← België

Arrest 159048 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.048 Rolnummer: A. 124626/IX-3436 Zaak: Arrest 159048 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 19:51 Fiche Arrest nr 159.048 van 22 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.048 van 22 mei 2006 in de zaak A. 124.626/IX-3436. In zake : Freddy MAES, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te LANDEN, Brugstraat 17 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Freddy MAES op 29 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 mei 2002 van de directeur-generaal van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie waarbij zijn voorafgaande detachering ten bewarende titel naar de brigade Riemst, wordt omgezet in een mutatie bij ordemaatregel naar dezelfde brigade; Gelet op het arrest nr. 114.103 van 23 december 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 februari 2003 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; IX-3436-1/11 Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker was titularis van de graad van adjudant bij de rijkswacht. Hij bekleedde sinds 12 september 1988 de functie van commandant van de brigade Voeren. 1.2. Op 11 september 2000, bevestigd op 22 september 2000, besluit de commandant van de rijkswachtgroep Limburg, wegens disfuncties binnen de brigade Voeren, verzoeker ten bewarende titel voorlopig te detacheren naar de rijkswachtbrigade Riemst. Verzoeker stelt tegen dat besluit een annulatieberoep in (de zaak A. 97.340/IX-2601). De beslissing is bij arrest nr. 159.047 van heden vernietigd wegens schending van de bestuurstaalwet. IX-3436-2/11 1.3. Bij ministerieel besluit van 14 november 2001 wordt verzoeker in de nieuwe politiestructuur benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie. 1.4. Op 6 december 2001 stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie van de federale politie tegen verzoeker een inleidend tuchtverslag op wegens het bijzonder onzorgvuldig bijhouden van het wapenregister in de periode dat hij commandant van de rijkswachtbrigade Voeren was. Op 28 januari 2002 legt hij aan verzoeker een blaam op. Verzoeker heeft ook tegen die beslissing een annulatieberoep ingediend (de zaak A.119.055/IX-3287); 1.5. Met brieven van 18 februari 2002 vraagt de directeur-generaal van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie aan de procureur des Konings te Tongeren, de burgemeester van Voeren en de provinciegouverneur van Limburg om advies in verband met het heropnemen door verzoeker van zijn ambt in de brigade van de federale politie te Voeren. De burgemeester van Voeren antwoordt dat hij als mens geen enkel bezwaar tegen verzoeker heeft en dat verzoeker in de tuchtzaak met de lichtste tuchtstraf bestraft is, hetgeen dus een terugkeer naar de brigade Voeren niet in de weg staat. Daartegenover stelt hij dat een terugkeer van verzoeker naar Voeren “voor heel wat onrust en tegenkantingen zou zorgen in de brigade zelf”, dat de leden van de brigade geen terugkeer wensen, dat er gevreesd kan worden voor de verstoring van de rust binnen het korps, dat het niet goed zou zijn verzoeker in de brigade weer op te nemen als ondergeschikte van iemand waarover hij vroeger het bevel voerde en dat het evenmin aangewezen is dat hij aan anderen nu opdrachten zou moeten geven inzake het regulariseren van het wapenregister. Hij besluit dat verzoeker tegenover hem heeft laten uitschemeren dat hij zich goed voelde in zijn huidige opdracht, maar dat hij toch een eerherstel nastreefde. De procureur des Konings te Tongeren uit zijn verbazing over de lichte tuchtstraf die aan verzoeker werd opgelegd. Hij vindt die straf schril afsteken tegen de verwijdering uit de brigade Voeren sinds september 2000. Hij stelt geen bevoegdheid te hebben om een herziening van een maatregel van inwendige orde te adviseren, maar wijst erop dat de commandant van de brigade Voeren nog steeds verantwoordelijk is voor het gemeentelijk wapenregister en dat verzoeker zich op 24 januari 2002 burgerlijke partij gesteld heeft tegen twee gewezen politie- ambtenaren in verband met het beheer van het wapenregister. De provinciegouverneur pleit voor het behoud van de nieuwe leiding in de brigade Voeren, en geeft er de voorkeur aan verzoeker niet naar Voeren IX-3436-3/11 te laten terugkeren rekening houdend met de te verwachten moeilijkheden in geval verzoeker met een nieuw benoemde korpschef moet samenwerken. 