← België

Arrest 159246 - - 29/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.246 Rolnummer: A. 59147/X-9339 Zaak: Arrest 159246 - - 29/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 20:17 Fiche Arrest nr 159.246 van 29 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.246 van 29 mei 2006 in de zaak A. 59.147/X-

  1. In zake : Cécile PIOT, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. DECLERQ kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cécile PIOT op 28 juli 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 mei 1994 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende weigering van een regularisatievergunning voor het bouwen van een weekendverblijf te Oud-Heverlee, Kleinstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 187 g/deel; Gelet op het arrest nr. 50.369 van 24 november 1994 waarbij de vordering tot schorsing van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch.BAMPS; Gelet op de beschikking van 9 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-9339-1/6 Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. HAVET die loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat op 6 september 1990 de verzoekster bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee een vergunningsaanvraag indient voor het regulariseren van een weekendverblijf te Oud-Heverlee, Kleinstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 187 g/deel, zijnde de aan elkaar palende loten 181 en 137 van de verkaveling gelegen te Oud-Heverlee, Kleinstraat 30, waarvoor de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Brabant op 17 juli 1975 aan J.M. VERMER een verkavelingsvergunning heeft afgegeven; dat in beroep het bestreden besluit de vergunning weigert; Overwegende dat de vervalregeling die van toepassing is op voornoemde verkavelingsvergunning wordt beheerst door de bepalingen van het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 57bis, §4, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet), dat betrekking heeft op verkavelingsaanvragen die "de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracé-wijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen" omvatten; dat luidens deze bepaling "de vergunning betreffende dergelijke verkavelingen vervalt indien de vergunninghouder de voorgeschreven werken en lasten binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verschaft"; X-9339-2/6 Overwegende dat het kwestieuze perceel gelegen is in een verkaveling die de aanleg van nieuwe wegen omvat; dat niet wordt betwist dat deze wegeniswerken op het ogenblik van het bestreden besluit niet zijn uitgevoerd; dat ambtshalve dient vastgesteld te worden dat overeenkomstig het voornoemd artikel 57bis, §4, de betrokken verkavelingsvergunning vervallen is; Overwegende dat, gelet op het verval van de voornoemde verkavelingsvergunning, bij de beoordeling van de bestemming derhalve dient te worden uitgegaan van de bestemming bepaald bij het gewestplan Leuven, zoals aangevuld bij besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 1992; dat de gronden die het voorwerp uitmaken van de aanvraag volgens het gewestplan Leuven zijn gelegen in "natuurgebied"; dat artikel 13, 4.3.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt wat volgt : "Art. 13.4.3.
  3. De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk"; dat dit bestemmingsvoorschrift niet toelaat dat voor de betrokken gronden een vergunning voor het regulariseren van een bestaande constructie wordt verleend; dat voorts geen wettelijke bepaling toeliet en thans nog steeds niet toelaat voor het verlenen van een bouwvergunning met een voorwerp als het voorliggende, van dit bestemmingsvoorschrift af te wijken; dat de verzoekster, gelet op de planologische bestemming van de betrokken gronden, zelfs in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook de gevraagde bouwvergunning niet kan verkrijgen; dat ter terechtzitting is gewezen op de vraag of verzoekster in de gegeven omstandigheden doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat verzoeker heeft verklaard zich ter zake te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State; dat om de hiervóór uiteengezette reden ambtshalve moet worden vastgesteld dat dit te dezen in beginsel niet het geval is; Overwegende echter dat verzoekster in het vierde middel aanvoert dat de bestemming "natuurgebied" volgens het gewestplan Leuven, zoals aangevuld bij besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 1992, een onwettig bestemmingsvoorschrift behelst; dat de gegrondheid van de hiervóór ambtshalve opgeworpen exceptie verbonden is met het antwoord op dit middel; dat derhalve de gegrondheid van dit middel dient te worden onderzocht; X-9339-3/6 Overwegende dat verzoekster in dat middel, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de onwettigheid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 1992 tot aanvulling van het gewestplan Leuven, dat aan het bestreden besluit ten gronde ligt, afleidt uit de schending van de artikelen 9 en 13 van de stedenbouwwet, "Doordat het bestreden besluit verwijst naar de (hernieuwd) vastgestelde bestemming van de gronden als natuurgebied, Terwijl de Vlaamse Regering de opmaakprocedure van het gewestplan opnieuw moest beginnen voor wat betreft de verkaveling, en niet zo maar zonder openbaar onderzoek, advies van de RCA enz. kon overgaan tot bevestiging (...), en terwijl deze bevestiging zelfs niet gemotiveerd is; en terwijl de Vlaamse Regering rekening moest houden met de overwegingen van het vernietigingsarrest nr.22.072, en terwijl zij dus behoorlijk diende aan te geven waarom zij de bestemming 'natuurgebied' wenste te bevestigen zodat beroepster kon nagaan of er voldaan was aan het arrest van Uw Raad , en terwijl deze bestemming stede(n)bouwkundig noch juridisch verantwoord is, daar op deze percelen sinds 1975 een geldige verkavelingsvergunning wordt uitgevoerd (...) en de terreinen voordien reeds sinds de jaren zestig als kampeerterreinen werden uitgebaat"; Overwegende dat het eerste onderdeel van het vierde middel gegrond is op een schending van de toen geldende artikelen 9 en 13 van de stedenbouwwet; dat deze artikelen luidden als volgt : "Art.
