id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.052 Rolnummer: A. 102017/IX-2767 Zaak: Arrest 159052 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 19:53 Fiche Arrest nr 159.052 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.052 van 22 mei 2006 in de zaak A. 102.017/IX-
- In zake : Alfons BOSMANS, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Justitie,
- de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiezen bij advocaat D. D'HOOGHE, kantoor houdende te BRUSSEL, H. Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons BOSMANS op 20 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen door de minister van Justitie op 18 januari 2001, waarbij geweigerd wordt verzoeker weder op te nemen als lid van de gerechtelijke politie bij de parketten; Gelet op het arrest nr. 123.870 van 6 oktober 2003 luidens welk er geen reden is om met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het procedurereglement het ontbreken van het vereiste belang vast te stellen, de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het afdoen van het onderzoek van de zaak; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-2767-1/16 Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat J. VERSTRAETEN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat R. HEIJSE, die loco advocaat D. D’HOOGHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker was inspecteur van de gerechtelijke politie bij de parketten. Oorspronkelijk was hij verbonden aan de brigade Mechelen. In 1992 werd hij gedetacheerd naar de nationale brigade van de gerechtelijke politie. In 1995 wordt hij terug verbonden aan de brigade Mechelen. IX-2767-2/16 1.
- In 1996 vraagt verzoeker één jaar loopbaanonderbreking aan teneinde voor een ziek persoon te kunnen zorgen en, in bijkomende orde, indisponibiliteitstelling. Aangezien het eerste statutair niet mogelijk wordt geacht, wordt verzoeker bij ministerieel besluit van 12 november 1996 voor zes maanden in disponibiliteit gesteld vanaf 1 november
- Dat besluit wordt nadien opgeheven bij ministerieel besluit van 24 december 1996 met ingang van 1 februari 1997, omdat intussen gebleken is dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een tuchtverslag wegens dienstverzuim en het niet naleven van dienstinstructies en dat hij tijdens zijn indisponibiliteitstelling een handelsactiviteit uitoefent die niet verenigbaar is met zijn ambt van gerechtelijk inspecteur en die niet overeenstemt met de redenen waarvoor hij in disponibiliteit werd gesteld. Dat laatste betreft meer bepaald het feit dat verzoeker op 30 oktober 1996 door de algemene vergadering van de BVBA DECAFUN is aangesteld tot zaakvoerder. 1.
- In een brief van 29 januari 1997 stelt verzoeker dat hij zich in de onmogelijkheid bevindt om zijn ambt opnieuw op te nemen omdat hij binnen de tijdspanne van een maand de financiële, organisatorische, juridische, familiale en sociale schikkingen die hij heeft genomen niet kan ombuigen of wijzigen in een zin die het hem mogelijk maakt zijn ambt terug op te nemen en vraagt hij dat toepassing zou worden gemaakt van de bepaling dat de niet-terugkerende in disponibiliteit gestelde automatisch als ontslagnemend wordt beschouwd. 1.
- In een brief van 21 februari 1997 wordt verzoeker meegedeeld dat het koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het Rijkspersoneel, waarin de regeling voorkomt waarnaar verzoeker verwees, niet van toepassing is op de leden van de gerechtelijke politie en wordt hem gevraagd of hij vrijwillig ontslag neemt. Verzoeker deelt op 4 april 1997 dan mee dat hij inderdaad vrijwillig ontslag neemt maar vermeldt uitdrukkelijk dat hij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om weder opgenomen te worden. Bij ministerieel besluit van 13 mei 1997 wordt hem ontslag verleend. IX-2767-3/16 1.
- Op 4 februari 1998 vraagt verzoeker om weder opgenomen te worden bij de gerechtelijke politie op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 december
- 1.
- Op 18 december 1998 verleent de raad van overleg van de gerechtelijke politie een ongunstig advies over de wederopneming van verzoeker "gelet op de ongunstige rapporten in het dossier van betrokkene en meer bepaald wegens het feit dat er een tuchtprocedure tegen hem loopt". Dit advies wordt hem op 15 april 1999 meegedeeld. 1.
