← België

Arrest 159142 - - 23/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.142 Rolnummer: A. 159312/XIV-21626 Zaak: Arrest 159142 - - 23/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 20:03 Fiche Arrest nr 159.142 van 23 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.142 van 23 mei 2006 in de zaak A. 159.312/XIV-21.

  1. In zake : XXX, wonende te 2018 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 19 januari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 november 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 21 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. SPELEERS die, loco Advocaat I. FRANCK verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.626-1/8 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste en tweede middel aanvoert: “A.- EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN DE MATERIËLE MOTIVERINGS- PLICHT ALS ALGEMEEN BEGINSEL VAN BEHOORLIJK BESTUUR EN VAN ARTIKEL 52 VREEMDELINGENWET I.- Principe De formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is alleszins een substantiële vorm. De materiële motiveringsplicht is een algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. Krachtens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, moeten alle administratieve met individuele strekking formeel worden gemotiveerd. Dit houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd te worden in de beslissing zelf. De motivering, met name de juridische en feitelijke overwegingen die de beslissing gronden, dient afdoende te zijn. Dit wil zeggen dat de overwegingen pertinent moeten zijn en de beslissing dienen te verantwoorden. Een vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke of onnauwkeurige motieven zijn geen afdoende motivering. De beslissing dient duidelijk aan te geven waarom een beslissing werd genomen. Bovendien moeten de relevante feiten waarop de beslissing is gebaseerd, bestaan en juist zijn. De feiten dienen zorgvuldig vastgesteld te zijn en juist te worden gekwalifi- ceerd. Het bestuur dient volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvor- ming kunnen beïnvloeden. In casu werd de beslissing niet, minstens volstrekt onvoldoende, gemotiveerd. De feitelijke en juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, moeten in de beslissing worden vermeld en moeten afdoende zijn. II.- Toepassing l.- Eerste onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen schendt de materiële motiveringsplicht én artikel 52, §l, 2/ Vreemdelingenwet door zich in haar beslissing enkel te steunen op een aantal onwaarheden die geen betrekking hebben op de essentie van het asielrelaas en op basis daarvan te oordelen dat de asielaanvraag bedrieglijk is. De onwaarheden die verzoeker heeft verteld hebben namelijk enkel betrekking op het verblijf van verzoeker in Polen en zijn asielaanvraag daar en over het al dan niet in het bezit zijn van zijn nationaal en internationaal paspoort. Het feit dat verzoeker onwaarheden heeft verteld over hoger vermelde zaken, maakt de asielaanvraag zelf niet bedrieglijk. De feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn vlucht werden door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet onderzocht op hun waarachtigheid. Verzoeker heeft de kans niet gekregen om uit te leggen waarom hij deze onwaarheden heeft verteld. Ten gevolge daarvan heeft de Vaste Beroepscommissie geoordeeld dat de asielaanvraag bedrieglijk was zonder verzoeker in detail te verhoren over de feiten zelf die aanleiding hebben gegeven tot zijn vlucht. De Vaste Beroepscommissie kon alleen maar tot de bedrieglijkheid van de asielaan- vraag beslissen wanneer de vastgestelde onwaarheden betrekking hebben op essentiële elementen van het asielrelaas. Het voorgaande wordt bevestigd door rechtspraak van de Raad van State: XIV-21.626-2/8 R.v.St. 10 maart 2004, 129.082 R.v.St. 13 oktober 1997, 68.812 R.v.St. 7 februari 1995, 41.555 In casu hebben de onwaarheden geen betrekking op de essentiële elementen van het asielrelaas zodat de Vaste Beroepscommissie haar beslissing niet mocht steunen op het bedrieglijk karakter van de asielaanvraag. De beslissing schendt aldus het motiveringsbeginselen artikel 52 Vreemdelingenwet. Bovendien werden de feiten op basis waarvan tot het bedrieglijk karakter werd besloten, onvoldoende onderzocht (zie infra sub B.