id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.183 Rolnummer: Zaak: Arrest 159183 - - 24/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-01 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-07-04 05:07 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 159.183 van 24 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing BEVOEGDHEIDSCONFLICT Meteen na het arrest van de Raad van State volgt het arrest van het Hof van Cassatie nr. C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 van 27 april
(2)het besluit van het Vast Bureau van het Vlaams Parlement, van onbekende datum, tot het gunnen van deze opdracht aan de tijdelijke vereniging Renotec-Van Laere”. (A.76.675) (I); Gezien het verzoekschrift van 21 april 1998 waarbij dezelfde verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van “het besluit van het Vast Bureau van het Vlaams Parlement van 24 maart 1998 tot definitieve gunning van de opdracht van asbestverwijdering en bijkomende sloopwerken in het voormalige XII-728-1/17 Postchèquegebouw aan de Tijdelijke Vereniging Renotec-Van Laere” (A.78.336) (II); Gelet op het arrest nr. 84.996 van 1 februari 2000 in de zaak A. 76.675 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast het onderzoek van de zaak volledig af te doen; Gelet op het arrest nr. 84.997 van 1 februari 2000 in de zaak A. 78.336 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast het onderzoek van de zaak volledig af te doen; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikkingen van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Van Nuffel, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-728-2/17 1. De gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. In het Publicatieblad van de EG verschijnt op 25 juli 1996 een oproep tot kandidaten voor de opdracht van asbestverwijdering en bijhorende sloopwerken in het gebouw, gelegen te Brussel, Leuvensesteenweg 86, bekend als het voormalige Postchèquegebouw. De aanbestedende dienst is volgens deze oproep “Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, beide vertegenwoordigd door het Bureau van het Vlaams Parlement”. De opdracht wordt uitgeschreven volgens de procedure van de beperkte offerteaanvraag. 1.2. Overeenkomstig artikel 4.2.1. van het bestek dienen bij de offerte een aantal documenten te worden gevoegd. Zo dienen een “lijst van de Onderaannemers” en een “afschrift van de erkenning voor het uitvoeren van asbestverwijderingswerken” te worden toegevoegd. Artikel 5 heeft het over de “voorbereidende werkzaamheden” die van de aannemer aan wie het werk is gegund, worden verlangd. Zo wordt in artikel 5.4. van de aannemer verlangd dat hij een aantal vergunningen verkrijgt. Zo nog dient, overeenkomstig artikel 5.4.1. de aannemer een milieuvergunning te verkrijgen. Overeenkomstig artikel 5.4.2. dient de aannemer erkend te zijn als producent van afvalstoffen. Zo nog bepaalt artikel 5.4.3. van het bestek dat de aannemer alle overige milieu- en stedenbouwrechtelijke bepalingen zal naleven en zo nodig de vergunningen, erkenningen en toelatingen zal verkrijgen die nodig zijn voor het uitvoeren van de werken. Overeenkomstig artikel 4.5. van het bestek wordt de opdracht aan de inschrijver gegund onder een aantal opschortende voorwaarden. Zo dient de inschrijver aan de bouwprojectmanager aan te tonen dat hij de vereiste registratie bezit en dat hij de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in artikel 5 heeft verricht en de vergunningstoelatingen en dergelijke heeft verkregen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering der werken. XII-728-3/17 Artikel 4.5. bepaalt uitdrukkelijk dat de toewijzing van de opdracht maar definitief is indien aan de opschortende voorwaarden voldaan is : “Zodra aan voormelde voorwaarden is voldaan, zal de Inschrijver een aangetekend schrijven richten aan de Bouwheer met in bijlage de nodige stavende stukken. De toewijzing overeenkomstig de gunningsbeslissing zal definitief worden door de ondertekening van de Aannemingsovereenkomst tussen de Bouwheer en de Aannemer volgend op de ontvangst en de goedkeuring door de Bouwheer van voormeld schrijven met de bijhorende stukken”. 1.3. Zeven aannemers hebben een offerte ingediend. De door de verzoekende partijen gevormde tijdelijke vereniging wordt als eerste gerangschikt, de door Renotec-Van Laere gevormde tijdelijke vereniging als tweede. 