id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.047 Rolnummer: A. 97340/IX-2601 Zaak: Arrest 159047 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 19:51 Fiche Arrest nr 159.047 van 22 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.047 van 22 mei 2006 in de zaak A. 97.340/IX-
- In zake : Freddy MAES, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te LANDEN, Brugstraat 17 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Freddy MAES op 10 november 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 11 september 2000 van de commandant van de rijkswachtgroep Limburg om hem ten bewarende titel voorlopig te detacheren van de brigade Voeren naar de brigade Riemst; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2006; IX-2601-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 28 september 1973 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Sedert 26 september 1986 is hij titularis van de graad van adjudant. Hij is sinds 12 september 1988 commandant van de rijkswachtbrigade Voeren. 1.
- Op 18 januari 2000 geeft José Smeets, burgemeester van Voeren, in een gesprek met de commandant van het rijkswachtdistrict Genk, zijn visie op het functioneren van bepaalde rijkswachters van de brigade Voeren weer. Op 21 januari 2000 deelt de procureur des Konings te Tongeren aan de commandant van de groep Limburg mee, geen strafrechtelijk gevolg te zullen geven aan de diverse feiten en aanklachten die hem over het personeel van de brigade Voeren medegedeeld zijn. Hij stelt wel dat alles binnen een intern onderzoek bij de rijkswacht aan de orde kan komen. In een nota van 26 januari 2000 aan de Algemene Directie van het Personeelsbeheer van de Rijkswacht (DGP) stelt de commandant van de rijkswacht- groep Limburg het volgende : “Een grondig onderzoek op tuchtgebied moet onmiddellijk gestart worden. In afwachting van de resultaten van dit tuchtonderzoek, moeten zeker bewarende maatregelen getroffen worden ten aanzien van lOWM (Z). Definitieve maatregelen kunnen slechts overwogen worden mits inachtname van de rechten van de verdediging. Deze moeten tenvolle kunnen worden verzekerd doorheen de te voeren procedures”. IX-2601-2/13 1.
- Op 31 juli 2000 ontvangt de commandant van de rijkswacht vanwege het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten een rapport met betrekking tot de rijkswachtbrigade Voeren. Bij nota van 10 augustus 2000 meldt de commandant van de rijkswacht aan de commandant van de groep Limburg, dat hij op grond van de beschouwingen in het rapport van het Vast Comité P, de mening toegedaan is dat in het dossier onmiddellijk een grondig onderzoek op tuchtgebied moet worden opgestart en dat het aangewezen lijkt om te overwegen nu reeds, en in afwachting van de verdere resultaten van het onderzoek door de rijkswachthiërarchie, bewarende maatregelen te nemen ten overstaan van verzoeker, lOWM G.Z. en l WM P.P. met het oog op hun eventuele verwijdering uit de brigade Voeren. 1.
- Met een faxbericht van 8 september 2000 laat de commandant voor de groep Limburg, kolonel G. NOELS, verzoeker en anderen weten te overwegen hen “in het raam van een tuchtonderzoek, een onderzoek gevoerd door de Algemene Inspectie van de Rijkswacht en van het Vast Comité van Toezicht op de Politiedien- sten, ten bewarende titel voorafgaand te detacheren”. Er wordt hen medegedeeld dat zij gehoord zullen worden op 11 september
- Met een faxbericht van 9 september 2000 vraagt de raadsman van verzoeker kennis te krijgen van de dossierstukken, inzonderheid van de opdracht van de commandant van de rijkswacht tot overweging van een bewarende maatregel. Hij deelt voorts mede aan te nemen dat het volledige dossier voorafgaandelijk aan de hoorzitting ter inzage zal liggen. 1.
- Met een nota van 11 september 2000 wijst de commandant van de rijkswacht voor de verdere afhandeling van de zaak kolonel G. NOELS, commandant van de groep Limburg, en commandant J. SCHEPERS aan als korpscommandant, respectievelijk eenheidscommandant van verzoeker. Luidens dezelfde nota geldt de aanwijzing zowel voor eventueel te nemen maatregelen op het disciplinaire als op het vlak van de inwendige orde. 1.
