id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.294 Rolnummer: A. 140806/XIV-16508 Zaak: Arrest 159294 - - 30/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 20:19 Fiche Arrest nr 159.294 van 30 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.294 van 30 mei 2006 in de zaak A. 140.806/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. EL KAROUNI, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Lambertmontlaan 63 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 25 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 2003 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.508-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DE CALUWE die, loco Advocaat M. EL KAROUNI verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Turkse nationaliteit, is op 28 november 1996 België binnengekomen met een visum “gezinshereniging”. 1.
- Op 13 december 1996 dient verzoekster een aanvraag in tot vestiging als echtgenote van een Belgisch onderdaan. 1.
- Op 27 mei 1997 beslist de Minister van Binnenlandse Zaken de vestiging te weigeren aangezien er geen sprake was van een gezamenlijke vestiging van de echtgenoten. Op 29 mei 1997 dient verzoekster tegen deze beslissing een verzoek tot herziening in. 1.
- Bij vonnis van 2 september 1999 wordt het huwelijk van verzoekster vernietigd, waartegen zij hoger beroep instelt. Bij arrest van 8 november 2001 wordt het hoger beroep niet toelaatbaar verklaard. 1.
- Op 17 januari 2002 dient verzoekster een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf, van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 30 januari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. 1.
- Bij schrijven van 25 juli 2003 wordt verzoeksters raadsman gemeld dat de aanvraag tot vestiging van 18 december 1996, alsook de weigeringsbeslissing van 27 mei 1997 en het verzoek tot herziening zonder voorwerp zijn geworden ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk. XIV-16.508-2/8 1.
- Op 25 juli 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing. zij berust op volgende overwegingen: “Artikel 7.2 van de wet van 15.12.80: Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn. Artikel 7,3 van de wet van 15.12.80: Heeft door haar gedrag de openbare orde geschaad. Trad in het huwelijk met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling haar verblijfstoestand te regulariseren. Dit huwelijk werd door het Hof van Beroep te Gent op 12/11/2001 vernietigd als zijnde een schijnhuwelijk (Het beschikkend gedeelte van dit vonnis werd overgeschreven in de registers van de Burgerlijke stand op. 16/04/2002). Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt hij/zij gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet.”. 1.
- De verwerende partij wordt door verzoekster in kort geding gedagvaard bij de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde om het bevel in afwachting van een arrest van de Raad van State op te schorten.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL, genomen uit de schending van de artt. 64 tot en met 67 van de Wet van 15 december 1980 [Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S., 31.12.1980] Doordat voormelde bepalingen voorzien dat de Vreemdeling aan wie een beslissing tot weigering van de vestiging werd betekend die beslissing kan bestrijden door een verzoek tot herziening bij de Minister en dat, tijdens de duur van het onderzoek van het verzoek tot herziening, geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied mag uitgevoerd worden, Terwijl aan verzoekster thans een bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend zonder dat omtrent dit verzoek tot herziening reeds is beschikt. TOELICHTING Het staat buiten betwisting dat verzoekster bij aangetekend schrijven van 29.05.1997 een geldig en ontvankelijk verzoek tot herziening heeft ingediend. De diensten van de verwerende partij bevestigden op 12.06.1997 ontvangst van dit verzoek, met de melding dat een voorlopig verblijfsdocument (bijlage 35) zou worden afgeleverd en dat verzoekster eerstdaags (sic) zou worden uitgenodigd om een derde lid aan te duiden van de Commissie van advies voor Vreemdelingen. Omtrent dit verzoek werd tot op heden -zes jaar na datum- nooit beschikt. In haar brief van 25.07.2003 meldt de verwerende partij dat “de aanvraag tot vestiging dd. 18/12/1996, de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten dd. 27/05/1997 en het verzoek tot herziening tegen deze weigering dd. 02/06/1997 allen zonder voorwerp zijn geworden ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk (vonnis dd. 12/11/2001 van het Hof van Beroep te Gent) van betrokkene met M. J.-L.”. Die brief van 25.07.2003 is niet gelijk te stellen met een formele beslissing die wordt vereist door de artt. 64, 65 en 66 van de Wet van 15.12.1980: XIV-16.508-3/8 Immers is die 'beslissing' niet voorafgegaan door een verplicht advies van de Commissie van Advies en werd ze evenmin aan verzoekster ter kennis gebracht (schending van artikel 66, lid 1 en lid 3 van de Wet van 15.12.1980). Verzoekster heeft ook nooit de gelegenheid gekregen een derde lid van de Commissie voor Advies aan te wijzen. Het komt de verwerende partij niet toe om te oordelen dat een door de Wet ingesteld rechtsmiddel "zonder voorwerp" is geworden. Zij dient de geëigende procedure te volgen en vervolgens, met kennis van zaken, een beslissing te nemen met respect van de door de Wetgever ingeschreven waarborgen.”; 2.1.2.