- Op 26 april 1999 dient verzoeker een verzoek in om gehoord te worden door het comité tot regeling van de gerechtelijke politie. 1.
- Op 15 februari 2000 bekrachtigt dit comité unaniem het ongunstig advies van de raad van overleg, met de volgende motivering : "Overwegende dat de heer BOSMANS is opgeroepen binnen de maand na publicatie van het ministerieel besluit van 10 november 1999 betreffende de nominatieve aanwijzing of erkenning van sommige effectieve en plaatsvervangende leden van het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; Overwegende dat het ongunstig advies van de raad van overleg aan de heer BOSMANS werd betekend op 20 april 1999, huidig beroep uitmakend en als voldoende gekend dient te worden geacht; Overwegende dat de vergadering niet ontkent dat de loopbaan van betrokkene gunstig verliep tot en met de periode dat hij gedetacheerd was bij de Nationale Brigade van de gerechtelijke politie en de moeilijkheden zich opstapelden wanneer hij terug geaffecteerd werd bij zijn brigade van oorsprong te Mechelen; Overwegende dat de affectatie van betrokkene slecht verwerkt werd waardoor hij blijk gaf van een duidelijk gebrek aan inzet en interesse voor zijn werk; Overwegende dat het toch geen toeval kan zijn dat de vraag tot onderbreking van zijn beroepsloopbaan van 25 september 1996 samenvalt met het tuchtverslag van zijn hiërarchische oversten; Overwegende dat van in het begin van de periode van zes maanden van disponibiliteit, ingaande op 1 november 1996, betrokkene zich actief heeft IX-2767-4/16 ingelaten als zaakvoerder in de BVBA DECAFUN zonder hiervan evenwel melding te maken; Overwegende dat al die omstandigheden doen vermoeden dat hij de voorkeur gegeven heeft aan het nemen van ontslag, eerder dan zich te moeten reïntegreren in zijn brigade met het risico van een tuchtonderzoek; Overwegende dat betrokkene zich niet kon neerleggen bij het feit dat hem andere taken werden opgedragen, eerder van financieel-economische aard, en het behalen van een getuigschrift van bedrijfsbeheer aan het centrum van middenstandsopleiding het tegendeel niet doet veronderstellen; Overwegende dat er twijfel bestaat dat hij thans wel zou kunnen functioneren in het kader van de consensusnota en de nieuwe taakverdeling tussen de politiediensten;" . 1.
- Op 11 januari 2001 dient verzoeker een nieuw verzoek tot wederopneming in bij de minister van Justitie. 1.
- De minister antwoordt daarop bij brief van 18 januari 2001 als volgt : "Ik heb de eer U in kennis te stellen dat aan uw verzoek van 4 februari 1998 om weder opgenomen te worden als lid van de gerechtelijke politie bij de parketten geen gunstig gevolg kon gegeven worden. Artikel 71 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bepaalt dat voor wederopneming de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten een gunstig advies dient te verlenen over het onderzoek van de redenen waarvoor het ontslag werd aangevraagd en over de verenigbaarheid met de waardigheid van het ambt van de activiteiten die in de tussentijd door de betrokkene uitgeoefend zijn. Op datum van 18 december 1998 verleende de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten een ongunstig advies met betrekking tot uw verzoek tot wederopname bij de gerechtelijke politie. Bij aangetekend schrijven van 15 april 1999, welk U op datum van 20 april 1999 in ontvangst nam, werd U hiervan in kennis gesteld. Per brief van 26 april 1999, gericht aan de Heer Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, verzocht U om gehoord te worden door het Comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten. Op datum van 15 februari 2000 bekrachtigde het Comité tot regeling met unanimiteit van stemmen het ongunstig advies van de raad van overleg betreffende uw verzoek tot wederopneming bij de gerechtelijke politie. Bij aangetekend schrijven van 3 maart 2000, welk U op datum van 8 maart 2000 in ontvangst nam, werd U van het advies van het Comité tot regeling in kennis gesteld. IX-2767-5/16 Ingevolge de in de plaatsstelling van de federale politie met ingang van 1 januari 2001 dient U uw verzoek van 11 januari 2001 te richten aan mijn collega de heer Minister van Binnenlandse Zaken". Dat is de bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat uit de reglementering volgt dat, indien de minister kiest om niet af te wijken van het advies van het comité tot regeling van de gerechtelijke politie, zijn optreden zich ertoe beperkt van dat advies kennis te nemen en dat het advies zelf dan een beslissing met rechtsgevolgen is, om de betrokkene niet weder op te nemen; dat, vermits in casu de minister niet aan verzoeker heeft medegedeeld dat hij wenste af te wijken van het advies, verzoeker ervan moest uitgaan dat de minister er niet van afweek en dat hij binnen de wettelijke termijn een annulatie- en schorsingsberoep had moeten instellen tegen het tot beslissing geworden advies van het comité tot regeling van 3 maart 2000 en desgevallend ook tegen de impliciete beslissing van de minister om er niet van af te wijken; dat verzoeker deze beslissingen evenwel niet tijdig met een beroep heeft bestreden; 2.2.