1.4. Op 14 januari 1997 beslist het vast bureau van het Vlaams Parlement “dat [...] de asbestverwijdering en de sloopwerken onder voorbehoud gegund wordt aan de Tijdelijke Vereniging Jan Denul-Envisan voor een verbeterd bedrag van 84.834.851 F, exclusief BTW”; dat de firma's Mourik, Denys-Van Der Linden & Veldhuis, en Hoebreghts-Depemo-Tecni Asbest aangeschreven zullen worden met het bericht dat de opdracht niet aan hen gegund zal worden; de overige kandidaten op de hoogte te stellen van de gunning onder voorbehoud doch hen hierbij opmerkzaam te maken dat dit nog niet betekent dat zij de opdracht niet alsnog kunnen verwerven; dat de termijn van de uitvoerings- planning begint te lopen vanaf 1 februari 1997”. 1.5. Op 20 januari 1997 wordt de toewijzingsbeslissing aan de tijdelijke vereniging van de verzoekende partijen betekend. In de brief wordt gepreciseerd : “De gunning wordt definitief na, en op voorwaarde dat U alle benodigde vergunningen voor het uitvoeren van de werken aan het Vlaams Parlement voorlegt. De termijn waarover U hiervoor beschikt is deze vervat in uw offerte, te weten 80 kalenderdagen en vangt aan op 1 februari 1997”. 1.6. Op 27 mei 1997 besluit het vast bureau van het Vlaams Parlement de opdracht niet definitief te gunnen aan de tijdelijke vereniging van verzoeksters. Het bureau motiveert zijn beslissing als volgt : “De Nul-Envisan heeft de taak op zich genomen conform het lastenboek, punt 4.5.
- a)en
- c)om een registratie en andere 'noodzakelijke vergunningen, toelatingen e.d.' te bekomen binnen de in haar offerte gestelde termijn van XII-728-4/17 80 kalenderdagen die aanvang nam op 1 februari 1997 en afliep op 20 april 1997. 1. Hoewel De Nul-Envisan reeds op 13 maart 1997 beschikte over een registratie heeft zij het blijkbaar niet nodig geacht om het Vlaams Parlement hiervan op de hoogte te brengen en een bewijs over te maken voor 20 april 1997, terwijl hiernaar bij brief van 3 maart 1997 expliciet werd aan herinnerd. Uit laksheid in hoofde van De Nul-Envisan gebeurde de mededeling van registratie telefonisch pas op 20 mei 1997 en werd het bewijs van registratie bij fax overgemaakt op 21 mei 1997, zodat deze bijgevolg niet in aanmerking kan genomen worden. 2. De Nul-Envisan heeft tot 23 maart 1997 gewacht met haar aanvraag voor de vergunning 'Monumenten en Landschappen' terwijl het Vlaams Parlement haar de nodige stukken reeds had overgemaakt op 18 februari 1997. Omwille van deze laksheid waardoor het advies van de KCML pas verleend werd op 21 mei 1997, één maand na verloop van de 80 kalenderdagen, kan De Nul-Envisan de schorsing voorgesteld door de KMCL van de uitvoering van de asbestverwijdering en de sloopwerken tot aan de uitslag van de architectuurwedstrijd en de goedkeuring van het ontwerp tot transformatie van het Postchequegebouw bijgevolg niet ter verantwoording inroepen. 3. Op grond van artikel 4.5. van het lastenboek blijkt de bedoeling van de opschortende voorwaarden dat de inschrijver bij de definitieve gunning daadwerkelijk aan de uitvoering van de asbestverwijdering en sloopwerken moet kunnen beginnen en de continuïteit na aanvang moet kunnen garanderen. Ingeval de inschrijver beroep doet op onderaannemers, geldt dit evenzeer, zodat de onderaannemers op het moment van definitieve gunning evengoed in orde moeten zijn en bijgevolg over de nodige 'vergunningen, toelatingen of andere akten' moeten beschikken (cfr. punt 5.4.3.). Aangezien De Nul-Envisan beroep doet op RAG, diende RAG te beschikken over een erkenning die door De Nul-Envisan voor 20 april 1997 overlegd moest geweest zijn aan het Vlaams Parlement. Gelet op het niet voldoen aan de voorwaarden van het besluit van het Vast Bureau van 18 januari 1997 tot gunning onder voorbehoud en gelet op de onzorgvuldige wijze waarmee De Nul-Envisan zich heeft gekweten van haar taak om aan de gestelde voorwaarden te voldoen, kan niet definitief gegund worden aan De Nul-Envisan”. 1.7. Op 2 december 1997 besluit het vast bureau van het Vlaams Parlement de opdracht te gunnen aan de tijdelijke vereniging Renotec-Van Laere; 2. De samenvoeging. Overwegende dat de twee voorliggende beroepen dezelfde overheidsopdracht betreffen en de betrokken partijen in de beide zaken dezelfde zijn; dat omwille van deze redenen het passend is de zaken gekend onder nrs. A. 76.675 (I) en A. 78.336 (II) te voegen; XII-728-5/17 3. De tegenpartij. Overwegende dat in het verzoekschrift in de zaak nr. A. 76.675 het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap als tegenpartijen zijn vermeld, een keer beide vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, een tweede keer beide vertegenwoordigd door het vast bureau van het Vlaams Parlement, en dat ten slotte dit laatste parlement, vertegenwoordigd door zijn vast bureau zelf, eveneens als tegenpartij is aangewezen; dat in het verzoekschrift in de zaak nr. A. 78.336 het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, beide vertegenwoordigd door het vast bureau van het Vlaams Parlement als tegenpartij zijn vermeld; dat ondertussen de problematiek en bijzondere regeling heeft gekregen bij artikel 48bis van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat daaruit blijkt dat het Vlaams Parlement bevoegd is om als verwerende partij het geding te voeren; dat aldus er geen reden is om in te gaan op de vraag het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap buiten de zaak te stellen, temeer nu hierna zal blijken dat het beroep verworpen wordt; 4. De middelen. 