-, II.-, 1.- Eerste onderdeel). Het eerste onderdeel is gegrond. 2.- Tweede onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelt dat verzoeker zijn reisweg niet kan aantonen doordat hij moedwillig en vrijwillig zijn internationaal paspoort heeft vernietigd. Deze stelling is onjuist. Zoals reeds uiteengezet, gooide verzoeker zijn internationaal paspoort weg toen hij na zijn verblijf in Polen terugkeerde naar Tsjetsjenië. Verzoeker had immers voor zijn vertrek naar Polen een uitreisverbod gekregen. Omdat verzoeker vreesde dat de Russen de Poolse stempel in zijn internationaal paspoort zouden ontdekken en hem zouden arresteren omdat hij het uitreisverbod niet had gerespecteerd, zag hij geen andere uitweg dan zijn paspoort weg te gooien. Men kan dan ook niet staande houden dat verzoeker het paspoort vrijwillig heeft weggegooid. Net uit vrees voor vervolging, gooide hij het weg. Nu verwijt de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verzoeker dat hij daardoor heeft bewerkstelligd dat hij zijn reisweg niet kan aantonen. Dit is een verkeerde gevolgtrekking. Indien verzoeker geen vervolging had moeten vrezen, zou hij nooit zijn paspoort hebben weggegooid en zou hij nooit asiel hebben aangevraagd in een ander land. Men kan hem niet verwijten iets gedaan te hebben waartoe hij juist gedwongen werd omwille van de situatie waarin hij verkeert en die net de reden uitmaakt van zijn asielaanvraag. De motivatie mist op dit vlak elke grondslag. De beslissing schendt het motiveringsbe- ginsel. Het tweede onderdeel is gegrond. B.- TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN SUBSTANTIËLE VORMEN: DE ZORGVULDIGHEIDSPLICHT I.- Principe Het bestuur dient zijn beslissing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden. Zij dient de beslissing te stoelen op (op) een correcte en zorgvuldige feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen. (MAST, A., Overzicht van het Belgische administratief recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1996, 917, p. 49) Een zorgvuldige besluitvorming impliceert dat het bestuur op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt. “Dat het zorgvuldigheidprincipe impliceert dat de bevoegde overheid haar beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden. Dat dit laatste veronderstelt dat de bevoegde overheid haar beslissingen stoelt op een correcte feitenvinding, wat in houdt dat de bevoegde overheid zich op alle mogleijke (mogelijke) manieren dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen.” (Arrest van de Raad van State met nummer 102.366 dd. 27 december 2001) II.- Toepassing De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verwijt verzoeker bedrieglijke verklaringen te hebben afgelegd. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft echter de feiten die aan de basis liggen van deze vaststelling onvoldoende onderzocht. Indien ze dat wel had gedaan, zou ze de asielaanvraag van verzoeker anders hebben beoordeeld en minstens haar beslissing anders hebben moeten motiveren. 1.- Eerste onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelt dat verzoeker heeft verklaard nooit elders een asielaanvraag te hebben ingediend terwijl hij dit wel heeft gedaan in Polen op 26 januari
