsprocedure, waar ook geen recht op tegenspraak bestaat; IX-5212-7/11 3.4.
- Overwegende dat het koninklijk besluit van 20 december 2004 niet voorziet in de persoonlijke verschijning van de kandidaten voor de evaluatiecommis- sie of de beroepscommissie, en dat het hen ook het recht niet verleent om tijdens het besluitvormingsproces kennis te nemen van alle stukken die het bestuur in zijn besluitvorming betrekt; dat het bestuur er ook niet krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur toe gehouden is de kandidaten te horen; Overwegende dat de evaluatiecommissie het nuttig geoordeeld heeft een gesprek met verzoeker te hebben; dat zulks er haar evenwel niet toe verplichtte om, wanneer zij nadien kennis kreeg van bepaalde feiten en zij die feiten in haar besluitvorming wenste te betrekken, daarover met verzoeker in discussie te gaan; 3.4.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat de evaluatiecommis- sie, nadat zij de verdiensten van verzoeker had besproken op grond van zijn functioneren als zelfstandig keurder in het verleden en hem daarover zelfs gehoord had, kennis gekregen heeft van de gebeurtenissen van 29 juli 2005 in het slachthuis BELKI waarbij verzoeker tijdens de uitvoering van zijn opdracht in dronken toestand in aanvaring gekomen is met een collega-keurder; Overwegende, wat deze feiten betreft, dat verzoeker op basis van een schriftelijk verslag van inspecteur-dierenarts VAN DER GOTEN over een incident in het slachthuis BELKI op 29 juli 2005 en over een ander incident van twee weken vroeger waarbij verzoeker zou gedreigd hebben de keurder een mes in de buik te planten, ter verantwoording geroepen is; dat hij aldus op 3 augustus 2005 gehoord is door het hoofd PCE en dat hij daarbij formeel verklaard heeft: “Er zijn enkele problemen tijdens de keuring geweest met andere DMO’s. De reden hiervan is dat ik een drankprobleem heb; ik functioneer dan niet zo goed als DMO”. Ik wens hier het stelligste (te) verklaren dat ik mij daarvoor zal laten behandelen door een dokter. (...)”; dat hij tijdens dat onderhoud ook vrijwillig afstand gedaan heeft van verdere keuringsopdrachten totdat hij met een doktersattest zou aantonen dat zijn drankpro- bleem opgelost is; Overwegende dat uit de stukken die het bestuur over dat alles verzameld heeft -enerzijds een verklaring van de betrokken keurder DE BACKER waarin deze uiteenzet dat verzoeker op 29 juli 2005 stomdronken zijn keuringsop- dracht aangevat heeft, dat hij samen met werknemers van het slachtbedrijf gepoogd IX-5212-8/11 heeft verzoeker ertoe te bewegen in die omstandigheden niet te keuren en dat verzoeker hem dan onder meer toegeroepen heeft dat hij “veel goesting (had) om (hem) naar de Elyseese velden te sturen” en de bevestiging daarvan in een verklaring van een van de bij het incident aanwezige werknemers van het bedrijf, die getuigt dat verzoeker op 29 juli 2005 “in de goot gevallen (is)”, dat verzoeker dronken was en dat hij verzoeker “in de gang achter dr. DE BACKER (heeft) zien lopen en hem heeft horen zeggen : “Ik zal u naar de eeuwige jachtvelden zenden”; anderzijds een verklaring van een ander dierenarts-keurder (VERBRUGGE) die stelt dat verzoeker op 18 juli 2005 om 4 uur in hetzelfde slachthuis woedend tegen hem was uitgevallen met de mededeling “Ik ga u een mes in uw kloten steken dan zult ge weten wat ...”- blijkt dat verzoeker op 29 juli 2005 bij de aanvang van zijn dienst rond 4 uur in de morgen een ernstige woordenwisseling gehad heeft met zijn collega-keurder, dat hij toen dronken was en dat hij in gelijkaardige omstandigheden ook reeds op 18 juli 2005 een aanvaring had gehad met een andere collega; Overwegende dat de evaluatiecommissie op grond van de ingezamelde bewijzen geredelijk mocht aannemen dat verzoeker met een drankpro- bleem kampte; dat, ook al laten de bewijsstukken misschien de conclusie niet toe dat verzoeker wel echte doodsbedreigingen -in de strafrechtelijke zin- geuit heeft tegen zijn collega-keurders, het bestuur zeker niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door daar het bewijs van ernstige bedreigingen op de persoonlijke integriteit in te zien; dat de evaluatiecommissie dan binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid gebleven is wanneer zij in de gebeurtenissen van 29 juli 2005 en 18 juli 2005 en de dronken toestand van verzoeker een motief heeft gevonden om hem niet geschikt te verklaren voor opname op de lijst van opdrachthouders voor het FAVV; dat zij, als hoger gezegd, verzoeker daarover niet voorafgaand diende te horen, ook al liet zij daarmee haar vroegere beoordeling van verzoekers kunnen volledig terzijde en vond zij uiteindelijk daarin het enig motief voor haar weigerings-beslissing; 3.4.
