← België

Arrest 159055 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.055 Rolnummer: A. 68842/IX-1651 Zaak: Arrest 159055 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 19:54 Fiche Arrest nr 159.055 van 22 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.055 van 22 mei 2006 in de zaak A. 68.842/IX-

  1. In zake : Pierre LIPPENS, wonende te BRESKENS (NEDERLAND), Slikkenburgseweg 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Financiën,
  3. de Gewestelijke Directeur invordering te Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre LIPPENS op 9 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gewestelijk directeur Invordering te Brussel van 13 maart 1996 waarbij geweigerd wordt hem kwijtschelding van nalatigheidsinteresten te verlenen op de aanslag in de belasting der niet-verblijfhouders cohierartikel 141 231, aanslagjaar 1979; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 29 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-1651-1/7 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Op 21 oktober 1981 wordt lastens verzoeker wegens gebrek aan een aangifte in België, van ambtswege een aanslag gevestigd in de belasting der niet verblijfhouders onder artikel 141 231 van het aanslagjaar 1979, inkomsten
  6. 1.
  7. Verzoeker dient op 2 februari 1982 een bezwaarschrift in tegen die aanslag bij de gewestelijk directeur der directe belastingen te Brussel. Hij voert onder meer aan dat de aanslag werd gevestigd op inkomsten welke reeds volledig, en zonder toepassing van enige vermindering, in Nederland werden belast. 1.
  8. Op 15 mei 1987 beslist de gewestelijk directeur bepaalde bedrijfsuitgaven te aanvaarden en een ontheffing te verlenen ten belope van 60.141 BEF. 1.
  9. Op 30 juni 1987 wordt namens verzoeker een verhaal ingediend bij het Hof van Beroep te Brussel tegen die beslissing van de gewestelijk directeur. In zijn arrest van 14 mei 1993 verklaart het Hof van Beroep te Brussel de fiscale voorziening niet ontvankelijk omdat het verhaal te laat werd ingesteld. 1.
  10. Op 15 maart 1995 verleent de gewestelijke directie Gent een ontlasting ten belope van 322.330 BEF om reden van de inwilliging van IX-1651-2/7 bezwaarschriften die werden ingediend door verzoeker tegen een aantal aanslagen in een personenbelasting aanslagjaren 1992 en
  11. 1.
  12. Met een brief van 13 augustus 1995 aan de gewestelijk directeur te Brussel vraagt verzoeker vrijstelling van nalatigheidsinteresten voor de op zijn naam gevestigde aanslag in de belasting der niet-verblijfhouders voor het aanslagjaar 1979 cohierartikel nr. 141
  13. Dat verzoek is gesteund op de omstandigheid dat de inkomsten reeds in Nederland waren belast, dat het hoger beroep werd verworpen wegens laattijdigheid en verzoeker uit onwetendheid geen beroep heeft gedaan op de regeling voor onderling overleg tussen België en Nederland. Verzoeker wijst ook op het feit dat hij in financiële moeilijkheden is gebracht omdat de Belgische en de Nederlandse aanslag gezamenlijk 368.657 BEF belopen op een belastbaar inkomen van 597 358 BEF. 1.
  14. In een nota aan de gewestelijk directeur van 12 december 1995 stelt de ontvanger der belastingen te Brussel dat geen vrijstelling van nalatigheidsinteresten dient te worden verleend omdat de inkomsten wel degelijk in België mogen belast worden, omdat verzoeker voor het aanslagjaar 1993 een aangifte in de personenbelasting heeft gedaan voor een belastbaar bedrag van 860.116 BEF, omdat hij eigenaar is van een woning te Breskens, andere inkomsten uit onroerende goederen heeft, een aantal rekeningen bij de Rabo-bank heeft waarvan het saldo op 31 december 1991 41 589,60 NLG bedroeg en omdat hij en zijn echtgenote eigenaar zijn van een onroerend goed te Maldegem. 1.