  4. Deze procedure zou op zijn verzoek zijn stopgezet. Uit het Pools asieldossier zou blijken dat verzoeker op de vraag waarom hij Tsjetsjenië had XIV-21.626-3/8 verlaten enkel zou hebben verwezen naar de algemene situatie in Tsjetsjenië en niet naar zijn persoonlijke problemen. Volgens de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen kan uit het voorgaande het bedrieglijk karakter van de asielaanvraag van verzoeker worden afgeleid. Deze vaststelling is onjuist daar ze gebaseerd is op onvolledige feiten. Indien de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen de volledige omstandigheden van verzoeker had vernomen en deze had onderzocht, dan zou ze haar beslissing anders hebben moeten motiveren. Terzake dienen een aantal zaken te worden uiteengezet: a.- Verzoeker verbleef inderdaad in Polen van 26 januari 2003 tot 7 mei
  5. Op die dag keerde verzoeker terug naar Tsjetsjenië in tegenstelling tot wat de Vaste Beroepscom- missie voor Vluchtelingen beweert. Verzoeker heeft aanvankelijk gezwegen over zijn asielaanvraag en verblijf in Polen omdat hij vreesde te worden teruggestuurd naar Polen. Hij had van anderen vernomen dat dit het geval zou zijn. Deze vrees was nochtans onterecht aangezien verzoeker na zijn verblijf in Polen naar Tsjetsjenië is teruggekeerd. Het is naar aanleiding van de laatste arrestatie in Tsjetsjenië nà zijn terugkeer uit Polen, dat verzoeker naar België is gevlucht. b.- Verzoeker werd aan de grens tussen Wit-Rusland en Polen, meer bepaald in de stad Terespol aan de grens met Belarus, ondervraagd over zijn vertrek uit Tsjetsjenië. Aangezien verzoeker van vrienden had vernomen dat een aantal van de personen die aan de grenspost werken, samenwerken met de Russische autoriteiten en Tsjetsjenen terugsturen, vertelde verzoeker niets over zijn persoonlijke problemen. Indien hij dat wel zou gedaan hebben, zou hij immers hebben moeten vertellen over zijn uitreisverbod. Verzoeker vreesde dat er een grote kans bestond dat hij zou worden teruggestuurd indien hij zou vertellen over zijn persoonlijke problemen en zijn uitreisverbod. Vandaar dat hij verklaarde uit Tsetjsenië te willen vertrekken omdat de algemene leefsituatie niet goed is. In dit geval zouden de personen aan de grensposten hem gewoon doorlaten. Verzoeker werd na het invullen van de vragenlijst aan de grens in Terespol doorge- stuurd naar een asielcentrum nabij Warshau waar hij twee nachten verbleef. Nadien werd hij doorgestuurd naar een ander asielcentrum waar hij drie maanden verbleef. Hij werd gedurende die periode niet meer ondervraagd. Een onderzoek ten gronde heeft nooit plaats gevonden. Aan de grens diende verzoeker enkel een vragenlijst in te vullen die voornamelijk betrekking had op gegevens zoals naam, afkomst, religie enz. Verzoeker heeft slechts één vraag moeten beantwoorden, meer bepaald de vraag over zijn reden tot asielaanvraag, waarnaar de Vaste Beroeps- commissie voor Vluchtelingen in haar beslissing verwijst. 2.- Tweede onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen haalt aan dat verzoeker gelogen heeft over zijn reisweg omdat hij verklaard heeft niet in een derde land te hebben verbleven terwijl hij in Polen heeft verbleven. Deze stelling is onjuist. Verzoeker heeft niet gelogen over zijn reisweg. Hij is na zijn verblijf in Polen op 7 mei 2003 teruggekeerd naar Tsjetsjenië. Nadat hij daar opnieuw werd gearresteerd, is hij opnieuw gevlucht, dit maal naar België. Hij heeft dus niet in een derde land verbleven. Verzoeker heeft enkel gelogen over zijn verblijf in Polen dat voorafging aan zijn laatste verblijf in Tsjetsjenië en dit om hoger vermelde reden. Om de periode tijdens dewelke hij in Polen verbleef, te overbruggen, paste hij de data van de arrestatie aan de extra controlepost aan. Meer bepaald verlaatte hij deze datum van 6 januari naar 22 april om dit te kunnen doen aansluiten met de datum van zijn vertrek uit Tsjetsjenië en de datum van aankomst in België. Dit laatste werd uitvoerig uiteengezet in het verzoekschrift tot hoger beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft verzoeker hierover niet ondervraagd (zie infra sub C.-). 3.- Derde onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen beroept zich op het feit dat verzoeker zou hebben verzwegen dat hij een internationaal paspoort had. Verzoeker heeft aanvankelijk op deze vraag negatief geantwoord omdat hij anders had moeten vertellen XIV-21.626-4/8 over zijn verblijf in Polen naar aanleiding waarvan hij zijn internationaal paspoort heeft weggegooid. Ook hierover heeft de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verzoeker niet nader ondervraagd. 