- Overwegende dat in een eerste middel verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 64 tot en met 67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster aanvoert dat haar een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt gegeven zonder dat omtrent haar verzoek tot herziening is beschikt; dat de brief van 25 juli 2005 waarbij wordt meegedeeld dat haar verzoek tot herziening zonder voorwerp is, niet kan worden gelijkgesteld met een formele beslissing die wordt vereist door de artikelen 64, 65 en 66 van de Vreemdelingenwet; 2.1.2.
- Overwegende dat dient opgemerkt dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeksters huwelijk met een Belgisch onderdaan definitief nietig werd verklaard; dat verzoekster geacht wordt nooit gehuwd te zijn geweest en aldus nooit aan de voorwaarden om een verblijfsvergunning te krijgen in de hoedanigheid van echtgenote van een Belgische onderdaan te hebben voldaan; dat verzoekster dus geen aanspraak kan maken op de gevolgen verbonden aan het verzoek tot herziening; dat aldus de procedure voorzien in de artikelen 64 tot en met 67 van de Vreemdelingenwet niet diende gevolgd; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL, genomen uit de schending van de motiveringsverplichting, zoals uitdrukkelijk opgelegd in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. doordat -eerste onderdeel- in het bestreden besluit de motivering niet wordt gegeven waarom, in strijd met art. 67 lid. 1 van de W. van 15.12.80, toch tot de uitwijzing wordt besloten zonder dat omtrent het verzoek tot herziening werd beschikt; en doordat -tweede onderdeel- uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt waarom verzoekster moet worden uitgewezen na de nietigverklaring van haar huwelijk met de Belgische onderdaan M.. terwijl, de op de Overheid wegende motiveringsverplichting er precies toe strekt om de rechtsonderhorige toe te laten in de beslissing die motieven terug te vinden die hem moeten toelaten met kennis van zaken een oordeel te vormen over de mogelijkheid om de betrokken beslissing nog verder aan te vechten. Toelichting: Het eerste onderdeel van dit middel hoeft nauwelijks toelichting. Volgens een vaste rechtspraak van Uw Raad dient de motivering terug te vinden zijn in het besluit zelf; nergens in de bestreden beslissing is terug te vinden waarom, in weerwil van de schorsende kracht van een verzoek tot herziening, toch het bevel wordt gegeven. De motivering die is terug te vinden in het schrijven van 25.07.2003 kan dit motiveringsgebrek niet remediëren. XIV-16.508-4/8 Met betrekking tot het tweede onderdeel van dit middel kan worden verwezen naar de rechtspraak van Uw Raad [R.v.St. nr. 105.427, 09.04.2002, Rev.dr.étr. 2002, afl. 119, 400, noot], uit welke rechtspraak volgt dat de motivering van het besluit tot uitwijzing, om adequaat te zijn, op uitvoerige wijze dient uit te leggen hoe ze een afweging van belangen maakt, enerzijds tussen de 'Openbare Orde' en anderzijds tussen het recht op de eerbied van het gezinsleven en de legitieme doeleinden van art. 8.2 E.V.R.M. Immers volgt uit de feitelijkheden van het dossier dat verzoekster geen enkele band meer heeft in haar land van herkomst. Dit hangt nauw samen met de invulling van het begrip 'openbare orde'. Hoe kan de verwerende partij wettig voorhouden dat de 'openbare orde' in het gedrang zou komen bij de niet-uitwijzing, daar waar dit arrest zelf dateert van 12.11.2001 en zij vervolgens nogmaals wacht tot 25.07.2003 om het bestreden besluit te nemen? Nog met betrekking tot de motiveringsplicht valt ook op dat het begrip 'openbare orde' in abstracto wordt geformuleerd, zonder concrete invulling. Verzoekster zou de openbare orde hebben geschaad door een huwelijk aan te gaan met als enige doel haar verblijfstoestand te regulariseren. Het feit een nietig huwelijk te hebben afgesloten kan nog niet ipso facto worden aanzien als een handeling die de openbare orde zou schaden.”; 2.2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel verzoekster zich beroept op de schending van de motiveringsverplichting, zoals uitdrukkelijk opgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.2.2.
- Overwegende dat in de mate verzoekster in het eerste deel de motiveringsverplichting geschonden acht doordat de motivering van het bestreden bevel niet vermeldt waarom, in strijd met artikel 67, eerste lid van de Vreemdelingenwet, toch tot de uitwijzing wordt besloten zonder dat omtrent het verzoek tot herziening is beschikt, kan worden verwezen naar hetgeen in de bespreking van het eerste middel is uiteengezet; 2.2.2.2.2.
- Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoekster aanvoert dat het bestreden bevel op uitvoerige wijze had moeten uitleggen “hoe ze een afweging maakt van de belangen, enerzijds tussen de “openbare orde” en anderzijds tussen het recht op de eerbied van het gezinsleven en de legitieme doeleinden van artikel 8.2 EVRM”; dat verzoekster opmerkt dat de verwerende partij moeilijk kan stellen dat de openbare orde in het gedrang komt bij niet-uitwijzing aangezien het arrest dateert van 12 november 2001 en zij vervolgens nogmaals wacht tot 25 juli 2003 om het bestreden besluit te nemen; dat ten slotte verzoekster stelt dat de omstandigheid dat zij een nietig huwelijk heeft afgesloten niet ipso facto kan worden aanzien als een handeling die de openbare orde zou schaden; 2.2.2.2.2.