4.1. Overwegende dat in de zaak nr. A. 76.675 de verzoekende partijen in hun enig middel in een eerste onderdeel betogen dat het Vlaams Parlement de opdracht onderhands heeft gegund aan de TV Renotec-Van Laere, meer bepaald “zonder een beroep te doen op de markt en zonder bekendmaking op Europees of Belgisch niveau”, en in een tweede onderdeel dat “geen enkele regel, en zeker ook niet het bestek dat naar aanleiding van de beperkte offerteaanvraag werd opgesteld, het bestuur toelaat een gunningsprocedure die haar beslag heeft gehad in een gunningsbesluit waarna een contract tot stand kwam door de betekening ervan, te heropenen naar aanleiding van het verbreken van het contract met de gegadigde en de opdracht vervolgens aan de tweede gerangschikte te gunnen; deze handelwijze in casu des te meer een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de overeenkomst met de eerste gegadigde ten onrechte werd verbroken, en het bovendien vaststaat dat de andere kandidaten dezelfde moeilijkheden hadden gekend als de eerste gegadigde indien de opdracht hen was toegewezen na de procedure van beperkte offerteaanvraag”; dat zij de volgende “toelichting bij het middel” verstrekken : “Het middel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel wordt bekritiseerd dat het Vlaams Parlement de opdracht onderhands heeft gegund XII-728-6/17 aan de T.V. Renotec-Van Laere, zonder dat daarbij de minste aandacht werd geschonken aan de fundamentele beginselen inzake overheidsopdrachten. Het besluit van het Vlaams Parlement om een reeds afgesloten procedure te ‘heropenen’, niettegenstaande die procedure reeds uitmondde in een contract, en onderhands te handelen met de tweede gerangschikte kandidaat, wordt bekritiseerd in het tweede onderdeel.”; Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van betwistingen inzake subjectieve rechten en dat het voorwerp van het annulatieberoep, dat fundamenteel een discussie betreft in verband met een overeenkomst, een subjectief recht is waarvan de bescherming niet voor de Raad van State kan worden afgedwongen; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord stellen dat zij in het midden laten of de opschortende voorwaarde al dan niet vervuld was maar dat zij de vraag aan de orde stellen welke de handelwijze kon of mocht zijn nu de overeenkomst eenmaal -al dan niet terecht- beëindigd werd, of het Vlaams Parlement de opdracht onderhands mocht gunnen en of het de afgesloten gunningsprocedure mocht heropenen en de opdracht gunnen aan de tweede gerangschikte; dat zij daaromtrent in hun laatste memorie nog benadrukken dat de Raad zich enkel dient te buigen over de vraag of het Vlaams Parlement -na te hebben vastgesteld dat de opschortende voorwaarde in de overeenkomst met verzoekende partijen niet vervuld was- de opdracht aan de tweede gerangschikte inschrijver mocht gunnen; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat geen formele beslissing om een onderhandse gunningsprocedure te organiseren voorhanden is; dat voorts de beslissing tot gunnen aan TV Renotec-Van Laere uitvloeisel is van de verwikkelingen rondom het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde van de overeenkomst met de verzoekende partijen; dat dienvolgens het enig middel in zijn beide onderdelen de Raad van State noodzaakt tot een uitspraak over de vraag of er al dan niet aan gestelde opschortende voorwaarden is voldaan door de verzoekende partijen, die er in hun middel van uitgaan dat er een contract tot stand gekomen was dat vervolgens verbroken is; dat aldus het werkelijk voorwerp van de gevraagde nietigverklaring in wezen de beslechting is van een geschil over contractuele rechten, waarvoor de Raad van State gelet op de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, geen rechtsmacht heeft; dat het beroep niet ontvankelijk is; XII-728-7/17 4.2. Overwegende dat in de zaak A.78.336 de verzoekende partijen in hun enig middel bekritiseren dat het vast bureau van het Vlaams Parlement de opdracht definitief heeft gegund aan de TV Renotec-Van Laere nadat de Brusselse