- Overwegende dat de beroepscommissie, op dezelfde wijze als de evaluatiecommissie, de feiten in het slachthuis BELKI, zoals die uit de stukken van het administratief dossier naar voren komen, mocht betrekken bij de beoordeling van de kandidatuur van verzoeker; dat aldus de documenten waarover de beroepscom- missie beschikte, aan het bestreden besluit een deugdelijke grondslag geven; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker ook de formele motivering van het bestreden besluit betwist en dat hij zich tevens verzet tegen de gebrekkige verdedi- IX-5212-9/11 ging die hij heeft kunnen voeren aangaande de bijkomende informatie die de verwerende partij uiteindelijk tot het bestreden besluit gebracht heeft; 3.4.5.
- Overwegende dat de formele motivering niet betekent dat in het bestreden besluit expliciet geantwoord moet worden op alle argumenten die de betrokkene in de loop van de procedure naar voren heeft geschoven; dat in dit geval uit de beslissing van de gedelegeerd bestuurder en het advies van de beroepscommis- sie duidelijk blijkt dat beide overheden de beoordeling van de evaluatiecommissie -die gewis zeer summier gemotiveerd is maar in de gegeven omstandigheden toch wel voldoende duidelijk is voor verzoeker- bijtreden; dat er bovendien uiteengezet wordt dat de beroepscommissie de beslissing in eerste aanleg slechts bijgevallen is nadat zij uit bijkomend overgelegde stukken heeft kunnen opmaken dat verzoeker inderdaad “doodsbedreigingen geuit heeft tegen een collega keurder”; dat verzoeker daarmee over voldoende gegevens beschikte om zich deugdelijk in rechte tegen het besluit te verzetten; dat voorts verzoeker ook niet relevant aanvoert dat in het bestreden besluit niet wordt gereageerd op zijn opmerkingen aangaande de conclusies van de evaluatoren, aangezien de verwerende partij de evaluatie van zijn prestaties voor het FAVV niet als motief voor zijn ongeschiktverklaring weerhouden heeft; 3.4.5.
- Overwegende, wat betreft het zogenaamd laattijdig aanvoeren van stukken door de verwerende partij en de daarmee verbonden beperkingen aan de verdedigingsmogelijkheden van verzoeker, dat de evaluatiecommissie niet verplicht was verzoeker expliciet kennis te geven van de stukken waarvan zij na haar gesprek met verzoeker kennis had gekregen; dat uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker in ieder geval over voldoende informatie beschikte om met kennis van zaken zijn bezwaarschrift tegen de beslissing van de evaluatiecommissie te redigeren; dat hoger is gesteld dat, gelet op de aard van het bestreden besluit, de verwerende partij er ook niet toe verplicht was om vóór het treffen van het bestreden besluit verzoeker te confronteren met alle gegevens waarover zij beschikte, ook al blijken die uiteindelijk de enige te zijn om zijn kandidatuur af te wijzen; 3.4.
- Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn, BESLUIT: IX-5212-10/11 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE , staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5212-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.044 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.817 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div