1.6. Met een nota van 30 april 2002 zendt de directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de federale politie zijn advies aan de minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de eventuele terugkeer van onder meer verzoeker naar de brigade Voeren. Hij is van oordeel dat het raadzaam is om verzoeker niet meer te laten terugkeren naar die brigade en stelt dat er “gedurende een al te lange periode teveel ruchtbaarheid is ontstaan en er nog teveel gevoelighe- den zijn, waardoor een mogelijke terugkeer van betrokkene niet ten goede zou komen van de werking van de eenheid en de organisatie van de dienst”. Met een nota van 6 mei 2002 wordt dat advies ook doorgestuurd naar de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie. 1.7. Op 24 mei 2002 beslist de directeur-generaal van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie de voorafgaande detachering ten bewarende titel van verzoeker van 11 september 2000, bevestigd op 22 september 2000, om te zetten in een definitieve mutatie bij ordemaatregel naar de brigade Riemst. De beslissing luidt als volgt : “ONDERWERP : Maatregel van Inwendige orde. Omzetting van een voorafgaande detachering ten bewarende titel in een mutatie bij ordemaatregel. Referentie(

  1. s): 1. Wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijks- wacht. 2. KN HDP/DPB-985 DK 671 van 08 juni 1994 3. Nota Ter Gp LIMBURG Gp-58-Vertr DK 671 van 11 september 2000. 4. Nota Ter Gp LIMBURG Gp-65-Vertr DK 671 van 22 september 2000. 5. DGA/4131/1076-9 dd 28-01-2002 DK 670. (...) 1. Met de nota in Ref 3, bevestigd bij de nota in Ref 4, werd u vanaf 11 september 2000 ten bewarende titel voorafgaand gedetacheerd naar de Bde RIEMST. Deze maatregel werd genomen in afwachting van een gerechtelijk onderzoek dat in opdracht van de heer Procureur des Konings van Tongeren door het Comité P werd uitgevoerd voor een reeks vermeende strafrechtelijke inbreuken die door een voormalig lid van de brigade ter kennis werden gebracht van diverse autoriteiten. 2. Het door het Comité P gevoerde onderzoek resulteerde op 21-01-2000 in het seponeren van alle aantijgingen geformuleerd door dat voormalig personeels- lid van de Bde. Een navolgend onderzoek bracht evenwel aan het licht dat u het bijhouden van het wapenregister van de gemeente VOEREN verregaand had verwaarloosd. Op het niveau van de Procureur des Konings werd dit dossier op 29-09-2001 eveneens geseponeerd. IX-3436-4/11 3. Daarop volgde een tuchtonderzoek en heb ik u een lichte straf opgelegd, met name de blaam. (Ref 5) Met betrekking tot uw voorafgaande detachering naar de Bde RIEMST, is het nu noodzakelijk te beslissen over uw uiteindelijke tewerkstellingsplaats. Ik beslis bij deze u definitief mutatie bij ordemaatregel te laten maken naar de Bde RIEMST 4. Motivering van de beslissing. 4.1. Uit het gerechtelijk onderzoek in verband met het wapenregister is duidelijk gebleken dat u als brigadecommandant vanaf 1993 tot op het ogenblik van uw detachering op 11.09.2000, het wapenregister van de gemeente VOEREN bijzonder onzorgvuldig hebt bijgehouden. Daardoor hebt u niet steeds in alle omstandigheden bijgedragen tot de bescherming die de medeburgers mogen verwachten. Doordat u ernstig tekort geschoten bent aan uw ambtsplichten in een belangrijke aangelegenheid geniet u ook niet langer meer het vertrouwen van de bestuurlijke overheid van de gemeente VOEREN. 4.2. Ik ben bovendien van oordeel dat een mogelijke terugkeer naar de Bde VOEREN voor onrust en onzekerheid zal zorgen in deze eenheid omdat in dit dossier gedurende een al te lange termijn teveel ruchtbaarheid is ontstaan en er nog teveel gevoeligheden bestaan. Als voormalig brigadecommandant zou u in aanmerking komen om, tot aan de definitieve benoeming van de nieuwe zonechef, weer de algemene leiding van de brigade op u te nemen. De te verwachten spanningen tussen u en de personeelsleden van de brigade moeten echter vermeden worden in het licht van een doeltreffende en goed functionerende politie-eenheid. Uw aanwezigheid in de brigade zal de goede verstandhouding en de goede organisatie van de eenheid ernstig verstoren. Het is immers te verwachten dat u de benoeming van de nieuwe zonechef, die door de gemeenteraad werd voorgedragen, zult aanvechten, zodat op de harmonieuze totstandkoming van de toekomstige politiezone een hypotheek zal worden gelegd. Anderzijds zijn de voorbereidende werkzaamheden voor de oprichting van de politiezone onder leiding van waarnemend brigadecommandant HINP STAS, reeds ver gevorderd. Het wijzigen van de gesprekspartner van de gemeente is in dit opzicht geen goede zaak. 4.3. Met betrekking tot de toekomstige zonechef is het ook belangrijk te onderstrepen dat CP VANDERHOVEN in het verleden nog uw onderge- schikte is geweest en dat het niet denkbeeldig is dat er, omdat u nu zelf ondergeschikte zult worden van deze voormalige medewerker, wrijvingen tussen u beiden kunnen ontstaan, zeker als u zijn benoeming aanvecht. 