Hoofdstedelijke regering de benodigde vergunning Monumenten en Landschappen slechts op 16 maart 1998 heeft verleend terwijl volgens de door het Vlaams Parlement zelf uitgevaardigde regels de voormelde vennootschap die vergunning reeds op 10 maart 1998 moest verkregen hebben, op straffe van het niet definitief gunnen van de opdrachten, waardoor schending voorhanden is van “de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder van het beginsel van de fair play, en van de plicht tot het voeren van een zorgvuldig en consistent bestuur, en van de motiveringsplicht”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord tegenwerpt dat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van betwistingen inzake subjectieve rechten, dat het voorwerp van het beroep fundamenteel een discussie blijft met betrekking tot een overeenkomst, dat het eigenlijke voorwerp van het beroep de discussie blijft over het al dan niet vervuld zijn van een opschortende voorwaarde in een overeenkomst tussen de verwerende partij en de TV Renotec-Van Laere, dat de Raad van State niet alleen niet bevoegd is om overeenkomsten te interpreteren doch evenmin bevoegd is vast te stellen wanneer de overeenkomst effectief is gesloten, dat de opschortende voorwaarde zich gerealiseerd heeft zodat volgens de regels van het burgerlijk recht de overeenkomst retroactief tot stand komt op het ogenblik van de gunning; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord stellen dat zij in het midden laten of de opschortende voorwaarde al dan niet vervuld was maar dat het besluit tot gunning van een overheidsopdracht wordt aangevochten, een van de overeenkomst afsplitsbare akte is die voor vernietiging vatbaar is; dat zij in hun laatste memorie stellen dat de “uitslag van het geschil voor de burgerlijke rechter geen invloed heeft op het belang van verzoeksters bij het annulatieberoep tegen de definitieve toewijzing aan de TV Renotec-Van Laere”; Overwegende dat, analoog met hetgeen reeds is vastgesteld bij de bespreking van het beroep in de zaak A. 76.675, het werkelijk voorwerp van het beroep in de zaak A. 78.336, door de dubbele toewijzing, de betwisting is XII-728-8/17 betreffende de totstandkoming van het betrokken contract en de daarop te betrekken opschortende voorwaarde, en aldus in wezen de beslechting beoogt van een geschil over contractuele rechten waarvoor de Raad van State geen rechtsmacht heeft; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A.76.675/XII-728 en A.78.336/XII-1252 worden gevoegd. Artikel 2. De beroepen worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 1.388,20 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-728-9/17 Eerste blad. Wij, ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, doen te weten Het Hof van Cassatie, zetelende te Brussel, heeft het volgende arrest uitgesproken In zake : C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 XII-728-10/17 Tweede blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/1 Nr. C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 1. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, naamloze vennootschap, met zetel te 9308 Hofstade, Tragel 60, 2. ENVISAN, naamloze vennootschap, met zetel te 9308 Hofstade, Tragel 60, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woon- plaats wordt gedaan, tegen 1. VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door het Vlaams Parle- ment, ten verzoeke van de Voorzitter, gevestigd te 1011 Brussel, Leuvense-weg 27, 2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd dooe het Vlaams Parlement, ten ver- zoeke van de Voorzitter, gevestigd te 1011 Brussel, Leuvenseweg 27, verweerder, XII-728-11/17 Derde blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/2 vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woon- plaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGINGS VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 mei 2006 gewezen door de Raad van State. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - De artikelen 144, 145 en 160, van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 7, 14 en 14bis, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het beroep van de eiseressen in de zaak 76.675 onontvan- kelijk op grond van de volgende motieven : "Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat geen formele beslissing om een on- derhandse gunningsprocedure te organiseren voorhanden is; dut voorts de beslissing tot gunnen aan TV Renotec-Van Laere uitvloeisel is van de verwikkelingen rondom het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde van de overeenkomst met de verzoekende partij- en (de eiseressen); dat dienvolgens het enig middel in zijn beide onderdelen de Raad van State noodzaakt tot een uitspraak over de vraag of er al dan niet aan gestelde opschor- tende voorwaarden is voldaan door de verzoekende partijen (eiseressen), die er in hun middel van uitgaan dat er een contract tot stand gekomen was dat vervolgens verbroken is; dat aldus het werkelijk voowerp van de gevraagde nietigverklaring in wezen de be- slechting is van een geschil over contractuele rechten. waarvoor de Raad van State gelet op de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, geen rechtsmacht heeft; dat het beroep niet ontvankelijk is" (bladzijde 7 van het arrest). XII-728-12/17 Vierde blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/3 Het arrest verklaart vervolgens het beroep van de eiseressen in de zaak A. 78.336 even- eens onontvankelijk op grond van de volgende motieven: "Overwegende dat, analoog met hetgeen reeds is vastgesteld bij de bespreking van het beroep in de zaak A. 76.675, het werkelijk voorwerp van het beroep in de zaak A. 78.336, door de dubbele toewijzing, de betwisting is betreffende de totstandkoming van het be- trokken contract en de daarop te betrekken opschortende voorwaarde, en aldus in wezen de beslechting beoogt van een geschil over contractuele rechten waarvoor de Raad van State geen rechtsmacht heeft dat het beroep niet ontvankelijk is" (bladzijden 8 en 9 van het arrest). Grieven 1. De Raad van State stelt in het arrest vast dat de eiseressen in hun memorie van wederantwoord in beide zaken beklemtoonden dat zij in het midden lieten of de opschor- tende voorwaarde al dan niet vervuld was en de Raad van State enkel verzochten te oor- delen of de venveerders, nadat de overeenkomst - al dan niet terecht - beëindigd werd, de afgesloten gunningsprocedure wettig konden heropenen om vervolgens de opdracht eerst voorlopig en nadien defnitief te gunnen aan de tweede gerangschikte (bladzijden 7 en 8, randnummers 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest). De eiseressen hebben in hun memorie van wederantwoord het voorwerp van hun beroep in beide samengevoegde zaken als volgt verduidelijkt. Het voorwerp van het beroep ver- eiste niet dat de Raad van State zich zou uitspreken over de vraag of de verweerders kon- den beslissen dat de opschortende voorwaarde waaronder de opdracht op 14 januari 1997 was gegund aan de eiseressen, niet vervuld was om vervolgens op die grondslag de met de eiseressen tot stand gekomen overeenkomst te verbreken. Het voorwerp van de vordering was daarentegen de vraag of, ervan uitgaande dat de verweerders terecht be- slist hadden de op 14 januari 1997 tot stand gekomen overeenkomst met de eiseressen te verbreken, de verweerders gerechtigd waren via een onderhandse gunning de opdracht alsnog toe te wijzen aan de tweede gerangschikte. Hieruit blijkt dat het voorwerp van het beroep van de eiseressen beperkt was tot de rechtimatigheid van de door de verweerders georganiseerde onderhandse gunningsproce- dure en de daaruit voortvloeiende gunningsbeslissing ten gunste van de TV Renotec - Van Laere. 2. Geschillen over burgerlijke rechten behoren op grond van artikel 144 van de ge- coördineerde Grondwet bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Indien de vordering daarentegen strekt tot de nietigverklaring van, hetzij, de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, hetzij, de administratieve handeling van wetgevende vergaderingen of van hun organen, dan is krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 uitsluitend de Afdeling Administratie van de Raad van State bevoegd om van dergelijk beroep kennis te nemen. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring. XII-728-13/17 Vijfde blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/4 3. Uit de omschrijving van het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring door de eiseressen volgt dat dit niet de vraag naar een eventuele schending van de subjectieve rechten van de eiseressen door de verbreking van de op 14 januari 1997 tot stand geko- men overeenkomst met de verweerders betrof, doch enkel de rechtmatigheid van de door de verweerders na beëindiging van de overeenkomt met de eiseressen georganiseerde onderhandse gunningsprocedure en de daaruit voortvloeiende gunning van de opdracht aan de tweede gerangschikte, daarbij in het midden gelaten of de verbreking van de over- eenkomst met de eiseressen al dan niet rechtmatig was. Het voorwerp van het beroep ver- eiste bijgevolg niet dat de Raad van State uitspraak zou doen over het al dan niet vervuld zijn van de opschortende voorwaarde in de tussen de eiseressen en de verweerders