id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.046 Rolnummer: A. 61966/IX-542 Zaak: Arrest 159046 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 19:50 Fiche Arrest nr 159.046 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.046 van 22 mei 2006 in de zaak A. 61.966/IX-
- In zake : Hendrik ALLEMEERSCH, die woonplaats kiest bij advocaat R. DE JAEGER, kantoor houdende te MALDEGEM, Westeindestraat 145 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik ALLEMEERSCH op 20 januari 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 december 1994 van de minister van Landbouw houdende de reductie tot 50 % van de aan hem reeds toegekende vergoeding voor de op bevel afgemaakte varkens, zoals voorzien in artikel 15 van het koninklijk besluit van 10 september 1981 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de klassieke varkenspest en de Afrikaanse varkenspest; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 26 maart 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2006; IX-542-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE JAEGER die, loco advocaat R. DE JAEGER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1 Verzoeker baat een landbouwbedrijf uit en stelt op 1 juli 1994 vast dat zijn varkens een aantal ziektesymptomen vertonen. Na onderzoek door de Diergeneeskundige Dienst te Drongen blijkt op 7 juli 1994 dat de dieren aangetast zijn door varkenspest. 1.2 Overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 september 1981 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de klassieke varkenspest en de Afrikaanse varkenspest (hierna: het koninklijk besluit van 10 september 1981) wordt op 7 juli 1994 een afmakingsbevel opgesteld door de Inspecteur-dierenarts van het ministerie van Landbouw. Op 8 juli 1994 worden alle varkens opgeruimd. 1.3 Blijkens het schattingsverslag van 1 juli 1994 vertegenwoordigen de opgeruimde dieren -1.877 varkens- een waarde van 8.116.795 BEF en bedraagt de door de staat aan verzoeker te betalen som 7.667.735 BEF. 1.4 Op 4 augustus 1994 ondertekent verzoeker een schuldvordering lastens het ministerie van Landbouw ten bedrage van 7.667.735 BEF. IX-542-2/6 1.5 In het Belgisch Staatsblad van 29 november 1994 wordt het koninklijk besluit van 16 november 1994 bekendgemaakt. Daarbij wordt artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 juli 1981 houdende bijzondere maatregelen ter bestrijding van de varkenspest vervangen. Met name wordt nu bepaald dat de overtreding van artikel 6 van dat besluit -de verplichting voor de varkenshouder om onmiddellijk na de vaststelling van ziektesymptomen bij zijn dieren, de bedrijfsdierenarts in te schakelen- resulteert in de vermindering met 50 % van de vergoeding die normaliter aan de betrokkene wordt toegekend. Voorheen resulteerde die tekortkoming alleen in het vermoeden dat het bedrijf als “verborgen haard” beschouwd werd en dat de varkens er zouden afgemaakt worden. 1.6 Met een brief van 5 december 1994 deelt de minister van Landbouw aan verzoeker mee dat de vergoeding voor de op bevel afgemaakte varkens, in toepassing van het gewijzigde artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 juli 1981, verminderd wordt met 50 %. Het besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavige beroep, is uitvoerig gemotiveerd. Na een beschrijving van het toepasselijk nationaal en internationaal recht bevat het de volgende “bijzondere overwegingen”: “II.
- Vaststellingen Op 7 juli 1994 werd klassieke varkenspest vastgesteld op het bedrijf van HENDRIK ALLEMEERSCH. Op 8 juli 1994 werden de varkens opgeruimd en vernietigd en werd een eerste ontsmetting uitgevoerd. Uit het onderzoek dat werd ingesteld door de Diergeneeskundige Dienst (verklaringen van de betrokkenen en vaststellingen) blijkt : - dat de heer HENDRIK ALLEMEERSCH op 1 juli 1994 opmerkte dat varkens op zijn bedrijf ziektetekenen vertoonden: - dat de verantwoordelijke op 1 juli 1994 zijn contractdierenarts hierover inlichtte. De contractdierenarts heeft de stallen niet betreden en de varkens niet onderzocht; - dat de verantwoordelijke op 2 juli 1994 zieke varkens behandelde met een antibioticum; - dat de verantwoordelijke op 4 en 5 juli vaststelde dat de ziektetekenen zich verspreidden naar ander groepen varkens en een andere dierenarts dan de contractdierenarts inlichtte. De dierenarts betrad de stallen niet, maar leverde geneesmiddelen af; - dat de verantwoordelijke op 6 juli zelf een aantal varkens behandelde en nadien zijn contractdierenarts uitnodigde om de varkens te onderzoeken; - dat de bedrijfsdierenarts op 6 juli de varkens onderzocht en op 7 juli de Dier- geneeskundige Dienst verwittigde en stalen liet overbrengen naar het laboratorium. II.