- Overwegende dat blijkens de artikelen 70 en 71 van het koninklijk besluit van 19 december 1977 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten het verzoek tot wederopneming bij de minister van Justitie ingediend moet worden en dat de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten daarop een gunstig advies moet geven over het onderzoek van de redenen waarvoor het ontslag werd aangevraagd en over de verenigbaarheid van de activiteiten die in de tussentijd door de betrokkene uitgeoefend zijn met de waardigheid van het ambt; dat de betrokkene, binnen tien dagen volgend op de datum waarop hem het advies door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstmelding ter kennis is gebracht, aan de procureur-generaal kan vragen gehoord te worden door het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; dat voornoemd comité IX-2767-6/16 -hierna ook genoemd : regelingscomité- een gemotiveerd advies uitbrengt dat, blijkens artikel 66 van het voormelde besluit, bij ter post aangetekend schrijven aan de comparant wordt medegedeeld; dat het advies en de dossiers van de zaak worden overgezonden aan de minister van Justitie die, indien hij voornemens is af te wijken van het advies, zulks mededeelt aan de comparant welke, binnen tien dagen die volgen op de dag van deze mededeling zijn opmerkingen aan de minister van Justitie kan laten kennen; dat de Koning of de minister van Justitie, naar gelang van het geval, de redenen aangeeft waarom het uitgebrachte advies niet wordt gevolgd; 2.2.
- Overwegende dat volgens artikel 71, laatste lid, van de betrokken reglementering het comité tot regeling een “advies” uitbrengt wanneer het optreedt in het kader van een vraag tot wederopneming; dat geen ander artikel aan dat comité uitdrukkelijk een beslissingsbevoegdheid geeft en niet kan worden aangenomen dat zijn bevoegdheid impliciet is; dat zulks strookt met het gangbare principe dat de minister de verantwoordelijkheid draagt voor beslissingen betreffende de loopbaan van de personeelsleden van zijn diensten; dat hoe dan ook dus de minister uitdrukkelijk een beslissing diende te nemen, zij het dan wellicht dat deze ingeval van een ongunstig advies gebonden is; dat ook al voorziet artikel 66,§2 enkel in een regeling voor het geval dat de minister wenst af te wijken van het advies van het comité tot regeling, daaruit niet afgeleid kan worden dat hij enkel in dat geval zou moeten optreden; dat ook in het andere geval hij de eindbeslissing moet nemen, doch dan niet verplicht is daarbij een bijzondere procedure te volgen; 2.2.