- Overwegende dat de instelling van het huwelijk de Belgische openbare orde raakt; dat verzoekster gehuwd is met een Belgische onderdaan met als enige bedoeling haar verblijf te regulariseren; dat dit schijnhuwelijk nietig werd verklaard bij vonnis van 2 september 1999, bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep van Gent op 12 november 2001; dat daaruit blijkt dat verzoekster de openbare orde heeft geschaad; dat de verwerende partij rechtmatig artikel 7, 1, 3/ van de Vreemdelingenwet heeft toegepast; dat verzoeksters kritiek met betrekking tot de tijdspanne van anderhalf jaar tussen het arrest van het Hof van XIV-16.508-5/8 Beroep van Gent en het bestreden besluit niet ernstig kan worden genoemd aangezien verzoekster zelf in deze periode een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend; dat niet kan worden ingezien waarom een afweging tussen de openbare orde en het recht op de eerbiediging van het gezinsleven diende gemaakt te worden, nu het huwelijk werd vernietigd omdat het een schijnhuwelijk was; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL, genomen uit de schending van de beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid de schending van het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel. doordat de overheid verplicht is in haar contacten met de rechtsonderhorige zorgvuldig te handelen en in het bijzonder tot naleving is gehouden van de beginselen van behoorlijk bestuur die elk overheidsoptreden zouden dienen te beheersen, terwijl verwerende partij verzoekster meer dan zes jaar heeft laten wachten op een beslissing omtrent het ingediende verzoek tot herziening, om vervolgens na tussenkomst van het arrest van het Hof van Beroep te Gent nog meer dan anderhalf jaar te wachten om op basis van dit arrest, plots de uitwijzing te vorderen. TOELICHTING Het is ingevolge het bijzonder langdradige verloop van de herzieningsprocedure dat verzoekster elk contact met het 'thuisland' heeft verloren; verzoekster kon meer dan zes jaar haar land van herkomst niet bezoeken vermits zij op basis van haar voorlopig verblijfsdocument geen in- of uitreisvisum kon bekomen, alleszins niet zonder het risico te lopen vervolgens de toegang tot het Rijk te worden ontzegd. Het is in redelijkheid niet te verantwoorden dat de verwerende partij zichzelf een procedureverloop gunt van meer dan zes jaar, om vervolgens na het verloop van deze procedure - waarvan de vertraging enkel teruggaat op een manke werking van haar diensten de onmiddellijke uitwijzing te vorderen. Het lange verblijf in België op basis van een regelmatig doch voorlopig verblijfsstatuur, heeft in hoofde van verzoekster ook het rechtmatig vertrouwen opgewerkt dat haar toestand finaal wel definitief zou worden geregulariseerd. Dat het recht op rechtszekerheid onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; dat daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd" [Cass., 27.03.1992, R.W., 1991-92, nr. 42, k. 1466-1467] Het bestreden besluit staat haaks op die beginselen en moet daarom worden vernietigd.”; 2.3.2.
- Overwegende dat in een derde middel verzoekster zich beroept op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid de schending van het evenredigheids- en vertouwensbeginsel; dat verzoekster stelt dat zij “meer dan zes jaar heeft moeten wachten op een beslissing omtrent het ingediende verzoek tot herziening, om vervolgens na tussenkomst van het arrest van het Hof van Beroep van Gent nog meer dan anderhalf jaar te moeten wachten om op basis van dit arrest plots de uitwijzing te vorderen”; dat door het bijzonder langdradig verloop van de herzieningsperiode zij elk contact met haar thuisland heeft verloren; dat bovendien het lange verblijf in België op basis van een regelmatig doch voorlopig verblijfsstatuut bij haar het rechtmatig vertrouwen heeft opgewekt dat haar toestand finaal wel zou worden geregulariseerd; 2.3.2.
- Overwegende dat verzoekster niet kan worden gevolgd; dat aanvankelijk geen uitspraak kon worden gedaan over het verzoek tot herziening in afwachting van het XIV-16.508-6/8 resultaat van de gerechtelijke procedures in het kader van het vermeend schijnhuwelijk (het vonnis door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 2 september 1999, en na het hoger beroep ingesteld door verzoekster, het arrest van 8 november 2001 van het Hof van Beroep van Gent); dat verzoekster het de verwerende partij niet ten grieve kan duiden de gerechtelijke uitspraken te hebben afgewacht, te meer daar verzoekster haar aanvraag om vestiging had ingediend in de hoedanigheid van echtgenote van een Belgische onderdaan; dat voorts uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op 17 januari 2002, een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet indiende, die op 20 januari 2003 onontvankelijk werd verklaard; dat dient vastgesteld dat de lange duur van de herzieningsprocedure hoofdzakelijk aan verzoekster zelf te wijten; dat de schending van de in het middel aangehaalde beginselen niet kan worden aangenomen; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.508-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.508-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.