← België

Arrest 159051 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.051 Rolnummer: Zaak: Arrest 159051 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:52 Fiche Arrest nr 159.051 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.051 van 22 mei 2006 in de zaken A. I. 122.808/IX-3377 II. 122.809/IX-3378 III. 122.810/IX-3379 IV. 122.811/IX-3380 V. 122.813/IX-3381 VI. 122.814/IX-3382 VII. 122.815/IX-3383 VIII. 122.816/IX-3384 IX. 122.817/IX-3385 X. 122.818/IX-3386 XI. 122.819/IX-

  1. In zake : I. Sonja CYMERMAN, II. Anja DE MEUE, III. Stefaan DEVOS, IV. Nicole LAEBENS, V. Isabelle T’KINT, VI. Luc VALCK, VII. Laurence VANDERBRUGGEN, VIII. Christine VAN DE WALLE, IX. Christine VAN SCHOORISSE, X. Huguette VERFAILLE, XI. Rita WECHENBERGER, die woonplaats kiezen bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), gevestigd te GENT, Voskenslaan 228, bus 4 tegen : I. t.e.m. XI
  2. het AURORAZIEKENHUIS A.V., dat woonplaats kiest bij advocaat Chr. DE GANCK, kantoor houdende te GENT, Koning Leopold II-laan 95,
  3. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van RONSE, dat woonplaats kiest bij advocaat St. CALLENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-3377-1/15 D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Sonja CYMERMAN, Anja DE MEUE, Stefaan DEVOS, Nicole LAEBENS, Isabelle T’KINT, Luc VALCK, Laurence VANDERBRUGGEN, Christine VAN DE WALLE, Christine VAN SCHOORISSE, Huguette VERFAILLE en Rita WECHENBERGER op 22 juni 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  5. de beslissing van 13 december 2001 van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW) van Ronse waarbij formeel wordt vastgesteld dat verzoekers op 31 december 1998 werden overgedragen aan het AURORAZIEKENHUIS A.V.,
  6. de beslissing van 21 februari 2002 van de raad van het OCMW van Ronse waarbij de raad kennis neemt van het schrijven van 29 januari 2002 van het AURORAZIEKENHUIS A.V. houdende de lijst van de bij de oprichting van het AURORAZIEKENHUIS A.V. overgenomen personeelsleden van het OCMW van Ronse,
  7. de beslissing van 22 oktober 2001 van het directiecomité van het AURORAZIEKENHUIS A.V. tot vaststelling van de lijst van de personeelsleden die bij de oprichting van het AURORAZIEKENHUIS A.V. werden overgenomen door het ziekenhuis van de respectieve OCMW’s; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 7 juli 2003 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 7 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; IX-3377-2/15 Gehoord het verslag van de Voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. GORDTS, die loco advocaat Chr. DE GANCK verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat St. CALLENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  8. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  9. Verzoekers waren allen vast benoemde personeelsleden van het OCMW van Ronse. Zij waren tewerkgesteld in het Burgerlijk Ziekenhuis te Ronse, dat onder het OCMW van Ronse ressorteerde. 1.
  10. Op 22 december 1998 komt er tussen de OCMW’s van Ronse en Oudenaarde, de steden Ronse en Oudenaarde, het Universitair Ziekenhuis Gent en de VZW Vereniging der Geneesheren van de A.V. Aurora een vereniging tot stand zoals bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW-wet). Deze vereniging, genaamd AURORA Ziekenhuis Autonome Verzorgingsinstelling (hierna: Auroraziekenhuis), met zetel te Oudenaarde, Sint-Walburgastraat 9, wordt opgericht voor een termijn van dertig jaar, welke ingaat op 31 december
  11. Ze heeft als doel ziekenhuisdiensten te Ronse en te Oudenaarde op te richten en te exploiteren. Artikel 8 van de statuten van de vereniging bepaalt dat bij de aanvang van de vereniging in onderling overleg tussen de deelgenoten de personeelsformatie wordt vastgesteld en dat op grond hiervan de personeelsleden worden aangeduid die door elk van de deelgenoten ten behoeve van de ziekenhuizen worden overgedragen aan en overgenomen door de vereniging met hun eigen statuut in toepassing van artikel 128 van de OCMW-wet. IX-3377-3/15 1.