- Inbreuken : De verantwoordelijke heeft de reglementaire bepalingen i.v.m. de bestrijding van klassieke varkenspest overtreden : IX-542-3/6 - Overeenkomstig artikel 6 § 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1981 diende de verantwoordelijke beroep te doen op de door hem aangewezen dierenarts (de contractdierenarts) van zodra de houder stoornissen of tekens van een ziekte vaststelde bij verscheidene varkens. - Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 september 1981 diende de verantwoordelijke van verdacht aangetaste of verdacht besmette varkens onverwijld al de varkens van het bedrijf door een aangenomen dierenarts te laten onderzoeken. - Overeenkomstig artikel 2 § 2, 9/ van het ministerieel besluit van 6 september 1990 met zijn wijzigingen, was de verantwoordelijke verplicht om wekelijks alle varkens van het bedrijf te laten onderzoeken. - Overeenkomstig artikel 4 § 4 van het ministerieel besluit van 6 september 1990 was het verboden om een therapeutische behandeling in te stellen op varkens indien niet vooraf stalen werden overgemaakt aan het bevoegde laboratorium, met het oog op de diagnose van klassieke varkenspest; III Conclusie Overwegende dat de verantwoordelijke heeft nagelaten om, in toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 juli 1981 houdende bijzondere maatregelen ter bestrijding van klassieke varkens, de contractdierenarts uit te nodigen bij een verergering van de ziektetoestand op zijn bedrijf, dat hij zelfs beroep deed op een andere dierenarts en zelf behandelingen instelde zonder stalen aan het laboratorium over te maken voor onderzoek, wordt de voorziene vergoeding met 50% verminderd in toepassing van artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 november 1994.”; 2.1.1 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de essentie van het geschil de vraag betreft of verzoeker recht heeft op 100 % dan wel op 50 % van de vergoeding die opgenomen was in de schuldvordering die hij op 4 augustus 1994 ondertekende, maar dat een zodanige betwisting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort, aangezien het een geschil betreft over een burgerlijk recht; 2.1.2 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat het beroep gericht is tegen een eenzijdige uitvoerbare beslissing van een administratieve overheid waartegen geen administratief beroep open staat, zonder dat hij zich daarbij beroept op “een of ander recht (...) om de beloofde 7.667.735 BEF aan hem te doen toekomen”; dat hij in zijn laatste memorie daaraan toevoegt dat de rechtsgrond van de vergoeding voor op bevel afgemaakte varkens gelegen is in artikel 8, tweede lid, van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, luidens hetwelk de Koning “bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden een vergoeding kan worden verleend bij toepassing van de maatregelen bedoeld onder 3/ en 4/” en dat uitgevoerd is door artikel 15 van het koninklijk besluit van 10 september 1981, hetwelk het toekennen van een vergoeding laat afhangen van een discretionaire beslissing van de overheid, zodat voor de varkenshouder geen subjectief recht bestaat tot het verkrijgen van die vergoeding; IX-542-4/6 2.
- Overwegende dat de vergoedingsregeling voor het op bevel afmaken van varkens in het kader van de bestrijding van de varkenspest, ingesteld is door artikel 15 van het koninklijk besluit van 10 september 1981; dat die bepaling luidt : “§
- Binnen de perken van het begrotingskrediet wordt aan de eigenaar van de op bevel afgemaakte varkens een vergoeding toegekend gelijk aan : 1/ 50 percent van de geschatte waarde der op bevel afgemaakte aangetaste of verdacht aangetaste varkens; 2/ de volledige geschatte waarde der op bevel afgemaakte verdacht besmette varkens. §
- In geval de inenting tegen varkenspest verplicht was in de gemeente (...) wordt de vergoeding bedoeld bij de vorige paragraaf herleid op : (...) §
- Indien de houder van de varkens weigert aan het afmakingsbevel gevolg te geven of indien, overeenkomstig artikel 23 de maatregelen van gezondheids- politie ambtshalve worden toegepast, wordt geen vergoeding toegekend.”; 2.2.
- Overwegende dat artikel 15 voorziet in de uitbetaling van een vergoeding wanneer de reglementair vastgestelde voorwaarden vervuld zijn; dat het bestuur ten aanzien van het vervuld zijn van die voorwaarden geen discretionaire beslissingen dient te nemen, terwijl de vraag naar het vervuld zijn van de reglementaire voorwaarden beantwoord kan worden op grond van een interpretatie van de bestaande reglementering; dat de justitiële rechter die interpretatie kan geven; dat voorts uit het feit dat de vergoeding slechts verschuldigd is wanneer het budget daarvoor ruimte biedt, ook niet zonder meer en in het algemeen afgeleid mag worden dat het bestuur over geen gebonden bevoegdheid zou bezitten om in individuele gevallen een vergoeding te betalen, met name ook niet in de gevallen zoals het onderhavige waarin de vraag naar de budgettaire ruimte geenszins ter discussie staat; dat een en ander tot de conclusie leidt dat in dit geval verzoeker, wiens varkens het voorwerp hebben uitgemaakt van een afslachtingsmaatregel, recht heeft op de vergoeding in de mate hij voldoet aan de reglementaire voorwaarden; Overwegende dat met de wijziging die het koninklijk besluit van 16 november 1994 aan het koninklijk besluit van 16 juli 1981 aangebracht heeft, evenmin een discretionaire bevoegdheid aan het bestuur verleend is; dat het nieuwe artikel 9 van dit besluit het bestuur inderdaad verplicht om de vergoeding waarop de varkenshouder aanspraak kan maken, met 50% te verminderen wanneer hij artikel 6 van het besluit van 16 juli 1981 niet nageleefd heeft; dat zulks evenzeer door de gewone rechter vastgesteld kan worden zonder dat hij zich daarbij in de plaats van het bestuur stelt; IX-542-5/6 2.2.
- Overwegende aldus, dat het bestreden besluit kadert in de vaststelling van de reglementaire verplichtingen die de verwerende partij tegenover verzoeker heeft; dat de justitiële rechter in staat is om, zonder daarbij op het voorbehouden domein van het bestuur te treden, door de interpretatie van de reglementering uit te maken of en op welk bedrag verzoeker recht heeft; dat de betwisting de subjectieve rechten van verzoeker betreft en voorts geen wettelijke bepaling de Raad van State toch dienaangaande bevoegd maakt, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-542-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.