- Overwegende dat ter zake de bestreden akte twee verschillende deelinhouden heeft: hoofdzakelijk gaat het over verzoekers eerste aanvraag, de laatste alinea handelt over verzoekers nieuwe aanvraag; Overwegende, wat de eerste aanvraag van verzoeker betreft, dat vóór de nieuwe aanvraag van verzoeker, daarover nog geen enkele beslissing werd getroffen door de minister; dat er zelfs geen impliciete beslissing was om niet af te wijken van het advies, aangezien een impliciete beslissing van de minister enkel vervat kan zijn in een andere expliciete beslissing van die minister, welke niet bestaat; IX-2767-7/16 Overwegende dat de eerste akte waarin de minister van Justitie zelf stelling neemt over die eerste aanvraag, de brief is van 18 januari 2001; dat zijn beslissing dan geen louter bevestigende beslissing is van een eerder door het comité tot regeling genomen beslissing maar wel de eindbeslissing zelf, ook in de veronderstelling dat ze qua inhoud gebonden was, gelet op het door het regelingscomité behouden negatieve advies van de raad van overleg; dat wat de tweede aanvraag betreft de brief niet meer inhoudt dan een inlichting, een doorverwijzen naar de bevoegde minister; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden akte dan ook voor vernietiging vatbaar is in de mate dat ze een beslissing inhoudt over verzoekers eerste aanvraag, doch niet waar ze antwoordt op de tweede aanvraag;
- Ten gronde. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de procedure dermate lang heeft geduurd dat de redelijke termijn werd overschreden; dat hij hierbij uiteenzet dat zijn aanvraag dateert van 4 februari 1998 en dat hem pas op 15 april 1999, dus meer dan een jaar later, meegedeeld werd dat de raad van overleg een ongunstig advies had verleend, terwijl het comité tot regeling pas op 15 februari 2000 zijn zaak behandelde; dat het daarna nog tot 18 januari 2001 duurde alvorens de minister een beslissing nam, niettegenstaande verzoeker voor het comité tot regeling reeds de onredelijk lange duur van de procedure had aangeklaagd; 3.1.
- Overwegende dat een vernietiging op grond van dit middel zou beletten dat de verwerende partij nog een nieuwe beslissing over verzoekers eerste aanvraag neemt; dat zonder zulk een beslissing verzoeker evenwel niet weder opgenomen kan worden in de politie; dat hij dan ook geen belang heeft om het middel aan te voeren; dat het niet ontvankelijk is; 3.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht alsmede van artikel 71 van het IX-2767-8/16 koninklijk besluit van 19 december 1997 aanvoert, doordat het bestreden besluit geen motieven bevat daar het zich beperkt tot het opsommen van de procedurestappen zonder zich de motieven van de adviezen eigen te maken enerzijds en deze adviezen zelf niet voldoende antwoorden op verzoekers argumenten noch toetsen aan de criteria van artikel 71, anderzijds; dat hij bij wijze van toelichting eerst uitvoerig zijn “nota zoals neergelegd op 15.2.2000" aanhaalt en vervolgens uiteenzet : “
- Vooreerst zegt de Minister in zijn Besluit niets over de ingeroepen middelen;
- De Minister stelt ook niet dat hij zich de adviezen eigen maakt!
- Geen van deze gunstige rapporten, zoals vermeld op p. 2, 3 en 4 van de nota wordt vermeld bij de uiteindelijke beslissing. Nochtans zijn ze zeer belangrijk. Cruciaal in de beoordeling van de heer BOSMANS was het feit dat hij gedurende jaren perfect heeft gefunctioneerd; Hij is vervolgens gedetacheerd geworden naar de GSO, banditisme en drugs, de 23e brigade, de Bijzondere Brigade; Overal waren er eensluidend gunstige adviezen, tot omwille van organisatorische redenen, de heer BOSMANS die zeer goed werk verrichtte in een zeer belangrijke brigade, wordt bericht dat een einde wordt gesteld aan zijn werk bij de Nationale Brigade, om motieven die volledig los staan van zijn persoon en zijn functioneren! De heer BOSMANS was hiervoor geschikt. Op verschillende momenten werd nog getracht met telkens weer gunstige adviezen hem terug te krijgen in de speciale brigades waar hij belangrijk werk verrichtte, doch de administratieve trage draaimolen verhinderde dat ‘the right man on the right place’ (de geschikte man op de geschikte plaats) kwam of beter bleef. Terecht voerde hij aan dat hij daar nu nog steeds goed werk zou kunnen verrichten. Het is onduidelijk waarom de Minister deze argumentatie afwees. Geen enkel antwoord hierop in het Besluit, noch in de adviezen. Dit is nochtans een wezenlijk element in de beoordeling: iemand die gespecialiseerd werk doet (bv een jurist die bezig is met administratief recht en er zich zeer goed in voelt), is uiteraard teleurgesteld als ondanks alle gunstige adviezen omwille van organisatorische redenen, hij plots verplicht wordt parkeerboetes in te vorderen, doch hij blijft bekwaam en gemotiveerd om zijn gespecialiseerd werk te doen.