  12. Op 22 oktober 2001 besluit het directiecomité van het Auroraziekenhuis de lijst vast te stellen van alle personeelsleden die bij de oprichting van het Auroraziekenhuis werden overgenomen door het ziekenhuis van de respectieve OCMW’s. Dat is de derde bestreden beslissing. 1.
  13. Met verwijzing naar de voormelde beslissing van het directiecomité van het Auroraziekenhuis stelt de raad voor maatschappelijk welzijn van Ronse op 13 december 2001 vast welke personeelsleden van het voormalige Burgerlijk Ziekenhuis te Ronse “per 31 december 1998 overgedragen werden aan het Auroraziekenhuis A.V”. Aldus wordt ook de overdracht van verzoekers aan het Auroraziekenhuis formeel vastgesteld. Dat is de eerste bestreden beslissing. 1.
  14. Met een brief van 29 januari 2002 deelt de algemeen directeur van het Auroraziekenhuis aan de voorzitter van het OCMW van Ronse de “definitieve” lijst mede van alle personeelsleden die bij de oprichting van de ziekenhuisvereniging werden overgenomen van de OCMW’s van Ronse en Oudenaarde. 1.
  15. Met een brief van 6 februari 2002 deelt de algemeen directeur van het Auroraziekenhuis aan de voorzitter van het OCMW van Ronse mede dat op 29 januari 2002 een verkeerde lijst werd toegezonden en dat thans een correcte lijst is bijgevoegd. 1.
  16. Op 18 februari 2002 stelt het directiecomité van het Auroraziekenhuis “formeel de lijst vast [...] met betrekking tot de overdracht van het OCMW-personeel van het Burgerlijk Ziekenhuis Ronse”. 1.
  17. Op 21 februari 2002 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn van Ronse kennis van de brief van 29 januari 2002 van het Auroraziekenhuis A.V. houdende de lijst van de bij de oprichting van het Auroraziekenhuis A.V. overgenomen personeelsleden van het OCMW Ronse en stelt vast dat deze lijst IX-3377-4/15 identiek is aan de lijst opgesteld en vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn in zitting van 13 december
  18. Dat is de tweede bestreden beslissing. 1.
  19. Met aangetekende brieven van 28 februari 2002 stellen de voorzitter en de waarnemend secretaris van het OCMW van Ronse de provinciale secretaris van het V.S.O.A. en de gewestelijke secretaris van de C.C.O.D. en van de A.C.O.D. in kennis van de onder nummers 1.4 en 1.8 bedoelde beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn. 1.
  20. Op 20 maart 2002 neemt de raad van beheer van het Auroraziekenhuis onder meer kennis van de onder nummer 1.
  21. bedoelde beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van Ronse. De raad van beheer besluit dat “de betrokken personeelsleden vanaf 31.12.1998 personeelsleden van het Auroraziekenhuis AV” zijn. 1.
  22. Volgens verzoekers stelt de provinciale secretaris van het V.S.O.A. hen op 26 april 2002 in kennis van de bestreden beslissingen. Ter gelegenheid van een informatievergadering van het V.S.O.A. op 30 april 2002 nemen zij ook kennis van “de [...] gehanteerde motieven en de aan de bestreden beslissingen verbonden juridische aspecten, met inbegrip van de juridische tekortkomingen waaraan die beslissingen [...] leden en de mogelijkheid om daartegen een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen”. 1.
  23. Met een aangetekende brief van 20 december 2002 delen de voorzitter van de raad van beheer van het Auroraziekenhuis en de gedelegeerd bestuurder van dat ziekenhuis verzoekers, met uitzondering van Luc VALCK, mee dat de algemene vergadering van de ziekenhuisvereniging op 17 december 2002 beslist heeft dat zij “in toepassing van art. 128 §2 van de OCMW-wet” met ingang van 1 januari 2003 worden overgedragen aan de vereniging OVERO (Openbare Vereniging Ronse). 2.
  24. Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van de beroepen wordt voorgesteld; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot IX-3377-5/15 regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals vervangen door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 juni 2000; 2.