tot stand gekomen overeenkomst, noch dat de Raad van State de geldigheid van de beëindi- ging van de overeenkomst tussen de eiseressen en de verweerders zou onderzoeken. De loutere verwijzing door de eiseressen naar de beëindiging van de eerder tot stand ge- kornen overeenkomst met de verweerders als feitelijke toelichting bij het middel heej niet tot gevolg dat het voorwerp van het beroep van de eiseressen zich uitstrekt tot een be- weerde schending van de uit de overeenkomst met de verweerders voortvloeiende rechten van de eiseressen en bijgevolg de beslechting van een contractueel geschil beoogt. Bijgevolg heeft de Raad van State, Afdeling Administratie, de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen geschonden door te oordelen dut het werkelijke voorwerp van de nietigverklaring de beslechting is van een geschil over contractuele rechten waarover de Raad van State geen rechtsmacht heeft en vervolgens op grond hiervan het beroep van de eiseressen in beide samengevoegde zaken onontvankelijk te verklaren, terwijl het werke- lijke voorwerp van het beroep integendeel beperkt was tot de rechtmatigheid van de on- derhandse gunningsprocedure gevolgd door de gunning aan de tweede gerangschikte. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 144 van de Grondwet, behoren de geschillen over burger- lijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken. Krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de Raad van State inzonderheid uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring we- gens overtreding van, hetzij, substantiële, hetzij, op straffe van nietigheid voorge- schreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. XII-728-14/17 Zesde blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/5 Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van artikel 144 van de Grondwet. 2. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring. 3. Het bestreden arrest oordeelt dat: - in de zaak A.76.675 de beslissing tot het gunnen aan de tijdelijke vereniging Renotec-Van Laere uitvloeisel is van de verwikkelingen rondom het al dan niet vervuld zijn van de voorvaarde van de overeenkomst met de eiseressen zodat het enig middel in zijn beide onderdelen de Raad van State noodzaakt tot een uitspraak over de vraag of er al dan niet aan de gestelde opschortende voor- waarden is voldaan door de eiseressen die er in hun middelen van uitgaan dat er een contract tot stand was gekomen dat vervolgens verbroken is; - in de zaak A.78.336 door de dubbele toewijzing het werkelijk voorwerp van het beroep de betwisting is betreffende de totstandkoming van het betrokken contract en de daarop te betrekken opschortende voorwaarde. De Raad van State leidt hieruit af dat de drie aangevochten beslissingen niet als van de bedoelde overeenkomst afsplitsbare beslissingen te beschouwen zijn. 4. Aldus heeft de Raad van State naar recht beslist dat hij niet bevoegd is. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, in verenigde karners, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zesenzestig euro vijfenzestig cent jegens de eisende partijen en op de som van driehonderd en twee euro vijfenze- ventig cent jegens de verwerende partijen. XII-728-15/17 Zevende blad. 27 APRIL 2007 C.06.0340.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7/6 Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, voorzitter Ivan Verougstraete, raadsheer Jean-Pierre Fère, de afdelingsvoorzitter Christian Storck, de raadsheren Eric Dirix, Didier Batselé, Eric Stassijns, Albert Fettweis, Christine Matray, Sylviane Velu en Alain Smetryns, en in openbate terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend en zeven uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen. C. Van Der Kelen A. Smetryns S. Velu C. Matray A. Fettweis E. Stassijns D. Batselé E. Dirix C. Storck J.-P. Frère I. Verougstraete G. Londers XII-728-16/17 Achtste en laatste blad. Getekend : Londers, Verougstraete, Frère, Storck, Batselé, Stassijns, Fettweis, Matray, Velu, Smetryns, Van Der Kelen Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen ; Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle be- velhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt ; Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof. VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE afgegeven aan Mevrouw de Hoofdgriffier van de Raad van State. Brussel, 3 mei 2007. De hoofdgriffier, C. Van Der Kelen VRIJ: Art. 280, l/, Wet. Reg. Art. 1
- h)R.B. 23.8.1948 R.D.D. nr. 1256 XII-728-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.183 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div