4.- Vierde onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelt dat indien wordt aangenomen dat verzoeker na zijn verblijf in Polen zou zijn teruggekeerd naar Tsjetsjenië, dat dan zijn vrees voor vervolging moet betwijfeld worden. Deze stelling is onterecht. Verzoeker keerde op 7 mei 2003 naar Tsjetsjenië terug om drie redenen. Ten eerste was zijn asielaanvraag na drie maanden verblijf in Polen nog steeds niet behandeld. Ten tweede vernam verzoeker van zijn moeder dat het in Tsjetsjenië rustig was geworden en dat zij geen oproepingen voor hem had ontvangen. Ten derde vernam verzoeker in Polen van andere mensen dat de Russische federale politie in Polen op zoek gaat naar Tsjetsjenen, deze arresteert en terugvoert naar Tsjetsjenië. Toen verzoeker dit vernam, meende hij dat het beter was dat hij in Tsjetsjenië in het bijzijn van zijn moeder zou worden opgepakt zodat zij ook wist wat er met hem zou gebeuren, dan dat hij in Polen zou worden opgepakt en hij zijn moeder niet zou kunnen inlichten. In het laatste geval zou niemand ooit weten waar hij zou worden opgesloten. Indien de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verzoeker hierover in detail had ondervraagd, zou zij de redenen van zijn vertrek uit Polen in rekening hebben moeten nemen. 5.- Vijfde onderdeel De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen stelt dat het Poolse asieldossier een kopie bevat van het binnenlands paspoort van verzoeker en dat hieruit zou blijken dat verzoeker in 2002 zijn verblijfplaats had in Kalmukkië. Verzoekers moeder is in dat jaar in Kalmukkië een paspoort voor haar zoon gaan kopen. Verzoeker is in Kalmukkië geboren en zijn familie heeft daar een tijd gewoond vóór zij naar Tsjetsjenië verhuisde. Om die reden kon zijn moeder gemakkelijk een paspoort afkopen. Dit verklaart de verwijzing naar Kalmukkië doch betekent geenszins dat verzoeker daar gewoond heeft. Indien de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen dit nader had onderzocht, had zij zich hierop niet kunnen beroepen. Bovendien werd de tekst op het paspoort niet vertaald zodat niet met zekerheid kan gesteld worden dat uit het paspoort zou blijken dat verzoeker in kalmukkië zijn verblijfplaats heeft gehad. 6.- Zesde onderdeel Slechts een deel van het Poolse asieldossier, namelijk de vraag over de redenen van de asielaanvraag van verzoeker en zijn antwoord daarop, werd vertaald. De passage die vertaald werd, wordt zo uit de context gehaald. De Vaste Beroepscommissie heeft aldus onzorgvuldig gehandeld. Het document in het Poolse asieldossier is een vragenlijst die verzoeker heeft moeten invullen aan de grens in Terespol en die voornamelijk betrekking had op gegevens inzake naam, origine, religie enz. Het is noodzakelijk dat men alles vertaalt om een juist beeld te krijgen van de asielaanvraag in Polen. Zoals reeds uiteengezet, gaat het hier niet om een onderzoek ten gronde maar een vragenlijst ingevuld aan de grens waarna verzoeker werd doorgestuurd naar een asielcent(e)rum om daar de behandeling ten gronde af te wachten. Besluit.- De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen is onzorgvuldig geweest door bepaalde zaken niet nader te hebben onderzocht (eerste tot vijfde onderdeel) en door het Poolse asieldossier niet volledig te hebben vertaald (zesde onderdeel). Een gedetailleerder onderzoek en een volledig(d)e vertaling van het Poolse asieldossier zouden een heel ander beeld hebben gegeven van de asielaanvraag van verzoeker waardoor de beslissing van de Vaste Beroepscommissie een ander resultaat had gehad of minstens anders zou gemotiveerd zijn. De bestreden beslissing houdt hierdoor een schending in van het zorgvuldigheidsbegin- sel. XIV-21.626-5/8 Het middel is, in al zijn onderdelen, gegrond.”; 1.1.