- Met een beslissing van kolonel G. NOELS van 11 september 2000, hem ter kennis gebracht op dezelfde datum, wordt verzoeker vanaf 11 september 2000 ten bewarende titel voorlopig gedetacheerd naar de brigade Riemst en dit in afwachting dat een onderzoek ten gronde uitsluitsel zal geven over de ten laste gelegde feiten. IX-2601-3/13 Deze beslissing, die het voorwerp vormt van het onderhavig beroep, is opgenomen in fine van het proces-verbaal van verhoor van verzoeker dat volgende terzake nuttige gegevens bevat : “Proces-Verbaal van verhoor
- (...)
- VERHOOR In toepassing van artikel 24/13 §3 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 76, 08 juni 78, 31 juli 84 en 24 juli 92 en van de voorschriften vervat in KN DK 671 Nr HDP/DPB-985 van 08 juni 94, artikel 8 a..
(1)en 8 c. houdende reglement van inwendige orde betreffende de maatregelen van inwendige orde toepasselijk op de personeels-leden van de rijkswacht en de specifieke maatregelen die kunnen worden genomen t.a.v. de leerlingen van een rijkswachtschool; voor ons, Kolonel Georges NOELS, Commandant Groep LIMBURG, is verschenen op elf september tweeduizend te negen uur, Adjudant Freddy MAES, die wij als volgt hebben verhoord : V. Verdedigt gij uzelf of hebt gij een verdediger ? A. Ik laat mij in mijn verdediging bijstaan door meester Joseph PEETERS. Hij heeft algehele volmacht. Uiteenzetting door de Korpscommandant Ik ontving van de Commandant van de Rijkswacht een verslag van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten met betrekking tot de brigade VOEREN. Uit dit verslag blijkt dat er ten aanzien van uw persoon drie grieven worden geformuleerd, met name :
- Het uitvoeren van werken voor rekening van verschillende inwoners van de gemeente VOEREN : 1.
- U hebt samen met een ondergeschikte medewerker tegen vergoeding een houten trap vervaardigd t.v.v. de heer X. 1.
- U hebt herstellingen uitgevoerd aan het dak van een stal t.v.v. de genaamde Y.
- Tijdens een ondervraging door de Dienst Enquêtes op 10 februari 2000 hebt u gedreigd naar de pers te stappen.
- Als brigadecommandant hebt u blijk gegeven van gebrek aan gezag ten aanzien van lOWM Z ingevolge disfuncties van deze laatste in de uitvoering van de dienst. Vragen aan een ondergeschikte om hulp te verlenen bij de uitvoering van schrijnwerkerswerken voor derden is onaanvaardbaar omdat enerzijds kan getwijfeld worden aan de wettelijkheid van dergelijk werk en anderzijds kan dit ertoe leiden dat u alle gezag ten overstaan van uw ondergeschikten en de bevolking verliest. Het is bovendien aanvechtbaar om werken uit te voeren waaruit u later voordeel haalt door het verkrijgen van wat kan beschouwd worden als een gratis huurcontract. De dreiging om beroep te doen op de pers laat aan duidelijkheid niet te wensen over. Gelet op de bijzondere context van VOEREN kan de uitvoering van dergelijke dreiging bijzondere gevolgen hebben. Vraag Wat wenst u te uwer verdediging hierin aan te halen ? IX-2601-4/13 Antwoord De maatregel van inwendige orde die overwogen wordt is onwettig omdat een maatregel van inwendige orde enkel en alleen in verband kan gebracht worden met het belang van de dienst zonder dat een verwijzing naar een vermeend of effectief schuldig gedrag aanwezig is. De gevolgde procedure schaadt de rechten van de verdediging doordat de Heer Maes voorafgaandelijk geen kennis heeft gekregen van de feiten die hem worden aangewreven en die de voorgestelde maatregel van inwendige orde blijkbaar onderbouwen. De rechten van verdediging werden insgelijks geschonden doordat geen inzage werd bekomen van de dossierstukken terwijl er een onredelijke korte termijn verstreek tussen het tijdstip van de uitnodiging en de hoorzitting. Verder wordt niet verduidelijkt welke de practische modaliteiten zijn van de overwogen voorafgaande detachering. De overwogen maatregel van inwendige orde staat volstrekt in disproportie tot de feiten