  25. Overwegende dat verzoekster Anja DE MEUE die, het beroep gekend onder nr. 122.809/IX-3378 heeft ingesteld, binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend; dat krachtens die wetsbepaling te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; 3.1.
  26. Overwegende dat de beide verwerende partijen opwerpen dat de onderhavige beroepen niet ontvankelijk zijn omdat de verzoekers nagelaten hebben een door de wet georganiseerd administratief beroep in te stellen vooraleer de Raad van State te adiëren; dat zij laten gelden dat de bestreden beslissingen betrekking hebben op de overdracht van personeelsleden van het OCMW van Ronse naar een vereniging zoals bedoeld in artikel 118 van de OCMW-wet en dat tegen dergelijke beslissingen krachtens artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een georganiseerd administratief beroep kan worden ingesteld bij de provinciegouverneur; 3.1.
  27. Overwegende dat verzoekers repliceren dat onder een georganiseerd administratief beroep een beroep moet worden verstaan waarbij de overheid tot wie het is gericht, verplicht is te antwoorden krachtens een duidelijke normatieve bepaling die de beroepsvorm organiseert, en dat ertoe strekt de genomen beslissing te doen intrekken, te vernietigen of te wijzigen; dat volgens hen het beroep bij de provinciegouverneur bedoeld in artikel 128, § 2, van de OCMW-wet geen dergelijk georganiseerd administratief beroep betreft, omdat dit wetsartikel geenszins een beroepsvorm organiseert, maar slechts een bezwaarprocedure in het leven roept, en bovendien evenmin ondubbelzinnig en duidelijk ertoe strekt de genomen beslissing te doen intrekken, vernietigen of wijzigen; dat zij voorts de mening zijn toegedaan dat, hoe dan ook, zelfs indien wordt aangenomen dat het beroep bedoeld in artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een georganiseerd administratief beroep betreft, de omstandigheid dat zij voorafgaand aan hun annulatieberoepen bij de Raad van State geen dergelijk beroep bij de provinciegouverneur hebben ingediend, niet kan leiden tot het besluit dat hun respectieve annulatieberoepen niet ontvankelijk zouden zijn, aangezien zij door de verwerende partijen niet werden ingelicht over het bestaan van deze administratieve beroepsmogelijkheid, noch van het orgaan dat bevoegd is er uitspraak over te doen, noch van de voorwaarden waaronder en de termijnen waarbinnen dat beroep moest worden ingesteld; IX-3377-6/15 3.1.3.
  28. Overwegende dat verzoekers in hun laatste memories nog doen gelden dat een georganiseerd administratief beroep een beroep is dat krachtens een uitdrukkelijke bepaling van een wet, decreet of ordonnantie bij een welbepaald orgaan, binnen een welbepaalde termijn en minstens volgens een welbepaalde procedure ingesteld moet worden en dat ondubbelzinnig en duidelijk ertoe strekt de genomen beslissingen te doen intrekken, te vernietigen of te wijzigen; dat er in artikel 128, § 2, van de OCMW-wet echter geen sprake is van enige welbepaalde termijn, van enige welbepaalde procedure of van enige ondubbelzinnige en duidelijke bepaling die ertoe strekt de genomen beslissingen te doen intrekken, te vernietigen of te wijzigen; dat verzoekers voorts een vergelijking maken met het georganiseerd administratief beroep overeenkomstig artikel 111, § 3, van de OCMW-wet, dat luidt als volgt: “Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat een besluit, bedoeld in § 1 of § 2, het gemeentelijk belang en inzonderheid de financiële belangen van de gemeente schaadt, kan het tegen dit besluit beroep instellen bij de provinciegouverneur. Dit beroep schorst de uitvoerbaarheid van het aangevochten besluit, en moet samen met een eensluidend verklaard afschrift van het bestreden besluit of van het verzoek bedoeld in artikel 109, derde lid, aan de provinciegouverneur verstuurd worden binnen een termijn van twintig dagen ingaande de dag na de in § 1 of § 2 bedoelde verzending. Een afschrift van dit beroep wordt dezelfde dag aan het centrum en aan de Vlaamse regering verzonden. Als het beroep gegrond is, bevestigt de provinciegouverneur, bij gemotiveerd besluit, de schorsing van het bestreden besluit. Een afschrift van dit schorsingsbesluit wordt zonder verwijl naar het college van burgemeester en schepenen en naar de Vlaamse regering verzonden. Het geschorste besluit kan ingetrokken of vernietigd worden volgens de modaliteiten bepaald in artikel 112, § 2 en §
  29. Als binnen de in artikel 112bis, § 4, vermelde termijn geen besluit aan het centrum wordt verstuurd, is het bestreden besluit uitvoerbaar.”; dat verzoekers vaststellen dat artikel 111, § 3, van de OCMW-wet, in tegenstelling tot artikel 128, § 2, van de OCMW-wet, duidelijk een welbepaalde termijn, een welbepaalde procedure en een welbepaalde strekking van het beroep voorschrijft, zodat de rechtspraak, die stelt dat artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een georganiseerd administratief beroep inhoudt, berust op een verkeerde interpretatie van die bepaling, in het bijzonder het standpunt in het auditoraatsverslag volgens welk artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet “manifest” een georganiseerd administratief beroep uitmaakt; IX-3377-7/15 3.1.3.