- Er waren enkel positieve adviezen tot mei
- Slechts vanaf dan tot zijn onderbreking op 25.9.1996 is er een korte periode van negatieve adviezen en van het zgn. tuchtonderzoek. Doch er zijn in die periode ook belangrijke positieve adviezen. De procureur des Konings deelde op 12 november 1996 nog mede aan de hoofdcommissaris dat de heer BOSMANS beter tijdelijk een behandeling zou IX-2767-9/16 ondergaan ingevolge psychische problemen en dat er geen nood was aan het opstarten van een tuchtrechtelijke procedure. Bij schrijven dd. 26 november 1996 van de heer ROTENS aan de heer procureur des Konings geeft de heer ROTENS aan dat de heer BOSMANS nog wel degelijk kan functioneren binnen de gerechtelijke politie en dit nadat er tuchtverslagen geweest zijn. Tevens wordt er geschreven: ‘En hij kan zich misschien beter aanpassen in de grotere brigade, vooral wanneer hij daar in de recherche- of drugsafdeling zou kunnen ingeschakeld worden’. Er was dan ook geen enkele reden om zijn wederopneming te weigeren. Met deze gegevens werd geen rekening gehouden. Ook al brengt verzoeker ze aan in zijn nota, noch in het Besluit noch in het advies wordt er naar verwezen en wordt er manifest niet geantwoord op deze middelen. Het Besluit motiveert niet waarom de heer BOSMANS ondanks deze duidelijke adviezen, reeds na de onderbreking van beroepsloopbaan niet kan wederopgenomen worden.
- Verzoeker vroeg dat bepaalde gegevens uit het dossier zouden worden geweerd (p.9 in fine, p.10 nota) met de brief van de heer KERSTENS die informeel werd overgemaakt, maar in het dossier werd weerhouden. Of deze brief heeft meegespeeld in de beslissing is onduidelijk. Er wordt hieromtrent niets beslist of geadviseerd.
- Met de betrekking tot de activiteiten uitgevoerd na zijn ontslag, meldt de heer Bosmans in zijn nota p.12 dat de uitbating van BVBA DECAFUN aan een onderzoek van de GP te Kortrijk werd onderworpen en dit onderzoek zeer positief verlopen is. Uit het verslag volgt dat er niets negatiefs te melden is. Dit middel wordt niet beantwoord.
- 7.
- Bovendien voorziet artikel 71 van het KB duidelijke criteria om te beoordelen of iemand kan wederopgenomen worden, nl. : - redenen van het ontslag - verenigbaarheid van de activiteiten met de waardigheid van het ambt Nergens in het Besluit wordt hierover gesproken. 7.
- De Heer BOSMANS gaf als reden voor zijn ontslag een persoonlijke reden, nl de ernstige ziekte van zijn echtgenote; Nergens in het Besluit, noch het advies wordt hierover gesproken. 7.