waarvan de korpscommandant thans op de hoorzitting voorlezing heeft gegeven en zijn flagrant in strijd met het redelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. De Heer Maes wenst verder uitdrukkelijk voorbehoud te maken, zulks tot na de inzage van het dossier, met betrekking tot eventuele belangenvermenging van diegene die in het dossier beslissings- en behandelingsbevoegdheid hebben en/of hadden. De feiten waarvan voorlezing werd gegeven ter zitting dateren van respectievelijk 1994 en van februari 2000, zijn derhalve verjaard en kunnen geen aanleiding geven tot het nemen van een maatregel die de belanghebbende treft in zijn belangen. De feiten als zodanig, op grond van de gegevens die tot op heden bekend zijn, worden uitdrukkelijk betwist en zijn niet van die aard dat zij de voorgestelde maatregel van inwendige orde kunnen rechtvaardigen. Tenslotte wenst de verdediging ook nog op te merken dat de disproportie van de overwogen maatregel eveneens blijkt uit het feit dat de betrokkene gedurende twaalf jaar op een onberispelijke wijze zijn taak heeft vervuld, gerespecteerd wordt door alle bevolkingslagen en door de beide taalgroepen en een centrale rol gespeeld heeft in de pacificatie tussen alle inwoners van Voeren. Verder dient de overweging om voorafgaand te detacheren beschouwd te worden als zijnde in strijd met het E.V.R.M. artikel 6, dat vereist dat een berechting of het nemen van een bewarende maatregel minstens dient te gebeuren binnen een redelijke termijn. Dat zulks des te meer het geval is nu uit de lezing van de feiten blijkt dat deze dienen gesitueerd te worden in 1994 en 1998, dat het gerechtelijk onderzoek reeds werd afgesloten in februari 2000 en de bevoegde instanties aldus ruimschoots de kans hadden om de thans overwogen maatregel te nemen op een veel vroeger tijdsstip. Beschouwing door de Korpscommandant Ik neem kennis van uw stellingname in deze zaak. Naar de letter en de geest van het reglement van inwendige orde, vervat in KN DK 671 Nr HDP/DPB-985 dd 08 juni 1994 Art 17 d.
(1)(
- c)kunt u uw argumenten schriftelijk laten gelden. U beschikt daarvoor over een termijn van vier werkdagen. Uw argumenten zullen in mijn bezit zijn tegen uiterlijk vrijdag 15 september 2000 om 1600 uur. De Verdediging De verdediging neemt akte van een termijn van vier werkdagen maar wil hierbij uitdrukkelijk opmerken dat deze termijn geenszins de rechten van de verdediging op inzage en kennisname van het dossier kan herstellen gezien deze termijn niet de overwogen beslissing zal voorafgaan maar wel volgen en dus IX-2601-5/13 niet-pertinent en dienstig is vermits de verdediging door dit procédé voor een voldongen feit geplaatst wordt. De Korpscommandant Ik verleen akte aan adjudant Maes van zijn verlangen dat zijn argumenten ontwikkeld tijdens huidige hoorzitting afdoend zouden beantwoord worden overeenkomstig artikel 2 en 3 van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en verder dat hij de wens uitdrukt om, uit sociaal oogpunt, voorlopig ten bewarende titel te worden gedetacheerd naar de brigade Aubel, Plombières of Visé in deze orde van voorkeur. De verdediging ontvangt op het einde van zitting het dokument nummer DPB/ALVL/1254 DK 670 dd 10-08-2000 houdende het verslag van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten van 31 juli 2000. Hebt u hieraan nog iets toe te voegen ? Neen. 3. MET REDENEN OMKLEDE BESLISSING In afwachting dat een onderzoek ten gronde uitsluitsel zal geven over de ten laste gelegde feiten beslis ik dat u vanaf heden, 11 september 2000 ten bewarende titel voorlopig gedetacheerd wordt naar de brigade RIEMST, om de volgende redenen : Overwegende dat u het voorwerp uitmaakt van een tuchtonderzoek dat momenteel opgeschort is wegens een gerechtelijk onderzoek, overwegende dat u het voorwerp hebt uitgemaakt van een onderzoek vanwege de Algemene Inspectie van de Rijkswacht en van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten voor de feiten die u hiervoor werden ter kennis gebracht; overwegende dat de resultaten van de twee laatst vernoemde onderzoeken ter kennis werden gebracht aan de Heer Minister van Binnenlandse Zaken, ben ik van oordeel dat u zich in de brigade VOEREN en binnen de omschrijving van het ambtsgebied ervan, in een zulkdanige toestand bevindt die van die aard is dat het vertrouwen van zowel de gerechtelijke als de administratieve overheden er ernstig door in het gedrang is gebracht.” 