  15. Met een brief van 13 maart 1996 deelt de gewestelijk directeur invordering Brussel aan verzoeker mee dat geen vrijstelling van nalatigheidsinteresten wordt verleend. Die weigeringsbeslissing wordt als volgt geformuleerd : “Vooreerst dient aangestipt dat het bedrag van de vordering definitief werd vastgelegd bij beslissing van 15.05.1987 refertenummer 224105 ingevolge uw geldig ingediend bezwaarschrift van 02.02.1982 en dat het verhaal in beroep onontvankelijk werd verklaard ingevolge laattijdigheid. Het is dan ook op het bedrag van de vordering vastgelegd bij de uiteindelijke beslissing dat de nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn voor de duur van het verwijl. IX-1651-3/7 Van nalatigheidsinteresten wordt alleen afgezien wanneer de financiële toestand van de belastingplichtige zo is dat hij voor afzienbare tijd niet in staat zal zijn afbetalingen te storten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidsinteresten te betalen, indien deze mochten blijven lopen. De gegevens waarover ik beschik inzake uw inkomsten en bezittingen, evenals de door U ingeroepen motieven, zijn zonder invloed op het verschuldigd zijn van de interesten. Anderzijds is de inning van nalatigheidsinteresten geen bestraffing doch slechts een burgerlijke schadeloosstelling tot verhaal van de baten die de belastingschuldige verwerft door het in bezit houden van gelden die de Staat van rechtswege toekomen. Rekening houdende echter met het feit dat U reeds op 13.08.1995 een aanvraag tot vrijstelling van nalatigheidsinteresten naar onze diensten richtte, zullen vanaf deze datum geen nalatigheidsinteresten meer aangerekend worden.(...)”. Dit is de bestreden beslissing.
  16. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  17. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 307 van het Wetboek van Inkomstenbelasting doordat die bepaling in de bestreden beslissing te eng wordt uitgelegd en toegepast en doordat de bijzondere omstandigheden die hij aanvoerde door de administratie “niet dienend” werden beschouwd; dat hij hierbij verwijst naar het antwoord van de minister van Financiën op een vraag nr. 291 van 20 mei 1987 gesteld door senator DE CLIPPELE in het Bulletin Vragen en Antwoorden nr. 38 van 30 juni 1987 waaruit blijkt dat het begrip “bijzondere gevallen” veel ruimer is en het de directeur mogelijk maakt om verzoekschriften gesteund op “de meest uiteenlopende argumenten die te maken hebben met specifieke toestanden in rechte of in feite te aanvaarden” in te willigen zodat de uitlegging van de gewestelijk directeur dat enkel vrijstelling kan worden verleend in het geval dat de financiële toestand van de belastingplichtige dermate slecht is dat hij geen nalatigheidsinteresten kan betalen, te eng is; dat hij in zijn verzoekschrift tot kwijtschelding nooit beweerd heeft dat zijn financiële situatie dermate slecht was dat hij niet kan betalen; dat hij als bijzondere omstandigheden de dubbele belasting in België en Nederland heeft aangevoerd en de manier waarop die tot stand was gekomen; dat die omstandigheden evenwel door de administratie “niet dienend” beschouwd werden en bijgevolg niet ernstig zijn onderzocht; 2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de beide argumenten van verzoeker in de bestreden beslissing weerlegd werden; dat, enerzijds, het argument inzake dubbele belasting beantwoord werd door de verwijzing naar de beslissing van de gewestelijk directeur van 15 mei 1987 en dat, IX-1651-4/7 anderzijds, uit een onderzoek naar de inkomsten en bezittingen van verzoeker is gebleken dat zijn vermogenstoestand niet van aard is dat financiële moeilijkheden vermoed kunnen worden; dat rekening houdend met het doel van de wetgever, namelijk de in moeilijkheden verkerende belastingschuldigen te helpen, de vrijstelling niet gerechtvaardigd geacht wordt; 2.
  19. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat ten onrechte gesteld wordt dat de vrijstelling van nalatigheidsinteresten een miskenning zou inhouden van de beslissing van de gewestelijke directeur van 15 mei 1987 omdat geen enkele wetsbepaling verbiedt vrijstelling te verlenen nadat uitspraak is gedaan over een bezwaarschrift; dat hij nooit beweerd heeft dat zijn financiële positie dermate slecht was dat hij de aanslag in geen geval zou betalen maar wel het geleden verlies ingevolge de dubbele belasting een zeer zware financiële last betekent en ingevolge de uitspraak van het Hof van Beroep te Brussel van 14 mei 1993 een overbelasting vormde met name een belasting van 368.657 BEF - Nederlandse en Belgische belasting samen - op een totaal belastbaar inkomen van 597.250 BEF; 2.
