← België

Arrest 159054 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.054 Rolnummer: A. 65442/IX-1523 Zaak: Arrest 159054 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-11 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 19:53 Fiche Arrest nr 159.054 van 22 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.054 van 22 mei 2006 in de zaak A. 65.442/IX-

  1. In zake : Paul VANMELLAERTS, woonplaats kiezend bij advocaat B. HOSTE, kantoor houdend te Izegem, Burgemeester Vandenbogaerdelaan 18, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul VANMELLAERTS op 6 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  2. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan verzoeker een terechtwijzing oplegt,
  3. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan verzoeker een eenmalige inhouding van wedde van tweeduizend frank oplegt,
  4. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan verzoeker een blaam oplegt; Gelet op het arrest nr. 58.448 van 4 maart 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 24 november 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1523-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN OVERBEKE, die loco advocaat B. HOSTE verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. Op 9 december 1993 wordt verzoeker, hoofddouanebeambte, door zijn hiërarchische overste gevraagd schriftelijke verantwoording te geven voor zijn afwezigheid op 30 november 1993 om 18.40 uur aan het hekken I van het openbaar entrepot te Brussel alwaar hij belast was met de wachtdienst tot 19.00 uur, waaromtrent vastgesteld werd dat dit hek volledig geopend was. 1.
  7. Op 15 december 1993 antwoordt verzoeker dat het die avond hevig was beginnen sneeuwen en dat hij samen met zijn collega en na overleg met de huisbewaarder besloten had om 18.30 uur naar huis terug te keren waarna hij nog 110 km te rijden had. Hij kwam die avond pas om 21.45 uur thuis. Hij verklaart verder dat hij voor zijn vertrek het hekken I heeft gesloten en de sleutel in de daartoe bestemde bus heeft gedeponeerd. Het feit dat het hekken toch openstond op het ogenblik van de controle is volgens hem waarschijnlijk te verklaren doordat de huisbewaarder, volgens wat hij aan verzoekers collega zei, nog een familielid naar huis heeft gebracht. IX-1523-2/10 1.
  8. Daartegenover stelt verzoekers hiërarchische overste op 17 december 1993 dat verzoeker de controleur van week had kunnen verwittigen en melding had moeten maken van zijn vertrek in het wachtregister. Hij vindt dat een tuchtstraf noodzakelijk is. De hoofdcontroleur sluit zich hierbij aan. 1.
  9. Op 31 januari 1994 maakt inspecteur P. VERSTREKEN het dossier over aan de hoofdcontroleur te Brussel controle D I die bevoegd is om het voorlopig strafvoorstel op te maken. De inspecteur geeft als zijn mening te kennen dat de gegeven uitleg de handelwijze van verzoeker niet rechtvaardigt noch verschoont. Hij verzoekt een voorlopig voorstel op te stellen voor het opleggen van een terechtwijzing. 1.
  10. Dit gebeurt voor een eerste keer op 3 februari
  11. Verzoeker neemt er op die datum kennis van en ziet af van iedere verdere verdediging. 1.
  12. Dit voorlopig voorstel wordt op 8 februari 1994 vervangen door een nieuw voorstel met dezelfde inhoud maar waarbij de feiten waarvoor de straf wordt voorgesteld uitdrukkelijk worden vermeld. Verzoeker neemt er dezelfde dag kennis van. Hij ziet af van verdere verdediging. 1.
  13. Op 11 februari 1994 stelt ook de adjunct-directeur voor de terechtwijzing op te leggen. 1.
  14. In zijn zitting van 12 juli 1994 beslist het college van dienstchefs eenparig om het definitief strafvoorstel uit te brengen om aan verzoeker de terechtwijzing op te leggen. 1.
  15. Verzoeker neemt op 23 augustus 1994 van dit definitief strafvoorstel kennis en tekent beroep aan bij de raad van beroep. 1.
  16. De raad van beroep behandelt de zaak op 4 mei 1995 en brengt als eenparig advies uit dat het beroep ongegrond is. 1.
  17. Bij ministerieel besluit van 30 mei 1995, namens de minister ondertekend door de directeur-generaal, wordt aan verzoeker voor de voormelde feiten de terechtwijzing opgelegd. IX-1523-3/10 Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  18. Op 15 april 1994 wordt verzoeker door zijn hiërarchische overste gevraagd schriftelijke verantwoording te geven voor het feit dat hij op 31 maart 1994, hoewel hij aangewezen was voor de dienst "handboekjes en toezicht verdiepingen in gebouw C van het TIR-station", opgemerkt werd toen hij om 14.40 uur de drankgelegenheid "Au Relais TIR" verliet en zich begaf naar de ingang van het administratief centrum alwaar het ontvangkantoor Brussel DE2 is ondergebracht. 1.