1.7. Met een faxbericht van 15 september 2000 stuurt de raadsman van verzoeker kolonel Noels een “memorie van verder verweer” toe. 1.8. Op 22 september 2000 wordt de bestreden beslissing, na onderzoek en weerlegging van de door verzoeker te zijner verdediging aangevoerde argumenten, bevestigd. Dat besluit is als volgt gemotiveerd : “Na kennisname van de middelen van verweer die u mij bezorgde langs uw raadsman. Na mijn onderzoek naar de argumentering te uwer verdediging. Gelet op de vaststellingen die ik moet doen in verband met de onderzoeken die door de Algemene Inspectie van de Rijkswacht en door het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten werden uitgevoerd ingevolge disfuncties in de brigade VOEREN die aan deze diensten werden ter kennis gebracht. Gelet op het feit dat vaststaat dat u het vertrouwen van de burgemeester van VOEREN niet meer geniet. Gelet op het feit dat eveneens vaststaat dat dit ook het geval is in hoofde van de Commandant van de Rijkswacht en de Algemene Inspectie van de Rijkswacht. IX-2601-6/13 Overwegende dat uit het onderzoek, uitgevoerd door het Comité P blijkt dat u uw onafhankelijkheid en gezag ten aanzien van minstens twee van uw ondergeschikten hebt verloren. Overwegende dat de twee onderzoekende Inspectie- en Controlediensten tot hetzelfde besluit komen, namelijk dat het wenselijk is dat u uit de brigade VOEREN zou verwijderd worden. Overwegende dat vaststaat dat ingevolge de opeenvolgende onderzoeken lastens uw persoon en twee van uw ondergeschikten, de goede orde in de brigade VOEREN is verstoord. Overwegende evenwel dat het opsporingsonderzoek van de procureur des Konings, ten gronde nog uitsluitsel dient te brengen over de beschuldigingen van mogelijks strafrechtelijke inbreuken aan uw adres. Dat dit eveneens geldt voor de mogelijke tuchtrechtelijke inbreuken die nog verder moeten onderzocht worden. Overwegende dat in dit stadium het naar mijn oordeel niet aangewezen is om een voorstel tot definitieve verwijdering uit de brigade VOEREN voor te stellen, maar dat een voorafgaande detachering als maatregel van inwendige orde op zijn minst toch noodzakelijk is. Om deze redenen bevestig ik mijn beslissing, genomen op 11-09-2000 en u die dag betekend, om u ten bewarende titel te detacheren naar de brigade RIEMST”. 1.9. Met een besluit van de directeur-generaal van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie bij de Federale Politie van 24 mei 2002 wordt de beslissing tot voorafgaande detachering ten bewarende titel omgezet in een mutatie bij ordemaatregel van verzoeker naar de brigade Riemst. Verzoeker heeft ook tegen die beslissing een annulatieberoep ingediend (zaak A. 124.626/IX-3436). 2.1. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het bestreden besluit vervangen is door een nieuwe definitieve beslissing die meer is dan de loutere bevestiging van het bestreden besluit en verzoeker die nieuwe beslissing van 22 september 2000, die de impliciete opheffing van het bestreden besluit bevat, niet bestreden heeft; 2.2. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van wederantwoord tegen inbrengt wat volgt: de bestreden beslissing van 11 september 2000 is geen maatregel van inwendige orde maar een verkapte tuchtstraf of minstens een ordemaatregel die onmiddellijk gevolgen gehad heeft; aangenomen dat de beslissing van 22 september 2000 deze van 11 september 2000 impliciet opgeheven heeft, blijft toch de vaststelling dat het laatstgenoemde besluit onmiddellijk uitvoerbaar was en dat het zijn rechtstoestand gewijzigd heeft op een wijze die ook na het besluit van 22 september 2000 is blijven voortbestaan -hij verwijst naar de vermelding op zijn individuele steekkaart en naar zijn effectieve detachering op 11 september 2000, hetgeen hij zijn verdere loopbaan meesleept-; IX-2601-7/13 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie ook nog stelt dat de beslissing van 11 september 2000 “een zelfstandig en autonoom bestaan heeft gekend, minstens in de periode tussen 11 september 2000 en 22 september 2000” en dat zij in die periode ook daadwerkelijk uitvoering gekregen heeft, zodat hij daadwerkelijk van dat besluit nadeel ondergaan heeft; 2.3. Overwegende dat de bestreden beslissing van 11 september 2000 en de sub 1.8. vermelde beslissing van 22 september 2000 hun rechtsgrond vinden in het “reglement van inwendige orde houdende de maatregelen van inwendige orde toepasselijk op de personeelsleden van de rijkswacht en de specifieke maatregelen die kunnen worden genomen t.a.v. de leerlingen van een rijkswachtschool” (hierna : het reglement van inwendige orde) dat op 8 juni 1994 door de commandant van de rijkswacht ter kennis van de eenheden is gebracht en waarvan verzoeker het verbindend karakter niet betwist; Overwegende dat het reglement van inwendige orde bepaalt wat een “maatregel van inwendige orde” is (punt 1 - 2: een maatregel die het waarborgen of herstellen van de goede werking van de eenheid en een goede organisatie van de dienst beoogt, zonder dat de eventuele schuldvraag in hoofde van de betrokkene wordt beoordeeld, en die niet meer schaadt dan voor het behoorlijk functioneren van de dienst nodig
- is)en dat het “de mutatie bij ordemaatregel, met inbegrip van de voorafgaande detachering” als een dergelijke maatregel van inwendige orde aanwijst (punt 6.b); dat in punt 8 van het reglement bepaald is dat de mutatie bij ordemaatregel door de commandant van de rijkswacht wordt genomen in vier gevallen, onder meer “wanneer het gedrag van het personeelslid of de toestand waarin hij zich bevindt, van die aard is dat het vertrouwen van de overheden of van het publiek er ernstig door in het gedrang wordt gebracht” (punt 8,a.1), “wanneer de aanwezigheid van een personeelslid de goede verstandhouding in de eenheid of dienst of de goede organisatie van de dienst ernstig verstoort om andere dan medische redenen (punt 8,a.2) of wanneer een personeelslid, “door zijn gedrag of de situatie waarin hij zich bevindt, niet meer beschikt over het vereiste gezag of de vereiste onafhankelijkheid om zijn commandofunctie uit te oefenen” (punt 8,a.3), terwijl in punt 8,c. gesteld wordt dat “de voorafgaande detachering” gezien wordt als de detachering van het personeelslid “te bewarenden titel”, in afwachting van het treffen van de beslissing tot mutatie bij ordemaatregel naar een andere bediening “in ernstige gevallen en in afwachting dat de beslissing tot mutatie bij ordemaatregel genomen wordt”; dat overeenkomstig punt 17 van het reglement -“procedureregels”- een IX-2601-8/13 voorstel van voorafgaande detachering ter kennis van de betrokkene wordt gebracht door de korpscommandant (punt 17,c.
(1),(b)), dat het personeelslid, wanneer het voorstel betrekking heeft op een voorafgaande detachering, “mondeling gehoord (wordt) door de kennisgevende overheid en onverwijld na de kennisgeving (van het voorstel)”, waarna de overheid haar beslissing neemt, welke dan onmiddellijk uitvoerbaar is, met dien verstande dat het personeelslid “zijn argumentering aangevoerd tijdens het mondeling verhoor nadien schriftelijk (kan) bevestigen en aanvullen (punt 17,d.
(1)(d)), dat de overheid die argumentatie onderzoekt en hetzij zich erbij aansluit en de reeds genomen maatregel intrekt, hetzij de maatregel behoudt (punt 17,d.