4.4. Gelet op voorgaande overwegingen ben ik van oordeel dat u zich in een zulkdanige toestand bevindt dat het vertrouwen van de overheden er ernstig door in het gedrang is gebracht. De te verwachten spanningen omtrent het leiderschap van de politiezone zullen bij uw terugkeer naar de VOEREN bovendien nadelig zijn voor de goede werking van de eenheid en de organisatie van de dienst”. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 29 mei 2002 ter kennis van verzoeker gebracht. IX-3436-5/11 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 116, 117 en 119 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna de WGP) en van de artikelen I.I.1 en I.II.1 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politie- diensten (hierna : het RPPol); dat hij betoogt dat het bestreden besluit zijn juridische grondslag vindt in de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht en de korpsnota HDP/DPB - 985 DK 671 van 8 juni 1994, maar dat, sinds de inwerkingtreding van de WGP en het RPPol, hij nog enkel het voorwerp kan uitmaken van de maatregelen waarin het RPPol voorziet zodat de definitieve mutatie bij ordemaatregel, die stoelt op de opgeheven reglementering, “niet bestaanbaar is” met zijn nieuw statuut; dat hij in de toelichting stelt dat zijn nieuw statuut niet voorziet in de mogelijkheid om aan een personeelslid een “definitieve mutatie bij ordemaatregel” op te leggen en dat dergelijke mutatie bij ordemaatregel, die ervan uitgaat dat hij, ondanks de toepasse- lijkheid van de nieuwe statutaire bepalingen, nog altijd onder toepassing valt van de wet van 27 december 1973, afbreuk doet aan het gelijkheidsbeginsel dat vervat is in artikel 119 WGP; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: verzoeker was op 11 september 2000 met toepassing van de korpsnota van 8 juni 1994 ten bewarende titel voorlopig gedetacheerd naar de brigade Riemst; de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet), die op 1 april 2001 in werking getreden is, voorziet, wat de voorlopige maatregelen betreft, enkel in de voorlopige schorsing; die bepaling verhindert evenwel niet dat, in het belang van de goede werking van de dienst, geen andere ordemaatregelen opgelegd kunnen worden; aldus kon zij rechtsgeldig aan verzoeker een definitieve mutatie bij ordemaatregel opleggen en zij heeft daarbij, om reden dat het nieuwe statuut niet voorziet in het opleggen van dergelijke maatregel, de procedureregeling gevolgd van de korpsnota van 8 juni 1994; aangezien een overheid die behoorlijk bestuurt de verplichting heeft om, wanneer zulks nodig blijkt, maatregelen te treffen voor de goede werking van de dienst, kan er geen sprake zijn van de ongelijke behandeling van verzoeker; 2.3. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert wat volgt : in de omzetting van een voorlopige detachering ten bewarende titel in een definitieve mutatie is niet voorzien door de nieuwe statuutregeling die op hem van toepassing IX-3436-6/11 is en dus kon de verwerende partij hem op 24 mei 2002 niet definitief muteren naar de brigade Riemst, op gevaar af het gelijkheidsbeginsel te schenden dat artikel 119 WGP instelt voor de politieambtenaren van de federale politie en deze van de lokale politie; de verwerende partij ontkent niet dat het nieuwe statuut slechts één ordemaatregel kent -de voorlopige schorsing-; uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de verwerende partij niet enkel voor de procedureregels verwijst naar de korpsnota van 8 juni 1994 -het tegendeel is waar: het besluit van 24 mei 2002 verwijst zelfs niet naar de nieuwe statutaire regeling-; ten onrechte stelt de verwerende partij dat het bestuur altijd de nodige ordemaatregelen kan treffen voor de goede werking van de dienst, want artikel 59 van de tuchtwet handelt enkel over de voorlopige schorsing en de minister van Binnenlandse Zaken blijkt nog geen lijst opgemaakt te hebben van andere ordemaatregelen die in het kader van een tuchtvordering getroffen kunnen worden; op 24 mei 2002 liep er geen enkele tuchtvordering tegen hem; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de omstandigheid dat een beslissing een verkeerde rechtsnorm aanduidt, niet ipso facto tot de vernietiging van dat besluit leidt wanneer het, inhoudelijk bekeken, toch deugdelijk gemotiveerd blijkt te zijn; dat zij dan benadrukt dat het