  30. Overwegende dat verzoekers voorts aanvoeren dat luidens artikel 159 van de Grondwet “de hoven en rechtbanken [...] de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe[passen] in zoverre zij met de wetten overeenstemmen”; dat volgens de meerderheidsrechtspraak van de Raad van State voornoemd artikel 159 enkel geldt voor de met eigenlijke rechtspraak belaste organen, maar niet voor het actief bestuur, zodat elk bestuursorgaan dat niet als rechtscollege optreedt, ertoe gehouden is de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toe te passen, zolang zij niet zijn opgeheven of vernietigd; dat verzoekers voorts argumenteren dat er twee hypotheses bestaan betreffende de onwettigheden van de bestreden beslissingen : - ofwel zijn de onwettigheden van zulke aard, dat de bestreden beslissingen zonder meer als onbestaande gehouden moeten worden door verzoekers en de provinciegouverneur, zodat een administratief beroep tegen de bestreden beslissingen onnodig of overbodig is - ofwel zijn de onwettigheden niet van zulke aard, dat de bestreden beslissingen zonder meer als onbestaande gehouden moeten worden, zodat de provinciegouverneur een beslissing moet nemen die abstractie maakt van die onwettigheden, een beslissing die zelf aangetast zou zijn door een onwettigheid, aangezien een orgaan van het actief bestuur geen wettigheidscontrole kan uitvoeren doch enkel de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toepassen, zolang zij niet zijn opgeheven of vernietigd; Overwegende dat verzoekers dus argumenteren dat, zelfs indien artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een administratief beroep inhoudt, het niet uitputten van die procedure niet tot de ontvankelijkheid van het annulatieberoep leidt, aangezien dergelijk beroep te dezen toch overbodig of nutteloos is; 3.1.3.
  31. Overwegende dat verzoekers voorts aanvoeren dat luidens artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking, die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, slechts geldig ter kennis wordt gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld en bij ontstentenis van die IX-3377-8/15 vermeldingen, de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt; dat verzoekers op geen enkel ogenblik ingelicht werden over het bestaan van het beroep, over het bevoegde orgaan of over de voorwaarden en de termijnen van het beroep; dat verzoekers betogen dat bijgevolg niet enkel de termijnen voor het instellen van het beroep bij de provinciegouverneur en voor het instellen van het annulatieberoep bij de Raad van State niet zijn ingegaan, maar ook dat verzoekers niet geacht worden het beroep bij de provinciegouverneur voorafgaandelijk uit te putten om een annulatieberoep bij de Raad van State te kunnen instellen; dat dit het rechtszekerheids- en stabiliteitsbeginsel ten goede komt; dat verzoekers dus aanvoeren dat zelfs indien artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een administratief beroep inhoudt, het niet volgen van die procedure niet tot de onontvankelijkheid van het annulatieberoep leidt, rekening houdend met de nalatigheid van de verwerende partijen; 3.1.3.