  19. Op 22 april 1994 antwoordt verzoeker dat hij om 14.30 uur met zijn collega's zijn middagmaal was gaan bestellen voor de volgende dag. Hij voegt eraan toe dat het onmogelijk is om deftig te gaan middagmalen binnen de middagpauze gezien de afstand tussen het stapelhuis en het restaurant. 1.
  20. Op 26 april 1994 maakt verzoekers hiërarchische overste het antwoord van verzoeker over aan de hoofdcontroleur te Brussel controle D III. Hij geeft als zijn mening te kennen dat verzoeker weet dat het ten stelligste verboden is enige drankgelegenheid te bezoeken tijdens de diensturen en dat het bestellen van een middagmaal telefonisch kan gebeuren. Hij is van mening dat het antwoord niet rechtvaardigt dat verzoeker en zijn collega het gebouw C onbeheerd hebben achtergelaten. 1.
  21. Op 17 mei 1994 neemt verzoeker er kennis van dat er voor de genoemde feiten voorlopig voorgesteld wordt hem de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Hij verklaart dat hij wenst te worden gehoord door de overheid die bevoegd is om het definitief strafvoorstel uit te brengen. 1.
  22. Dit voorstel wordt op 16 juni 1994 door inspecteur P. VERSTREKEN overgemaakt aan de adjunct-directeur. De inspecteur is van mening dat uit het feit dat verzoeker zich niet naar gebouw C begaf, maar wel naar het administratief centrum, kan worden afgeleid dat het verblijf in de drankgelegen- heid zeer waarschijnlijk werd verlengd met de koffiepauze in de kantine van de sociale dienst die in dat gebouw is gelegen. Hij ziet het als een verzwarende omstandigheid dat verzoeker samen met twee collega's het gebouw verliet niettegenstaande er in dat gebouw een schrijnend personeelstekort heerst inzake IX-1523-4/10 inlastname en inzonderheid inzake toezicht en er niemand was om hun taak over te nemen. 1.
  23. Op 17 juni 1994 stelt de adjunct-directeur voor een inhouding van wedde ten bedrage van tweeduizend frank op te leggen gezien de antecedenten van de betrokkene. 1.
  24. In zijn zitting van 10 november 1994 beslist het college van dienstchefs, na te hebben vastgesteld dat verzoeker, niettegenstaande hij gevraagd had te worden gehoord, niet is verschenen, eenparig het definitief strafvoorstel uit te brengen om aan verzoeker een eenmalige inhouding van wedde van tweeduizend frank op te leggen. 1.
  25. Verzoeker neemt op 12 december 1994 van dit definitief strafvoorstel kennis en tekent beroep aan bij de raad van beroep. 1.
  26. De raad van beroep behandelt de zaak op 4 mei
  27. Verzoekers verdediger dient een verweerschrift in waarin hij stelt dat : - "'Au Relais Tir' geen café is maar een restaurant, snack-bar" en de enige gelegenheid in de buurt van het entrepot waar men zich kan "bevoorraden"; - indien verzoeker telefonisch zijn middagmaal zou bestellen het dan nog de vraag is waar hij dat zou kunnen "op een menselijke manier nuttigen" want dit kan niet in zijn donker en onverlucht kantoor; - de gevolgtrekking van inspecteur P. VERSTREKEN dat verzoeker zijn koffie- pauze wel zal verlengd hebben in de kantine van de sociale dienst een veronder- stelling is waarover verzoeker nooit werd ondervraagd; - verzoeker niet werd opgeroepen voor de zitting van het college van dienstchefs hoewel hij te kennen had gegeven dat hij door dit college wenste te worden gehoord. Het college geeft met acht stemmen tegen drie het advies dat het beroep ongegrond is. 1.
  28. Bij ministerieel besluit van 30 mei 1995, namens de minister ondertekend door de directeur-generaal, wordt aan verzoeker voor de genoemde feiten een eenmalige inhouding van wedde van tweeduizend frank opgelegd. IX-1523-5/10 Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
  29. Eveneens op 15 april 1994 wordt verzoeker door zijn hiërarchische overste gevraagd schriftelijke verantwoording te geven voor het feit dat hij zich op 7 april 1994, hoewel hij aangewezen was voor de dienst "handboekjes en toezicht verdiepingen in gebouw C van het TIR-station", om 14.30 uur in de drankgelegenheid "Au Relais TIR" bevond. 1.
  30. Op 25 april 1994 antwoordt verzoeker dat hij er een afspraak had tijdens de koffiepauze met een gepensioneerd collega die hem een beleefdheidsbezoek kwam brengen. Hij klaagt aan dat collega's die op 23 maart 1994 in hetzelfde geval verkeerden vrijuit gingen terwijl hij ter verantwoording wordt geroepen. Volgens hem en zijn collega's is dit "pure discriminatie". 1.