  6. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wel degelijk is ingegaan op de feiten die aanleiding zouden hebben gegeven tot zijn vlucht; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing hieraan evenwel geen geloof wordt gehecht omdat “zelfs indien wordt aangenomen dat hij na zijn vertrek uit Polen terugkeerde naar Tsjetsjenië, appellants vrees voor vervolging op ernstige wijze dient gerelativeerd te worden” vermits hij “in weerwil van een opgelegd uitreisverbod en een verplichting om op een proces te verschijnen als getuige, zijn land toch verlaten had”, terwijl “een terugkeer in dergelijke omstandigheden een bijzonder groot risico voor strafrechtelijke vervolging met zich meebrengt”, zodat “de terugkeer van appellant naar zijn herkomstland dan ook ernstige vragen doet rijzen omtrent de geloofwaardigheid van de door hem aangehaalde feiten en het hiermee samenhangend risico op vervolging”; dat in zijn beslissing van 4 december 2003 de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen reeds wees op het bedrieglijk karakter van verzoekers verklaringen omtrent zijn (verzwegen) eerdere asielaanvraag, zijn reisweg en zijn internationaal paspoort; dat verzoeker dan ook ruimschoots de kans heeft gehad “om uit te leggen waarom hij deze onwaarheden heeft verteld” zowel middels zijn beroepschrift aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als ter zitting van dit rechtscollege; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of “de onwaarheden die verzoeker verteld heeft” al dan niet betrekking hebben op de essentie van het asielrelaas, of hierdoor de geloofwaardigheid van het ganse asielrelaas wordt ondermijnd en of verzoeker moedwillig zijn paspoort heeft vernietigd en daardoor niet aantoont naar Tsjetsjenië te zijn teruggekeerd; dat in de mate de middelen ertoe strekken de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op deze punten te laten overdoen, ze niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat, als administratieve cassatierechter, de Raad van State immers niet gemachtigd is het onderzoek ten gronde over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid maar over de gegrondheid van het beroep uitspraak wordt gedaan; dat het middel dat de bestreden beslissing niet verwijt te beslissen dat een stuk van het administratief dossier, in casu het Pools asieldossier, een bewering inhoudt die daarin niet voorkomt of geen bewering inhoudt die daarin wel voorkomt, maar de bestreden beslissing enkel verwijt dat het dat stuk uitlegt op een wijze die het in strijd acht met de uitlegging die het voorstelt, geen grief bevat betreffende de miskenning van de bewijskracht van de stukken en derhalve XIV-21.626-6/8 niet ontvankelijk is; dat het eerste en het tweede middel, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn; 1.2.
  7. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “C. DERDE MIDDEL : SCHENDING VAN SUBSTANTIËLE VORMEN : DE RECHTEN VAN DE VERDEDIGING Over een heel aantal feiten, waarnaar de beslissing verwijst en waarop de beslissing is gesteund, werd verzoeker niet ondervraagd. Deze feiten liggen nochtans aan de basis van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Zo heeft verzoeker geen uitleg kunnen verschaffen over : - Zijn asielaanvraag in Polen en de omstandigheden waarin hij daar antwoord heeft gegeven op de gestelde vraag - De redenen van de stopzetting van de procedure in Polen en de verklaring voor zijn terugkeer naar Tsjetsjenië ondanks zijn vrees voor vervolging - De reden waarom hij zijn internationaal paspoort weggooide - De verklaring voor de verwijzing in het binnenlands paspoort naar Kalmukkië Verzoeker heeft zich op deze punten niet kunnen verdedigen. Aldus zijn de rechten van de verdediging van verzoeker geschonden.”; 1.2.
  8. Overwegende dat de betwisting, zowel voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, de vraag betrof of er in hoofde van verzoeker een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A), 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 voorhanden was; dat, om zich over deze feitelijke vraag uit te spreken, de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen de motieven, waarop ze zich heeft gesteund, niet aan de partijen hoefde voor te leggen, aangezien deze de gelegenheid hebben gehad om al hun middelen betreffende de gegevens van de zaak naar voor te brengen zowel middels het beroepschrift als ter zitting van dit rechtscollege; dat het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van de rechten van verdediging niet eist dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motieven, op grond waarvan ze voornemens is een aanvraag als ongeloofwaardig af te wijzen, vooraf ter kennis brengt van de vreemdeling; dat het derde middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. XIV-21.626-7/8 Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.626-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.