  32. Overwegende dat verzoekers ten slotte verzoeken aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vragen te stellen : “
  33. Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang in de interpretatie dat die bepaling - met het oog op het hebben van een belang en de daarmee verbonden ontvankeljkheid van een annulatieberoep gericht tegen een administratieve handeling die rechten toekent- een verzoeker alsnog ertoe zou verplichten voorafgaandeljk aan het annulatieberoep een georganiseerd administratief beroep in te stellen, dat weliswaar door een bepaling met normatieve draagwijdte, zoals in casu artikel 128, § 2, vierde lid, van de O.C.M.W.-wet, is voorzien, maar waarbij : - het georganiseerd administratief beroep als totaal zinloos, nutteloos en overbodig voorkomt, meer bepaald in de hypothese dat het beroep betrekking heeft op een administratieve handeling die zo grof onregelmatig is dat die handeling volgens de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van - State zelf voor ‘onbestaande’ mag en zelfs moet worden gehouden; - - onwettige beslissing kan leiden, gegrond op de onwettigheid klevend aan de oorspronkelijke beslissing zelf en die de beslissing in beroep dejure niet vermag weg te werken, meer bepaald in de hypothese dat het beroep betrekking heeft op een administratieve handeling die niet zo grof onregelmatig is dat die handeling volgens de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van - IX-3377-9/15 State zelf voor ‘onbestaande’ zou mogen worden gehouden, noch door de - verzoeker, noch door de administratieve overheid die bevoegd is voor de behandeling van het georganiseerd administratief beroep, zodat een verzoeker die overeenkomstig artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet een zinloos, nutteloos of overbodig beroep instelt, door artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gelijk zou worden behandeld als andere rechtsonderhorigen die een georganiseerd administratief beroep instellen dat niet zinloos, nutteloos of overbodig is, hoewel hij zich als verzoeker in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als die andere rechtsonderhorigen?
  34. Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet in samenlezing met artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang, - in de mate dat artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet zou moeten worden beschouwd als een georganiseerd administratief beroep, - zodat een personeelslid van een OCMW dat werd overgedragen aan een vereniging in de zin van artikel 128 van de OCMW-wet en door die vereniging is overgenomen met het oog op het hebben van een belang en de daarmee - verbonden ontvankelijkheid van zijn annulatieberoep ertoe verplicht zou zijn voorafgaandelijk dat georganiseerd administratief uit te putten, - hoewel er de jure slechts sprake kan zijn van een dergelijk beroep indien het krachtens een uitdrukkelijke bepaling van een wet, decreet of ordonnantie daadwerkelijk is georganiseerd, di. wanneer die bepaling niet alleen een welbepaald beroepsorgaan aanduidt, maar ook de welbepaalde door de beroepsindiener na te leven termijn bepaalt, de door de beroepsindiener en het beroepsorgaan welbepaalde te volgen procedure vastlegt en die bepaling ondubbelzinnig en duidelijk ertoe strekt de genomen beslissingen te doen intrekken, vernietigen of wijzigen, als een georganiseerd administratief beroep kan worden beschouwd, - terwijl artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet alleen kan worden geacht het beroepsorgaan aan te duiden, - zodat een verzoeker op wie artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet toepasbaar is, door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gelijk wordt behandeld als andere rechtsonderhorigen die een daadwerkelijk georganiseerd administratief beroep kunnen instellen krachtens andere bepalingen van een wet, decreet of ordonnantie, hoewel hij zich als verzoeker in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als die andere rechtsonderhorigen?”