  31. Op 27 april 1994 maakt verzoekers hiërarchische overste dat antwoord over aan de hoofdcontroleur te Brussel controle D III. Hij wijst op de recidive in hoofde van verzoeker en vraagt een strenge tuchtstraf op te leggen. 1.
  32. Op 17 mei 1994 neemt verzoeker er kennis van dat er voor de genoemde feiten voorlopig voorgesteld wordt hem de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Hij verklaart dat hij wenst te worden gehoord door de overheid die bevoegd is om het definitief strafvoorstel uit te brengen. 1.
  33. Dit voorstel wordt op 16 juni 1994 door inspecteur P. VERSTREKEN overgemaakt aan de adjunct-directeur. De inspecteur geeft zijn mening te kennen dat de uitleg die verzoeker verstrekte de feiten niet rechtvaardigt en beaamt de voorgestelde sanctie. 1.
  34. Op 17 juni 1994 stelt de adjunct-directeur voor een overplaatsing bij tuchtmaatregel op te leggen en de gewestelijk directeur sluit zich daar op 5 juli 1994 bij aan. 1.
  35. In zijn zitting van 10 november 1994 beslist het college van dienstchefs, na te hebben vastgesteld dat verzoeker, niettegenstaande hij gevraagd had te worden gehoord, niet is verschenen, eenparig het definitief strafvoorstel uit te brengen om aan verzoeker een blaam op te leggen. IX-1523-6/10 1.
  36. Verzoeker neemt op 12 december 1994 van dit definitief strafvoorstel kennis en tekent beroep aan bij de raad van beroep. 1.
  37. De raad van beroep behandelt de zaak op 4 mei
  38. De verdediger van verzoeker dient een verweerschrift in waarin hij er vooreerst op wijst dat verzoeker reeds sinds tien jaar elke dag van 5.30 uur vertrekt om tijdig op zijn werk te zijn en pas om 19 uur weer thuiskomt. Hij hekelt ook de omstandigheden waarin verzoeker dient te werken en meer bepaald het lokaal waarin verzoeker zijn bureau heeft ("een 'hondenhok' want er is noch licht noch lucht" en waarin "geen enkel normaal mens (...) het (...) zeer lang (kan) uithouden") en hij stelt dat het onverantwoord is om dergelijke situatie jarenlang te laten bestaan. Hij vermeldt ook dat verzoekers collega's hem eerder goed dan slecht gezind zijn. Hij stelt verder dat uit de reacties van verzoekers collega's blijkt dat verzoeker wordt gezocht, dat er van hem steeds een negatief beeld wordt opgehangen maar dat nooit wordt op papier gezet dat hij zijn werk zeer goed en nauwgezet doet. Wat de feiten zelf betreft merkt hij op dat aan verzoeker niet wordt verweten dat hij in de genoemde gelegenheid, die een snackbar en restaurant is, alcoholische dranken verbruikte maar alleen dat hij er zich bevond. Hij ging trouwens alleen een broodje kopen. 1.
  39. De raad van beroep adviseert dan bij negen stemmen tegen twee dat het beroep ongegrond is. 1.
  40. Bij ministerieel besluit van 30 mei 1995, namens de minister ondertekend door de directeur-generaal, wordt aan verzoeker voor de voormelde feiten dan een blaam opgelegd. Dit is de derde bestreden beslissing;
  41. Over de ontvankelijkheid. 2.
  42. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is; dat zij hierbij uiteenzet dat de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgehad op drie verschillende tijdstippen; dat er geen verband bestaat tussen die feiten van 30 november 1993, 31 maart 1994 en 7 april 1994; dat de drie tuchtprocedures voor die feiten respectievelijk op 9 december 1993, 15 april 1994 en nog eens 15 april 1994 werden gestart; dat de drie bestreden besluiten op drie verschillende tuchtdossiers betrekking hebben; dat het IX-1523-7/10 beroep dan ook enkel voor de zwaarste tuchtstraf, meer bepaald de inhouding van wedde ten bedrage van 2.000 fr., ontvankelijk is; 2.
  43. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de drie tuchtstraffen verknocht zijn, een weerslag hebben op elkaar en op dezelfde rechtsgrond steunen; dat bij elke tuchtstraf telkens dezelfde middelen en hetzelfde verweer worden aangevoerd; dat ze alle drie op de individuele fiche van verzoeker komen en dus bepalend zijn voor zijn beoordeling; dat voor het opleggen van een tuchtstraf met het verleden van verzoeker wordt rekening gehouden; 2.