(2)); Overwegende dat in dit geval de korpscommandant van verzoeker gehandeld heeft overeenkomstig het reglement van inwendige orde; dat hij aldus eerst aan verzoeker op 8 september 2000 kennis gegeven heeft van zijn bedoeling om hem in het raam van een tuchtonderzoek en van een onderzoek door de Algemene Inspectie van de Rijkswacht en door het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten “ten bewarende titel voorafgaand te detacheren”, dat hij verzoeker over dat voorstel op 11 september 2000 gehoord heeft en hem na dat verhoor voorlopig ten bewarende titel naar de brigade Riemst gedetacheerd heeft -de bestreden beslissing, die onmiddellijke uitwerking gehad heeft-; dat de korpscommandant verzoeker evenwel de mogelijkheid gegeven heeft om tegen “uiterlijk vrijdag 15 september 2000 om 1600 uur” schriftelijk zijn argumenten te laten gelden, dat verzoeker van die mogelijkheid gebruik gemaakt heeft en dat de korpscommandant met het besluit van 22 september 2000 deze argumentatie verworpen heeft en zijn beslissing van 11 september 2000 bevestigd heeft; Overwegende dat de bevestigingsbeslissing van 22 september 2000 met het bestreden besluit van 11 september 2000 één geheel vormt; dat, zo het reglement van inwendige orde voor het opleggen van een bewarende detachering voorziet in twee formele beslissingen, zulks duidelijk beoogt de belangen van het bestuur en van het personeelslid te verzoenen, in die zin dat de beslissing onmiddellijk gevolgen moet kunnen hebben maar dat tegelijkertijd ook de rechten van de verdediging maximaal gevrijwaard moeten worden; dat, nu beide formele beslissingen betrekking hebben op hetzelfde materieel voorwerp, met name de detachering van verzoeker vanaf 11 september 2000, het van weinig belang is dat verzoeker niet ook uitdrukkelijk het besluit van 22 september 2000, waarmee geantwoord is op de bezwaren van verzoeker, bestreden heeft; dat het tweede besluit geacht wordt IX-2601-9/13 begrepen te zijn in het voorwerp van het beroep en dat de middelen betrokken moeten worden op de beslissingen gezamenlijk genomen; dat de exceptie verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat het verslag van het Comité van Toezicht op de Politiediensten (Comité P), dat aan de basis ligt van de bestreden overplaatsing, artikel 10 van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken (bestuurstaalwet) miskent, dat het nietig is en dat het daarom de bestreden beslissing niet rechtsgeldig kan ondersteunen; dat naar zijn oordeel de commandant van de groep Limburg, wanneer hij vaststelde dat het verslag niet voldeed aan de bestuurstaalwet, de nietigheid ervan had moeten vaststellen; dat hij ook stelt dat de nietigheid van het document niet gedekt is doordat de commandant zelf -en niet de overheid van wie het document uitgaat- een vertaling ervan geredigeerd heeft; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het verslag waarnaar verzoeker verwijst, niet van haarzelf uitgaat en dat de commandant van de rijkswachtgroep Limburg zelf de bestuurstaalwet niet geschonden heeft, aangezien hij alle documenten in het Nederlands gesteld heeft; dat zij daar aan toevoegt dat zowel kolonel NOELS als verzoeker tweetalig zijn en dat zij in staat zijn om een passage in het Frans -een citaat uit een brief van de burgemeester van Voeren om aan te tonen dat hij geen vertrouwen meer in verzoeker had- te begrijpen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat kolonel NOELS, als tuchtrechter, ambtshalve de nietigheid van het Franstalig document had moeten vaststellen, dat de nietigheid ervan enkel door het Comité P zelf rechtgezet kon worden, dat de omstandigheid dat de partijen voldoende Frans kenden irrelevant is evenals het feit dat er “later” een vertaling van het Franstalig stuk bij het dossier gevoegd is; 3.4.
- Overwegende dat, blijkens het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker op 11 september 2000, de commandant van de rijkswachtgroep Limburg zich, voor wat de feitelijke gegevens betreft die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, uitsluitend gesteund heeft op het verslag van 31 juli 2000 van het Comité P, dat hem op 10 augustus 2000 door de commandant van de rijkswacht was bezorgd met de suggestie om, naast het opstarten van een tuchtonderzoek, IX-2601-10/13 bewarende maatregelen te nemen tegen verzoeker; dat in dit verslag van het Comité P “drie grieven” tegen verzoeker naar voren worden gebracht; dat de derde grief, die door kolonel NOELS bij verzoeker werd aangebracht als een gebrekkige gezagsuitoefening tegen 1OWM Z., maar die onmiskenbaar samenvalt met wat door het Comité was aangewezen als “verlies van vertrouwen van de burgemeester”, in dat verslag als volgt geëxpliciteerd is : “Het vertrouwen dat de burgemeester moet kunnen hebben in de brigade- commandant is onder meer geschokt door het gebrek aan gezag van adjudant Fred Maes ten overstaan van de eerste opperwachtmeester Z : ‘Je ne peux évidemment pas me prononcer personnellement sur les différents incidents relatés par la population, mais je ne peux m’empêcher de m’interroger sur le rôle joué dans ces affaires par le commandant de la brigade de Fourons, l’adjudant Maes. Celui-ci n’aurait-il pas dû, dès le départ, essayer de mettre fin aux incidents et aux accusations, dans une attitude de dialogue mais de fermeté ? Il est à ce jour manifeste pour tout le monde qu’à la brigade de Fourons, personne n’a osé ni ose encore dicter une ligne de conduite raisonnable au Premier Maréchal des Logis Chef Z” dat, blijkens de vermelding in voetnoot, het Comité P daarmee citeert uit de brief die burgemeester Smeets van Voeren op 18 november 1999 aan de minister van Binnenlandse Zaken geschreven heeft over de inertie van de rijkwachthiërarchie ten aanzien van de problematische situatie in de schoot van de brigade Voeren; 3.4.