bestreden besluit gecatalogeerd moet worden als een ordemaatregel voorzien in de tuchtwet; 2.5.1. Overwegende dat de verwerende partij met het bestreden besluit onmiskenbaar toepassing gemaakt heeft van het reglement van inwendige orde van 8 juni 1994 houdende de maatregelen van inwendige orde toepasselijk op de personeelsleden van de rijkswacht en de specifieke maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van de leerlingen van de rijkswachtschool (hierna : het reglement van inwendige orde); dat, aangezien dat reglement genomen is ter uitvoering van artikel 24/13, § 3, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht en die wet met ingang van 1 april 2001 opgeheven is, de verwerende partij op 24 mei 2002 in deze wet en het reglement van inwendige orde geen juridische basis meer kon vinden om verzoeker bij ordemaatregel te muteren naar de brigade Riemst; 2.5.2. Overwegende dat, in het kader van het hier besproken middel, de vraag rijst of de nieuwe regeling inzake het statuut van het politiepersoneel de verwerende partij toch nog de mogelijkheid bood om verzoeker, die als lid van het voormalig operationeel kader van de rijkswacht op het ogenblik van het bestreden IX-3436-7/11 besluit statutair ingedeeld was bij de rijkswachtbrigade Voeren maar voorlopig gedetacheerd was naar de brigade Riemst met toepassing van punt 8c van het reglement van inwendige orde, definitief aan de brigade Riemst toe te wijzen; dat in bevestigend geval die nieuwe regeling dan als rechtsgrond in de plaats komt van het reglement van orde en de omstandigheid dat de verwerende partij zich te dien aanzien vergist heeft niet belet dat het bestreden besluit toch een deugdelijke rechtsgrond heeft; dat verzoeker niet betwist dat hij op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit nog behoorde tot de federale politie en dat de brigade Riemst nog operationeel was; 2.5.3. Overwegende dat het bestreden besluit verzoeker definitief overplaatst naar de brigade Riemst; dat die overplaatsing geen verband houdt met een tuchtvordering tegen verzoeker maar dat zij, in het verlengde van de voorlopige detachering, genomen is om de situatie binnen de lokale politie van Voeren te saneren; dat in die zin de tuchtwet, en de voorlopige schorsing waarin artikel 59 van die wet voorziet, geen toepassing kan vinden; dat dergelijke mutatie wel een plaats heeft in artikel VI.II.85 van het RPPol, dat voorziet in de herplaatsing (‘la réaffectation’) van het politiepersoneel, onder meer wanneer het personeelslid “wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking” (artikel VI.II.85, 8/); dat die bepaling de verwerende partij toelaat om in het belang van de dienst, een politieambtenaar in een andere betrekking aan te stellen of hem aan een andere dienst toe te wijzen; Overwegende aldus dat de verwerende partij in artikel VI.II.85 RPPol een rechtsgrond vindt om, buiten elk tuchtrechtelijk optreden om en in het belang van de dienst, verzoeker bij een andere brigade in te delen; dat die rechtsgrond in de plaats gekomen is van punt 8 van het reglement van inwendige orde; dat vanuit dat oogpunt het middel niet gegrond is; dat voorts, rekening houdend met die nieuwe rechtsgrond, er ook geen sprake kan zijn van een andere behandeling van de voormalige rijkswachters en de leden van de andere politie-korpsen; dat ook vanuit dat oogpunt het middel niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de wet van 27 december 1973 en van het reglement van inwendige orde, doordat de bestreden beslissing genomen is door de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie van de federale politie, terwijl de genoemde reglementen die overheid niet bevoegd maken om hem bij ordemaatregel IX-3436-8/11 te muteren; dat hij het middel als volgt toelicht: de mutatie bij ordemaatregel kan overeenkomstig punt 8 van het reglement van inwendige orde enkel opgelegd worden door de commandant van de rijkswacht wanneer de aanwezigheid van het personeelslid de goede verstandhouding in de eenheid of de goede organisatie van de dienst ernstig verstoort; in dit geval heeft kolonel NOELS -commandant van de territoriale rijkswachtgroep Limburg-, daartoe door de commandant van de rijkswacht aangewezen, hem op 11 september 2000 voorlopig gedetacheerd en bijgevolg diende de omzetting van die voorlopige detachering in een definitieve mutatie bij ordemaatregel door dezelfde overheid beslist te worden; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt, enerzijds dat de functie van commandant van de rijkswacht sinds 1 januari 2001 niet meer bestaat en dat, in de