- De activiteit die hij uitoefende in de BVBA DECAFUN in de periode dat hij niet bij de gerechtelijke politie was, was volkomen waardig met het ambt. Dit wordt zelfs niet tegengesproken door het Besluit of het advies. Het verslag van de GP Kortrijk was duidelijk positief. Het advies stelt alleen dat deze activiteit niet was ‘gemeld’, (bedoeld is: ‘per aangetekend schrijven’, al stelt zich de vraag of dat uberhaupt moet); in ieder geval wist men het klaarblijkelijk wel. Het advies zegt niet dat deze activiteit niet waardig zou zijn. Het advies besluit om redenen die niets met de door het KB voorziene criteria te maken hebben tot een ongunstig advies. IX-2767-10/16 Dit is een duidelijke schending van de motiveringsplicht gecombineerd met artikel 71 van het K.B.”; 3.2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de brief van 18 januari 2001 geen beslissing is over verzoekers aanvraag en dat de minister in deze brief dan ook niet diende te antwoorden op de argumenten die verzoeker voor de adviesorganen had aangevoerd noch zich deze motieven eigen diende te maken; dat zij in haar laatste memorie stelt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, ook al omdat de minister niet kan afwijken van het advies van de raad van overleg, gevolgd door het regelingscomité, wanneer dit ongunstig is en dat, wegens die gebonden bevoegdheid, een eventuele vernietiging van de "beslissing" van de minister dan ook niet kan leiden tot een positieve beslissing aangaande de wederopname van verzoeker als lid van de gerechtelijke politie bij de parketten; dat zij in bijkomende orde aangaande het middel zelf nog aanvoert dat men niet terzelfder tijd een schending van de formele en van de materiële motiveringsplicht kan aanvoeren, dat aangezien de minister ter zake slechts over een gebonden bevoegdheid beschikte, hij ermee kon volstaan te verwijzen naar de ongunstige adviezen van zowel de raad van overleg als het regelingscomité; dat inzake de materiële motiveringsverplichting en artikel 71 van het koninklijk besluit van 19 december 1997, zij stelt dat niet in extenso geantwoord dient te worden op alle door de verzoeker ingeroepen argumenten, dat uit het advies van het regelingscomité bovendien blijkt dat de argumentatie van verzoeker wel degelijk bij de totstandkoming van het advies werd betrokken, inzonderheid doordat het overweegt dat "de vergadering niet ontkent dat de loopbaan van de betrokkene gunstig verliep tot en met de periode dat hij gedetacheerd was bij de nationale brigade van de gerechtelijke politie en de moeilijkheden zich opstapelden wanneer hij terug geaffecteerd werd bij zijn brigade van oorsprong te Mechelen." en dat "betrokkene zich niet kon neerleggen bij het feit dat hem andere taken werden opgedragen, eerder van financieel-economische aard, en het behalen van een getuigschrift van bedrijfsbeheer aan het centrum van middenstandsopleiding het tegendeel niet doet veronderstellen"; dat volgens de verwerende partij het voorts in de eerste plaats aan de raad van overleg van de gerechtelijke politie en aan het regelingscomité toekomt om te oordelen of een IX-2767-11/16 gunstig advies kan worden uitgebracht inzake een vraag tot wederopneming na onderzoek van de redenen waarvoor het ontslag werd aangevraagd en van de verenigbaarheid van de activiteiten die in tussentijd door de betrokkene uitgeoefend zijn met de waardigheid van het ambt, dat de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van deze comités doch, in geval van een ontvankelijk beroep, slechts kan nagaan of zij in redelijkheid tot dergelijk advies konden komen en dat het motief dat verzoekers ontslag ingegeven zou zijn met de bedoeling zich te onttrekken aan het tuchtonderzoek, niet onredelijk blijkt te zijn; dat tenslotte de verwerende partij vaststelt dat het ongunstig advies van het regelingscomité nog andere motieven bevat, zoals de verwijzing naar het feit dat verzoeker de affectatie slecht verwerkt heeft waardoor hij blijk gaf van een duidelijk gebrek aan inzet en interesse voor zijn werk, dat hij opgetreden is als zaakvoerder van een BVBA zonder hiervan melding te maken, dat hij zich niet kon neerleggen bij het feit dat hem andere taken werden opgedragen, eerder van financieel-economische aard en gesteld dat er aldus twijfel blijft bestaan dat verzoeker thans wel zou kunnen functioneren in het kader van de consensusnota en de nieuwe taakverdeling tussen de politiediensten; dat verwerende partij daaruit afleidt dat, zelfs indien onvoldoende aangetoond zou zijn dat verzoekers vraag tot ontslag ingegeven was door de bedoeling zich te onttrekken aan een tuchtonderzoek, dat de overige motieven vervat in het advies afdoende zijn om de beslissing te kunnen schragen; 3.2.2.