- Overwegende dat in het kader van het middel onderzocht moet worden of het verslag van het Comité P inderdaad nietig was, minstens in de mate dat het een citaat uit een in het Frans gestelde brief van de burgemeester van Voeren bevatte en of in voorkomend geval de commandant van de rijkswachtgroep die nietigheid zelf kon of moest vaststellen dan wel dat hij ze moest laten vaststellen; dat, in geval besloten wordt dat de commandant geen rekening mocht houden met een bepaalde passage uit het verslag, hij die passage niet rechtmatig kon aanwenden als bewijs van de feitelijke grondslag van zijn beslissing; 3.4.2.
- Overwegende dat het Comité P een centrale dienst is in de zin van de bestuurstaalwet; dat het verslag van 31 juli 2000 betrekking heeft op de situatie in de rijkswachtbrigade Voeren, waarvan het werkingsgebied blijkens het koninklijk besluit van 27 januari 1995 betreffende de organisatie van de rijkswacht samenvalt met de gemeente Voeren zodat zij voor de toepassing van de bestuurstaalwet als een plaatselijke dienst aanzien moet worden; dat overeenkomstig artikel 39, § 1, juncto artikel 17, § 1, a, 1/ van de bestuurstaalwet het verslag in het Nederlands diende te worden opgesteld; IX-2601-11/13 3.4.2.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat het verslag van 31 juli 2000 in het Nederlands gesteld is; dat het hoger vermeld Franstalig citaat daarin is opgenomen als de illustratie van de stelling -in het Nederlands verwoord- dat het vertrouwen van de burgemeester geschokt is wegens het gebrek aan gezag dat verzoeker tegen opperwachtmeester Z tentoongespreid heeft; dat dergelijke vermelding, die in wezen niet meer is dan een verwijzing naar een bewijsgegeven, niet belet dat het betoog van het Comité P zeer duidelijk is en ook zonder dat citaat even bewijskrachtig zou zijn; 3.4.2.
- Overwegende dan weer dat het citaat in het verslag gehaald is uit een brief van de burgemeester van Voeren aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat overeenkomstig artikel 10 van de bestuurstaalwet de burgemeester van Voeren, als een plaatselijke dienst van een gemeente in het Nederlands taalgebied, in zijn ambtelijke betrekkingen met de centrale overheid het Nederlands moet gebruiken; dat niet betwist wordt dat hij, tegen dat voorschrift in, zijn klacht bij de minister in het Frans gesteld heeft; dat, met dat gegeven voor ogen, het Comité P de in het Frans gestelde brief niet als een regelmatig bewijselement in zijn verslag kon betrekken; dat het, als administratieve overheid, overeenkomstig artikel 58 van de bestuurstaalwet aan de burgemeester had moeten vragen om zijn naar de vorm nietige klacht door een Nederlandstalig stuk te vervangen; 3.4.2.
- Overwegende dat het Comité P de Franstalige brief van de burgemeester niet regelmatig kon aanwenden als bewijs van de derde grief tegen verzoeker; dat kolonel NOELS, die het bestreden besluit getroffen heeft zonder op zijn beurt als administratieve overheid aan de burgemeester van Voeren te vragen om zijn nietige verklaring te regulariseren, ook niet zonder miskenning van de artikelen 10 en 58 van de bestuurstaalwet de desbetreffende passage uit het verslag kon aanwenden als bewijs van het door de burgemeester aangeklaagde verlies van vertrouwen; dat het middel gegrond is, IX-2601-12/13 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 11 september 2000 van de commandant van de rijkswachtgroep Limburg waarbij Freddy MAES ten bewarende titel voorlopig wordt gedetacheerd van de brigade Voeren naar de brigade Riemst, bevestigd door de beslissing van 22 september
- Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2601-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div