  4. Het ontwerp-plan wordt opgemaakt door tussenkomst van de Minister. Deze wijst, na raadpleging van de Bestendige Deputatie van de bij het ontwerp betrokken provincies, de natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke personen aan die hij met het opmaken van dat ontwerp belast. Die personen lichten de Regionale Commissie van advies over het verloop van de voorstudie in en delen haar de resultaten ervan evenals alle voorontwerp- en ontwerpplannen mede. De Commissie kan te allen tijde dienstig geachte opmerkingen of suggesties maken. Het ontwerp wordt voorlopig vastgesteld door de Minister, die de Gouverneur van de provincie belast met de zorg van een openbaar onderzoek. Dit wordt aangekondigd door aanplakking in elke van de bij het streekplan betrokken gemeenten door een bericht dat driemaal in het Belgisch Staatsblad, in drie bladen van de hoofdstad en zo mogelijk, in drie bladen van de streek wordt geplaatst, alsmede door een bericht dat driemaal door het Nationaal Instituut voor Radio-Omroep wordt uitgezonden. Na de aankondiging wordt het ontwerp-streekplan gedurende negentig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke der bij het streekplan betrokken gemeenten. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging aangegeven. De bezwaren en opmerkingen worden vóór het einde van die termijn schriftelijk ter kennis gebracht van de Gouverneur. De Bestendige Deputatie van elke der betrokken provincies en de gemeenteraad van elke der betrokken gemeenten dienen de Gouverneur van advies binnen zestig dagen na het einde van de bovenbedoelde termijn. Indien de bestendige deputatie of de gemeenteraad binnen die termijn geen advies geven, worden zij geacht een X-9339-4/6 gunstig advies te hebben uitgebracht. Het ontwerp-plan wordt samen met de bezwaren, opmerkingen en adviezen voorgelegd aan de Regionale Commissie van advies, die advies uitbrengt binnen negentig dagen na ontvangst van het dossier. Het dossier wordt, na het verstrijken van de termijn, door de Gouverneur aan de Minister doorgezonden. Wanneer een streek zich over verscheidene provincies uitstrekt, oefent iedere Gouverneur, in zijn ambtsgebied, de in dit artikel omschreven bevoegdheden uit. De Koning stelt het plan vast nadat de Ministerraad erover beraadslaagd heeft. Wanneer de Koning afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van advies, dient zijn beslissing met redenen omkleed te zijn. (...) Art.
  5. Alle bepalingen van de artikelen 9 en 10, behalve de bepaling betreffende het advies van de Ministerraad, zijn toepasselijk op het gewestplan"; dat uit deze bepalingen niet kan worden afgeleid wat door verzoekster wordt aangevoerd; dat noch het aangehaalde artikel 9, dat de procedure bepaalde voor de opmaak van streekplannen, noch het aangehaalde artikel 13, dat de bepalingen van artikel 9 van toepassing maakte op de opmaak van gewestplannen, voorschrijft dat in geval van vernietiging van een gewestplan, de bevoegde administratieve overheid verplicht is de procedure die aan de vaststelling van het gewestplan voorafgaat, volledig te hernemen; dat het eerste onderdeel van het vierde middel niet gegrond is; Overwegende dat het bestreden besluit een reglementair besluit is; dat het derhalve niet formeel gemotiveerd dient te worden; dat bovendien in het voornoemde besluit uitvoerig wordt uiteengezet waarom de bestemming "natuurgebied" voor de betrokken percelen dient te worden bevestigd; dat het tweede onderdeel van het vierde middel niet gegrond is; Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, omwille van de hiervóór aangehaalde redenen de voornoemde verkavelingsvergunning is vervallen; dat het derde onderdeel van het vierde middel niet gegrond is; Overwegende dat het vierde middel in zijn geheel niet gegrond is; Overwegende dat de verwerping van het vierde middel leidt tot de vaststelling dat het beroep niet ontvankelijk is om de reden die hiervóór ambtshalve is uiteengezet; X-9339-5/6 BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9339-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.