- Overwegende dat uit de samengelezen bepalingen van de artikelen 71 en 66 van het koninklijk besluit van 19 december 1977 afgeleid dient te worden dat indien de raad van overleg een ongunstig advies geeft, er geen wederopneming kan gebeuren door de minister, waartegen de betrokkene enkel een beroep kan instellen bij het regelingscomité, dat dan eveneens een gemotiveerd gunstig of ongunstig advies uitbrengt; dat de vraag of de minister kan afwijken van een ongunstig advies van het regelingscomité ter zake niet relevant is, wijl het hier ongunstig was en de minister van dat advies niet is afgeweken; dat hij ter motivering van zijn beslissing er dan ook mee kon volstaan om vast te stellen, zoals hij heeft gedaan, dat zowel de raad van overleg als het regelingscomité een ongunstig advies hadden uitgebracht; dat hij zodoende de motieven vervat in die adviezen tot de zijne IX-2767-12/16 heeft gemaakt; dat hierbij moet worden vastgesteld dat het advies van het regelingscomité in de plaats is gekomen van dat van de raad van overleg, zodat in beginsel enkel de motieven die het eerstgenoemde comité heeft gehanteerd geacht kunnen worden de beslissing van de minister te ondersteunen; dat het middel dan ook in die zin moet worden onderzocht; 3.2.2.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht inhoudt dat in de bestreden beslissing zelf, of zoals ter zake in de akte waarnaar zij verwijst en die ter kennis van de belanghebbende is, de redenen worden aangegeven die aan de beslissing ten grondslag liggen, de materiële motieven; dat men erover kan redetwisten of het aangeven in de akte zelf van motieven welke in feite of in rechte onaanvaardbaar zijn een schending van de formele motiveringsplicht uitmaakt; dat hoe dan ook verzoeker betwist dat zulks in dezen het geval was; dat het middel dan ook een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, of anders gezegd, aanvoert dat het bestreden besluit niet op rechtens of feitelijk aanvaardbare gronden berust; 3.2.2.
- Overwegende dat het advies van het regelingscomité in de eerste plaats ongunstig is omdat het comité van oordeel is dat verzoekers vraag tot ontslag ingegeven was door de bedoeling zich te onttrekken aan een tuchtonderzoek; dat het regelingscomité daarvoor verwijst naar een aantal gegevens uit het dossier, zoals het samenvallen van het tuchtverslag met de aanvraag tot loopbaanonderbreking en het feit dat de verzoeker zich actief heeft ingelaten met het beheer van de BVBA DECAFUN zonder dat hij daarvan melding had gemaakt bij de motivering van zijn aanvraag; dat het regelingscomité voorts meende dat het twijfelachtig was of verzoeker, die voordien al problemen had om zich na zijn detachering terug in te passen in een plaatselijke brigade, dit thans wel zou kunnen, gelet op de consensusnota en de nieuwe taakverdeling bij de politiediensten; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoeker steeds heeft gesteld dat volgens hem zijn activiteit als zaakvoerder van DECAFUN niet incompatibel was met zijn ambt en ook dat hij zich nooit heeft willen onttrekken aan een tuchtonderzoek; dat hij in zijn brief IX-2767-13/16 van 29 januari 1997 wel stelde dat het voor hem onmogelijk was om tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn waarbinnen hij zijn ambt terug zou moeten opnemen, zijn juridische situatie zo te regelen dat hij effectief terug in dienst kon komen op die datum; dat hij daarom vroeg om bij wijze van enig overblijvende oplossing als ontslagnemend te worden beschouwd, waarbij hij onmiddellijk vermeldde dat hij gebruik zou maken van het recht tot wederopneming; 3.2.2.