  35. Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door de bepalingen van: - artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet, volgens hetwelk de overeenkomstig artikel 126, § 2, bevoegde provincie-gouverneur uitspraak doet IX-3377-10/15 over elke betwisting betreffende de toepassing van artikel 128 van de OCMW-wet; - artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang; - artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur volgens hetwelk een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, slechts geldig ter kennis wordt gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld en volgens hetwelk, bij ontstentenis daarvan de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt; in de interpretatie dat - gegeven het feit dat aan het betrokken personeelslid van een OCMW geen kennis werd gegeven van de beslissing tot zijn overdracht van het OCMW naar een vereniging en/of van de beslissing tot zijn overname door de vereniging of gegeven het feit dat in die kennisgeving niet de in artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet vermelde beroepsmogelijkheid noch de modaliteiten van dat beroep worden vermeld, - uit de bovenvermelde samengelezen bepalingen zou volgen dat de termijn voor het indienen van het georganiseerd administratief beroep weliswaar niet zou zijn ingegaan, maar dat het annulatieberoep gericht tegen de beslissing tot overdracht en/of de beslissing tot overname, bij ontstentenis van het georganiseerd administratief beroep onontvankelijk zou zijn, zodat een eerste verzoeker die nalaat het overeenkomstig artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet georganiseerde beroep in te stellen, bij ontstentenis van een correcte kennisgeving van de beslissingen tot overdracht en overname en/of van de beroepsmogelijkheid bij de provinciegouverneur en de modaliteiten van dat beroep, maar rechtstreeks, zonder uitputting van dat beroep, een annulatieberoep bij de Raad van State instelt tegen de beslissingen tot overdracht en overname, op een gelijke wijze wordt behandeld als een tweede verzoeker die het georganiseerd administratief beroep wel instelt nadat hij op een correcte wijze in kennis is gesteld van de beslissingen tot overdracht en overname, van de beroepsmogelijkheid bij de provinciegouverneur en de modaliteiten van dat beroep en aansluitend daarop een annulatieberoep bij de Raad van State instelt tegen de beslissing die de provinciegouverneur in beroep heeft genomen, hoewel de eerste verzoeker zich in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als de tweede verzoeker?”; 3.2.
  36. Overwegende dat verzoekers met de onderhavige beroepen opkomen tegen beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van Ronse en van het AURORA Ziekenhuis A.V. met betrekking tot hun overheveling van voornoemd OCMW naar de voornoemde ziekenhuisvereniging; dat artikel 128, § 2, van de OCMW-wet, met betrekking tot de overname van personeelsleden van een OCMW door een vereniging bedoeld in artikel 118 van dezelfde wet, waarvan dat OCMW deelgenoot is, het volgende bepaalt : IX-3377-11/15 “Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van een in dit hoofdstuk bedoelde vereniging kunnen door deze worden overgenomen. Ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen worden deze leden met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben op grond van het administratief en geldelijk statuut van toepassing op het ogenblik van de overname indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend. De Vlaamse regering kan de algemene regelen tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van deze personeelsleden bepalen. Zij kan tevens de voorwaarden bepalen waaronder deze personeelsleden terug in hun centrum van herkomst kunnen worden opgenomen. De wetten of besluiten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn niet van toepassing op de overplaatsingen die op grond van deze paragraaf geschieden. Op verzoek van het centrum, van de vereniging of het betrokken personeelslid, doet de bij artikel 126, § 2, bedoelde provinciegouverneur uitspraak over elke betwisting betreffende de toepassing van de bovenstaande bepalingen.”; 3.2.
  37. Overwegende dat het vierde lid van de aangehaalde wetsbepaling tot stand gekomen is na een voorstel van een lid van de senaatscommissie dat het wenselijk vond “dat naast het centrum en de vereniging ook een personeelslid zich tot de gouverneur kan richten omwille van een betwisting” (Parl. St. Senaat (1974- 1975) nr. 581/2, 176); dat met andere woorden de wetgever de mening was toegedaan dat de mogelijkheid van een willig beroep op de toezichthoudende overheid, dat hier ongetwijfeld ook van toepassing zou zijn, niet volstond; dat hij daarvoor een welbepaalde overheid heeft aangewezen en een beroep openstelt voor “elke” betwisting; dat het derhalve gaat om een georganiseerd administratief beroep; dat enkel de beslissing van de gouverneur als eindbeslissing het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat wijl verzoekers nagelaten hebben het voormelde georganiseerd administratief beroep in te stellen alvorens hun annulatieberoepen bij de Raad van State in te stellen, die laatste beroepen niet ontvankelijk zijn; dat de omstandigheid dat de verwerende partijen verzoekers niet persoonlijk in kennis hebben gesteld van de beslissingen betreffende hun overheveling naar het AURORA Ziekenhuis A.V., noch van de beroepsmogelijkheid daartegen bij de provinciegouverneur, daaraan geen afbreuk doet; dat dit verzuim hoogstens enige invloed zou kunnen hebben gehad op de termijn om het voorafgaand administratief beroep in te stellen; dat in zoverre de wet geen termijn voorschrijft, ook dan nog moet worden vastgesteld dat verzoekers alsnog de gelegenheid hadden om het georganiseerd beroep in te stellen zodra zij van de bestreden beslissingen kennis hadden en hen op de verplichting om dat te doen IX-3377-12/15 gewezen was, doch het niet gedaan hebben; dat overigens uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat verzoekers via hun vakbond kennis werd gegeven van de ten aanzien van hen genomen beslissingen; dat, ten slotte, in tegenstelling met wat het geval is met betrekking tot de beroepen bij de Raad van State, de OCMW-wet niet voorschrijft dat van het bestaan van een recht van beroep bij de provinciegouverneur melding moet worden gemaakt; 3.2.