  20. Overwegende dat artikel 307, WIB (thans artikel 417, WIB*92) luidt als volgt : "In bijzondere gevallen mag de directeur der belastingen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of voor een deel ervan."; dat deze bepaling haar oorsprong vindt in een wijziging, door artikel 28, § 1, van de wet van 20 augustus 1947 aangebracht in de vroegere gecoördineerde wetten van 12 september 1936 betreffende de belastingen op de inkomsten; dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat geleid heeft tot de voormelde wet van 20 augustus 1947 in verband met artikel 27 (dat nadien artikel 28 werd) onder meer het volgende wordt gesteld (Parl. St. Kamer, 1946-47, nr. 59, blz. 23 en 24) : "Artikel 27 strekt ertoe de administratie toe te laten in bijzondere gevallen vrijdom of vermindering van de nalatigheidsinteresten te verlenen. Het sluit in zich dat het feit gemak te verkrijgen voor de betaling van belastingen die gunst niet van ambtswege medebrengt. Van nalatigheidsinteresten zal slechts worden afgezien in geval de moeilijke financiële toestand van den belastingplichtige aan een oorzaak buiten zijn wil te wijten is of wanneer zijn financiële toestand zo is dat hij, vóór afzienbaren tijd, niet in staat zal zijn afbetalingen te storten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidsinteresten te betalen, indien deze mochten blijven lopen. Daarentegen mag mildering van de nalatigheidsinteresten niet verleend worden aan belastingplichtigen die gemak verkrijgen voor de aanzuivering van hun belastingschuld, met het doel, bij voorbeeld, hun een IX-1651-5/7 gedwongen, ongepaste of nadelige te gelde making van hun goederen te besparen. Mildering van de nalatigheidsinteresten wordt zonder verplichting verleend : de administratie kan ze afhankelijk stellen van zulke beperkingen als zij raadzaam oordeelt en de maatregel kan tegen de administratie niet aangevoerd worden wanneer zij, ten einde haar in gevaar gebrachte rechten te vrijwaren, oordeelt onmiddellijk moeten optreden."; dat de Raad van State in zijn arresten nrs. 25.408 van 29 mei 1985, 32.784 van 23 juni 1989 en 35.726 van 24 oktober 1990 reeds heeft vastgesteld dat het bestuur vooreerst zelf heeft toegegeven dat "de gewestelijke directeur over een zeer ruim appreciatierecht beschikt en zijn beslissingen tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van interesten op andere motieven mag steunen dan deze vermeld in de memorie van toelichting bij de wet van 20 augustus 1947" (Commentaar bij het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (Com. I.B.) 307/1.4), voorts dat de minister van Financiën in circulaires van 27 juli 1978 (nr. circ. 10/296.155) en 14 februari 1979 (nr. circ. 10/304.071) gepreciseerd heeft dat het doel van de wetgever was te voorkomen dat "nalatige, minder eerlijke of onwillige belastingplichtigen een financieel voordeel zouden verwerven uit de omstandigheid dat de belasting of de aanvullende belasting in verband met de niet aangegeven inkomsten laattijdig wordt gevestigd" en ten slotte dat artikel 307 WIB "met ruim begrip" diende te worden toegepast; dat uit het geheel van die gegevens de Raad van State heeft afgeleid dat de gewestelijke directeur met betrekking tot de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 307 WIB over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat zijn bevoegdheid ter zake niet begrensd wordt door de beperkende uitleg vervat in de memorie van toelichting bij de wet van 20 augustus 1947, noch dat hij zich dient te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; dat ook in de onderhavige zaak de Raad van State deze opvatting huldigt; dat echter zoals elke administratieve beslissing de beslissingen van de gewestelijk directeurs op rechtens aanvaardbare motieven moeten berusten die steun vinden in werkelijk bestaande feiten; dat dit ook inhoudt dat de gewestelijk directeur moet aangeven waarom hij de door de partijen aangebrachte argumenten niet heeft aanvaard; 2.
  21. Overwegende dat in deze de bestreden beslissing steunt op een beperkende interpretatie van de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 417 WIB*92; dat immers in zijn brief van 13 maart 1996 de gewestelijke directeur stelt dat van nalatigheidsinteresten “alleen” afgezien wordt wanneer de financiële toestand van de belastingplichtige dermate is dat hij voor afzienbare tijd niet in staat zal zijn afbetalingen te storten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidsinteresten te IX-1651-6/7 betalen, indien deze mochten blijven lopen; dat hiermee het toepassingsgebied van artikel 417 WIB*92 beperkt is geworden tot één van de gevallen vermeld in de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke artikel 28, van de wet van 20 augustus 1947 terwijl de andere “bijzondere gevallen” hiermee zonder meer uitgesloten zijn; dat, daargelaten de vraag of de door verzoeker aangevoerde argumenten die verband houden met de dubbele belasting wel bijzondere gevallen uitmaken in de zin van artikel 417 WIB*92, in deze vastgesteld wordt dat het enig motief waarop de beslissing van de gewestelijk directeur blijkens zijn brief van 13 maart 1996 steunt rechtens niet kan worden aangenomen; dat het eerste middel bijgevolg gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt de beslissing van de gewestelijk directeur Invordering te Brussel van 13 maart 1996 waarbij geweigerd wordt aan Pierre LIPPENS kwijtschelding van nalatigheidsinteresten te verlenen op de aanslag in de belasting der niet-verblijfhouders cohierartikel 141 231, aanslagjaar
  23. Artikel
  24. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-1651-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.