nieuwe politiestructuur, de commissaris-generaal van de federale politie niet dezelfde bevoegdheden heeft als voorheen de commandant van de rijkswacht en anderzijds dat de delegatie die de commandant van de rijkswacht aan kolonel NOELS gegeven heeft wegens die nieuwe politiestructuur niet meer ingeroepen kan worden om de overheid aan te wijzen die over de mutatie van verzoeker kon beslissen; dat zij van oordeel is dat het koninklijk besluit van 3 september 2000 met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie, ruime bevoegdheden toekent aan de directeurs- generaal van de federale politie inzake het beheer van hun algemene directie en de daaronder ressorterende personeelsleden en dat artikel 20, 2/, van de tuchtwet de directeur-generaal aanwijst als hogere tuchtoverheid voor het personeel van het middenkader; 3.3 Overwegende dat verzoeker daarop repliceert wat volgt: het was de commandant van de rijkswachtgroep Limburg, die daartoe op 11 september 2000 door de commandant van de rijkswacht was aangewezen, die het bestreden mutatiebesluit had moeten treffen; als één geheel uitmakend met de beslissing om hem voorlopig te detacheren naar de rijkswachtbrigade Riemst, was commandant NOELS ter zake bevoegd; de ruime bevoegdheden die aan de directeurs-generaal van de federale politie toegekend is betekent niet dat die ambtenaren de bevoegdheid hebben om de rechtstoestand van verzoeker onbeperkt te veranderen; zijn rechtstoestand kan enkel gewijzigd worden door organen van het bestuur die daartoe uitdrukkelijk door een wet of een reglement bevoegd gemaakt zijn; de verwijzing naar bevoegdheden in tuchtzaken is niet relevant, aangezien de verwerende partij zelf toegeeft dat de bestreden beslissing niet kadert in een tuchtzaak; IX-3436-9/11 3.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet dat de tuchtwet niet bepaalt welke overheden bevoegd zijn om de andere ordemaatregelen dan de voorlopige schorsing, waarnaar artikel 59 verwijst, te treffen, maar dat naar haar oordeel de directeur-generaal die bevoegdheid heeft, aangezien hij dezelfde functies vervult als de korpschef bij de lokale politiekorpsen, hij derhalve verantwoordelijk is voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen zijn algemene directie, wat betekent dat hij elke maatregel kan treffen om de goede werking van de dienst te verzekeren; dat zij daar aan toevoegt dat de tuchtwet de directeur-generaal bevoegd maakt om de voorlopige schorsing van de officieren te bevelen, dat het daarom ook logisch is dat dezelfde directeur-generaal ook ordemaatregelen oplegt en dat uit de onderrichtingen van het college van procureurs-generaal en de rechtsleer ook blijkt dat de tuchtoverheid alle noodzakelijke organisatorische en bewarende maatregelen kan treffen; 3.5.1. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel gebleken is dat de bestreden mutatie bij ordemaatregel, waarbij verzoeker om redenen van dienstbelang wordt overgeplaatst van de brigade Voeren naar de brigade Riemst, gezien binnen het systeem ingesteld door het RPPol, te beschouwen is als een herplaatsing als bedoeld in artikel VI.II.85 RPPol; dat in het kader van het onderhavige middel onderzocht moet worden of het bestreden besluit voldoet aan de voorschriften die het RPPol voor dergelijke herplaatsing bevat; dat, aangezien het besluit niet kadert in een tuchtprocedure, de verwerende partij ten onrechte verwijst naar de tuchtregeling; 3.5.2. Overwegende dat artikel VI.II.86 bepaalt dat de herplaatsing bij de federale politie bevolen wordt “door de commissaris-generaal, op advies van de directeur-generaal die de algemene directie leidt binnen dewelke het personeelslid wordt herplaatst”; dat in dit geval het bestreden besluit genomen is door de directeur- generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie; dat het dus getroffen is met miskenning van artikel VI.II.86 RPPol, terwijl ook niet blijkt dat de commissaris- generaal zijn bevoegdheid kan delegeren naar een directeur-generaal; dat het middel gegrond is, IX-3436-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 24 mei 2002 van de directeur- generaal van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie waarbij de voorafgaande detachering ten bewarende titel van Freddy MAES naar de brigade Riemst, wordt omgezet in een mutatie bij ordemaatregel naar dezelfde brigade. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3436-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.048 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.114.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.