- Overwegende dat aan verzoeker echter niet alleen of niet zo zeer verweten wordt dat hij als zaakvoerder van DECAFUN een met zijn ambt onverenigbare activiteit uitoefende, wel dat hij zulks niet had gemeld toen hij in disponibiliteit werd gesteld; dat indisponibiliteitstelling enkel kan worden verleend om bepaalde redenen doch niet om een handelsactiviteit uit te oefenen, daargelaten welke; dat verzoeker daaromtrent een onjuiste verklaring had afgelegd en zulks zonder twijfel als een tuchtfeit kon worden beschouwd; dat redelijkerwijze het regelingscomité dan ook kon veronderstellen dat verzoeker er de voorkeur aan gaf ontslag te nemen, zonder dat alles met zoveel woorden te moeten uitleggen; 3.2.2.
- Overwegende voorts, dat ook al zou het regelingscomité ten onrechte aangenomen hebben dat verzoeker zijn loopbaan wenste te onderbreken omdat er op dat moment een tuchtverslag was wegens andere feiten, het motief dat hij zijn ontslag had ingediend om te ontsnappen aan een tuchtprocedure niet het enige en voornaamste motief was om verzoekers wederopneming te weigeren; dat het advies ook vaststelt dat verzoeker zijn terug geaffecteerd zijn te Mechelen slecht verwerkt heeft en zulks geleid heeft tot een duidelijk gebrek aan inzet en interesse, dat hij zich niet kon neerleggen bij het feit dat hem taken van financieel-economische aard werden opgedragen; dat het bedoelde tuchtverslag voor die feiten werd opgesteld en daaruit dan wordt afgeleid dat het twijfelachtig is of verzoeker thans wel zou kunnen functioneren in het kader van de consensusnota; dat verzoeker wat dat gegeven betreft een uitgebreid verweer heeft gevoerd voor het regelingscomité, met aanhaling van allerlei adviezen; dat de gunstige adviezen welke hij aanhaalt vooral betrekking hebben op zijn functioneren voor zijn terugkeer naar de brigade Mechelen; dat het regelingscomité er niet toe gehouden was om verzoekers argumenten stuk voor stuk IX-2767-14/16 te beantwoorden doch er mee kon volstaan vast te stellen dat verzoeker zich na zijn terugkeer niet kon aanpassen; dat verzoeker voor de Raad van State dat tweede motief niet bestrijdt aangezien zijn argumentatie, aangehaald hiervoor, enkel erop gericht is aan te tonen dat hij wel goed zal functioneren als hij opnieuw het soort werk kan verrichten dat hij verrichtte in de nationale brigade; dat het middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel aanvoert dat hij in strijd met de bepalingen van artikel 60, §§ 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 geen kennis kon nemen van het advies van de Raad van Overleg alvorens gehoord te worden door het Comité tot regeling en dat alzo zijn rechten van verdediging werden geschonden; 3.3.
- Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat het advies van de raad van overleg als volgt luidde: “de Raad geeft een negatief advies gelet op de ongunstige rapporten in het dossier van betrokkene en meer bepaald wegens het feit dat er een tuchtprocedure tegen hem loopt”; dat artike1 71 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 voorschrijft dat dit advies door middel van een aangetekend schrijven ter kennis gebracht wordt van de betrokkene; dat te dezen die kennisgeving is gebeurd door een brief van 15 april 1999, welke onder meer als volgt luidt : “Ik heb de eer u mede te delen dat (...) de raad van overleg van de gerechtelijke politie bij de parketten een ongunstig advies heeft verleend als volgt : ‘De Raad geeft een negatief advies gelet op de ongunstige rapporten in het dossier van betrokkene en meer bepaald wegens het feit dat er een tuchtprocedure tegen hem loopt’.”; dat bijgevolg verzoeker dus wel degelijk op de hoogte is gesteld van het advies van de raad van overleg vooraleer hij gehoord werd door het comité tot regeling; dat het middel faalt in feite, BESLUIT: Artikel
- IX-2767-15/16 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2767-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.052 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.335 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.123.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.