  44. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat indien de adjunct-directeur in de tweede tuchtprocedure de inhouding van wedde voorstelt “gezien de antecedenten van de betrokkene”, dit op zich niet voldoende is om aan te tonen dat er een verband bestaat tussen de feiten die aan de drie beslissingen ten grondslag liggen; dat zij voorts betoogt dat in de derde tuchtprocedure de beslissende overheid niet ingaat op het voorstel van de adjunct- directeur om de overplaatsing, dit is een zwaardere tuchtstraf, als tuchtstraf op te leggen, maar dat zij beslist om slechts een blaam op te leggen, dit is een straf die lichter is dan de inhouding van wedde, zodat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat slechts rekening hield met de ernst van de inbreuk; dat geen enkel gegeven uit het administratief dossier erop wijst dat de eerste beslissing een weerslag heeft op de laatste en dat de annulatie van één van de drie beslissingen geen invloed heeft op de andere; 2.
  45. Overwegende dat een verzoekschrift met een drievoudig voorwerp ontvankelijk is wanneer er een zeker verband bestaat tussen de feitelijke gegevens die aan de basis liggen van de drie voorwerpen; dat in de tweede tuchtprocedure de adjunct-directeur de inhouding van wedde voorstelt “gezien de antecedenten van betrokkene”; dat het feit dat de laatste tuchtsanctie, de blaam, lichter is dan de inhouding van wedde, ondanks het voorstel van overplaatsing, niet uitsluit dat de beslissende overheid wel degelijk antecedenten in acht heeft genomen; dat bovendien uit de nota van de gewestelijk directeur van 5 juli 1994 gericht aan de centrale administratie ook blijkt dat: “voor identieke feiten” voorgesteld is om aan verzoeker de tuchtstraf “blaam” op te leggen, dat verzoeker op 15 april “alweer” gehoord is wegens “herbergbezoek tijdens de diensturen”, dat “gezien verschillende tuchtstraffen voor identieke feiten de betrokkene halsstarrig weigert zijn houding te veranderen”; dat die zienswijze vanwege de verwerende partij zelve alsmede de aan verzoeker IX-1523-8/10 verweten feiten op zich de conclusie wettigen dat de feiten samenhangend zijn en getuigen van eenzelfde gedraging die door de verwerende partij in de tuchtrechtelijke sfeer is ondergebracht; dat dienvolgens de beslissing aangaande het eerste voorwerp een weerslag kan hebben op de beslissing over de andere voorwerpen van verzoekers annulatieberoep; dat zijn vordering bijgevolg ontvankelijk is en dat de exceptie wordt verworpen;
  46. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  47. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden besluiten de formele en materiële motiveringsplicht schenden aangezien er geen afdoende motivering is, er niet wordt aangegeven waarom zijn verweer wordt afgewezen, de loutere verwijzing naar het tuchtdossier een nietszeggende formule is en het advies van de raad van beroep niet aan verzoeker is meegedeeld; 3.
  48. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de bestreden besluiten de ten laste gelegde feiten vermelden; dat verzoeker tijdens zijn diensturen zonder toestemming afwezig was en het volstond in de bestreden besluiten te vermelden dat zijn uitleg niet van die aard was om zijn houding te rechtvaardigen; dat verzoeker ter griffie van de Raad van State kennis kon nemen van het advies van de raad van beroep en dat de definitieve voorstellen niet gemotiveerd dienden te worden; 3.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de motivering adequaat dient te zijn en de precieze en concrete redenen moet aangeven waarom de beslissing werd genomen; dat de drie bestreden beslissingen op identieke wijze gemotiveerd werden; 3.4 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar haar memorie van antwoord; 3.5 Overwegende dat de drie bestreden beslissingen op een identieke wijze gemotiveerd zijn; dat telkens na de vermelding van het ten laste gelegde feit, de uitleg van verzoeker “niet van aard werd geacht om zijn houding te recht- vaardigen”; dat deze motivering een loutere stijlformule is aangezien zij nergens aangeeft om welke reden in concreto die uitleg niet aanvaard wordt; dat dergelijke motivering niet afdoende en draagkrachtig is; dat de redenen van het niet aanvaarden IX-1523-9/10 van verzoekers uitleg evenmin kunnen worden afgeleid uit de drie adviezen van de raad van beroep, aangezien deze enkel stellen dat “na beraadslaagd te hebben en uitspraak doende bij geheime stemming” verzoekers beroepen verworpen worden; dat ook hier zulks een stijlformule is aangezien nergens blijkt waarom verzoekers verweer wordt afgewezen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  49. Vernietigd wordt :
  50. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan Paul VANMELLAERTS een terechtwijzing oplegt,
  51. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan Paul VANMELLAERTS een eenmalige inhouding van wedde van tweeduizend frank oplegt,
  52. het besluit van de minister van Financiën van 30 mei 1995 dat aan Paul VANMELLAERTS een blaam oplegt. Artikel
  53. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-1523-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.