  38. Overwegende dat op de vraag van verzoekers in hun laatste memories om de bestreden beslissingen niet toe te passen overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, niet kan worden ingegaan omdat die regel niet geldt voor individuele administratieve rechtshandelingen; dat ook niet is aangetoond en verzoekers nooit eerder dan in hun laatste memories hebben beweerd dat ze zo onregelmatig zijn dat ze voor onbestaande moeten worden gehouden; 3.2.4.
  39. Overwegende dat de eerste prejudiciële vraag, zoals verzoekers ze formuleren, uitgaat van de premissen dat het voorafgaand administratief beroep tegen een handeling die zodanig grof onwettig is dat ze voor onbestaande moet worden gehouden zinloos is en zelf slechts tot een onwettige beslissing kan leiden; dat het feit zelf dat verzoekers die grove onregelmatigheid pas voor het eerst in hun laatste memorie hebben ontdekt, aantoont dat die premissen onjuist of op zijn minst niet bewezen zijn; dat de Raad van State dan ook niet inziet hoe het Arbitragehof die vraag zou kunnen beantwoorden zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, namelijk door zich uit te spreken over het voorwerp van de betwisting zelf, de vraag of artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een voorafgaand administratief beroep bij de gouverneur heeft ingesteld; 3.2.4.
  40. Overwegende dat ook de tweede vraag uitgaat van de veronderstelling dat niet aangetoond is dat voornoemde wetsbepaling voorziet in een voorafgaand administratief beroep, ditmaal omdat ze geen procedure en termijnen heeft bepaald; dat ook die kwestie hiervoor is beslecht en de verzoekers in wezen dan ook vragen dat het Arbitragehof in de plaats van de Raad van State die beoordeling zou overdoen; 3.2.4.
  41. Overwegende, ten slotte, dat ook de derde vraag uitgaat van een a priori : dat verzoeker aan wie geen kennis wordt gegeven van de mogelijkheid en noodzaak om vooraf een administratief beroep in te stellen onheus behandeld wordt ten opzichte van degene aan wie die kennisgeving wel wordt gedaan; dat hiervoor IX-3377-13/15 immers ook is gesteld dat die mededeling niet inherent is aan het bestaan van een georganiseerd administratief beroep; dat ook de derde prejudiciële vraag niet gesteld moet worden; 3.2.
  42. Overwegende dat de exceptie gegrond is; dat de beroepen niet ontvankelijk zijn;
  43. Overwegende dat aangezien de verwerende partijen verzoekers niet in kennis hebben gesteld van de noodzaak vooraf het door artikel 128 van de OCMW-wet georganiseerde beroep bij de provinciegouverneur in te stellen, de eerste en de derde tot de elfde verzoekers terecht vragen om de kosten van hun beroepen ten laste van de verwerende partijen te brengen, BESLUIT: Artikel
  44. De afstand van het geding wordt vastgesteld ten aanzien van Anja DE MEUE. Artikel
  45. De andere beroepen worden verworpen. Artikel
  46. De kosten van het tweede beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van Anja DE MEUE. De kosten van de beroepen, bepaald op 1750 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. IX-3377-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3377-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.