← België

Arrest 159073 - - 22/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.073 Rolnummer: A. 173126/X-12832 Zaak: Arrest 159073 - - 22/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 19:57 Fiche Arrest nr 159.073 van 22 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.073 van 22 mei 2006 in de zaak A. 173.126/X-12.

  1. In zake : Paul SURMONT, wonende te 8490 JABBEKE, Westmoere 2a tegen :
  2. de gemeente JABBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat N. DE CLERCQ, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  4. tussenkomende partij : Peter YSENBRANDT, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROTSAERT, kantoor houdende te 8510 KORTRIJK (MARKE), Pieter Breughelstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul SURMONT op 18 mei 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 13 maart 2006 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke waarbij aan Peter YSENBRANDT en Danielle SLABBYNCK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning met architectenpraktijk te Jabbeke, Kerkeweg 29, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 234y2 (deel), 235c (deel) en 235d (deel); Gezien de nota van de eerste en de tweede verwerende partij; X-12.832-1/4 Gelet op de beschikking van 19 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Paul SURMONT, van Advocaat B. STAELENS die loco Advocaat N. DE CLERCQ verschijnt voor de eerste verwerende partij verschijnt, van Advocaat P. LOUAGE die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij verschijnt, en van Advocaat P. ROTSAERT die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Peter YSENBRANDT met een verzoekschrift van 21 mei 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, krachtens artikel 8, tweede lid, 6 /, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting moet bevatten van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen; Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet en op de stoornis die X-12.832-2/4 zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij en van de eventueel tussenkomende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de uiterst dringende noodzakelijkheid op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; dat een verzoeker die meent een beroep te moeten doen op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleszins moet aantonen bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed, diligentie en alertheid te zijn opgetreden, en bovendien aan de hand van duidelijke gegevens en feiten moet aannemelijk maken dat, indien de vordering wordt ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure, de uitspraak over deze vordering onherroepelijk te laat zou komen om nog enig nuttig effect te sorteren; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift tot schorsing geen afzonderlijke uiteenzetting geeft van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen; dat hij, wat de "tijdigheid van de vordering" betreft, verklaart dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke op 13 maart 2006 de bestreden stedenbouwkundige vergunning heeft verleend en dat hij hiervan kennis heeft gekregen door middel van een op 24 maart 2006 ter post aangetekend schrijven van hetzelfde college; dat de vordering tot schorsing pas werd ingesteld op 18 mei 2006, dit is meer dan 50 dagen nadat verzoeker kennis heeft genomen van het bestreden besluit; dat het laten verstrijken van een dergelijk lange termijn vooraleer de vordering in te stellen de negatie zelf is van de uiterst dringende noodzakelijkheid waarop verzoeker zich beroept; dat verzoeker geen redenen aanvoert waarom hij heeft getalmd bij het inleiden van de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat hij evenmin enig argument aanvoert om aan te tonen dat een uitspraak over een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om nog enig nuttig effect te sorteren; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering tot schorsing niet afdoende is verantwoord; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.832-3/4 BESLUIT: Artikel
  6. Het verzoek tot tussenkomst van Peter YSENBRANDT in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.832-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.073 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.