← België

Arrest 159298 - - 30/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.298 Rolnummer: A. 160507/XIV-21945 Zaak: Arrest 159298 - - 30/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Fiche Arrest nr 159.298 van 30 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.298 van 30 mei 2006 in de zaak A. 160.507/XIV-21.

  1. In zake : Arturas PETRAUSKAS, die woonplaats kiest bij Advocaten P. VAN EECKHAUT en Th. GILLIS, kantoor houdende te 9000 GENT, Recollettenlei 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te 3078 KORTENBERG, Veldstraat
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arturas PETRAUSKAS, van Litouwse nationaliteit, op 3 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2005 tot uitlevering van verzoeker aan de Duitse autoriteiten; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-21.945-1/13
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 21 juli 2004 verzocht Duitsland om de uitlevering van Arturas PETRAUSKAS, van Litouwse nationaliteit. 1.
  5. Op 12 januari 2005 neemt de Minister van Justitie het besluit tot uitlevering van verzoeker. Dit is het bestreden besluit : “(...) DE MINISTER VAN JUSTITIE, Gezien de brief dd. 21.07.2004 van de Gerechtelijke overheid van de Vrije en Hanse Stad Hamburg (BRD) waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Litouwse onderdaan PETRAUSKAS Arturas Visvaldo, alias GRIGAITIS Zymantas, geboren te Kupiskis op 13.06.1974; Gezien de daarbij overgelegde stukken waaronder het bevel tot aanhouding dd. 06.04.2001 van het Amtsgericht te Hamburg uitgevaardigd wegens, naar Belgisch recht omschreven, diefstal door middel van geweld of bedreiging, feiten gepleegd op Duits grondgebied op 09.05.1996; Gezien het advies uitgebracht op 23.12.2004 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957, de Schengen- Uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie van 27 september 1996; Gelet op de uitleveringswetten van 1 maart 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Duits recht strafbaar zijn en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemde Uitleveringsovereenkomst van 27 september 1996; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering naar Duits recht niet is bereikt; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de betrokkene wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen noch dat zijn positie om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en aan de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit: Artikel
  6. De uitlevering van PETRAUSKAS Arturas Visvaldo, alias GRIGAITIS Zymantas, wordt aan de Duitse autoriteiten toegestaan uit hoofde van de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd. Artikel
  7. De overlevering van de betrokkene zal plaatsvinden onder voorbehoud van de eventuele toepassing van artikel 19 van voornoemd Uitleveringsverdrag. (...).”. XIV-21.945-2/13
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “Eerste middel: schending art. 3 lid 2 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 Op basis van het bevel tot aanhouding van 6 april 2001 uitgaande van het Amtsgericht te Hamburg (Duitsland) werd door Onderzoeksrechter Ghijs te Gent dd. 13 juli 2004 een voorlopig aanhoudingsmandaat met oog op uitlevering uitgevaardigd. Dit voorlopig aanhoudingsmandaat met oog op uitlevering werd door de Raadkamer te Gent dd. 24 augustus 2004 uitvoerbaar verklaard. Tegen de beschikking van de Raadkamer tot uitvoerbaarverklaring van het voorlopig aanhoudingsmandaat met oog op uitlevering werd hoger beroep aangetekend door appellant, dit hoger beroep werd door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 14 oktober 2004 ongegrond verklaard. De zaak werd wat betreft het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent aan de Minister van Justitie behandeld door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op 9 december 2004, op 16 december 2004 en op 23 december 2004, waarna advies werd uitgebracht op 23 december
  10. Nadien volgde de beslissing van de Minister van Justitie de dato 12 januari 2005 tot uitlevering van appellant, beslissing aan hem betekend op 24 januari
  11. Appellant heeft gedurende de gehele uitleveringsprocedure steeds gezegd dat het Haftbefehl dd. 6 april 2001(zie stuk 3 gevoegd) uitgaande van het Amtsgericht te Hamburg (Duitsland) faalt naar Duits recht en dat dienvolgens art. 3 lid 2 van de Belgische uitleveringswet van 15 maart 1974 wordt geschonden. Derhalve kan geen uitlevering op basis van dit Haftbefehl worden bevolen. Uit de door appellant bij deze beroepsakte neergelegde toepasselijke bepalingen van het Duitse Strafwetboek, namelijk §114 Strafgesetzbuch, blijkt dat in een aanhoudingsmandaat naar Duits recht op straffe van nietigheid een opgave van de schuldaanwijzingen moet aanwezig zijn. Deze toepasselijke bepalingen uit het Duitse Strafwetboek werden reeds neergelegd voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent naar aanleiding van het advies te formuleren aan de Minister van Justitie. §114 Duits strafwetboek (stuk 2 gevoegd) stelt het volgende: "Die Untersuchungshaft wird durch schriftlichen Haftbefehl Richters angeordnet. In dem Haftbefehl sind anzuführen: 1.der Beschuldigte 2.die Tat, deren er dringend verdächtig ist, Zeit und Ort ihrer Bëhegung, die gezetzlichen Merkmale der Straftat und die anzuwendenen Strafvorschriften,
  12. der Haftgrund sowie
  13. die Tatsachen, aus denen sich der dringende Tatverdacht und der Haftgrund ergibt, soweit nicht dadurch die Staatssicherheit gefärhdigt wird." Artikel 114 punt 4 stelt dus heel duidelijk dat moet worden weergegeven in het mandaat het volgende: "de omstandigheden waarop dewelke de acute inverdenkingstelling en de grond tot aanhouding is gebaseerd, voor zover daardoor de veiligheid van de staat niet in gevaar wordt gebracht." In de annotatie aangebracht in het Wetboek waarvan uittreksel wordt neergelegd staat duidelijk nogmaals het volgende: "Der dringende Tatverdacht muss mit der Schilderung der Tatsachen begrundet werden aus denen er sich ergibt. Dazu is eine kurze Darstellung der Verdachtsgründe erforderlich, die die Ermitlungen zutage gefordert haben." Gesteld wordt dat dus de inverdenkingstelling moet omkleed worden met de omstandigheden die tot de inverdenkingstelling hebben geleid (1e zin) en dat daartoe een korte uiteenzetting van de gronden van inverdenkingstelling vereist is (2e zin). Ter illustratie van hoe een Haftbefehl naar Duits recht wél moet zijn geformuleerd wordt door appellant stuk 4 gevoegd, namelijk een Haftbefehl in een ander Duitse zaak, ook met als tenlastelegging Rauberische Erpressung, en ook met oog op uitlevering. Op bladzijde 4 van dit Haftbefehl staat bovenaan letterlijk conform de wet het volgende:"Der dringende Tatverdacht gegen den Beschuldigten ergibt sich aus den Aussagen der XIV-21.945-3/13 Geschädigten, den dürch die Überwachungskameras aufgenomen Lichtbildern und die Faststellungen der eingesetzten Ermittlungsbeambten". Het mandaat gevoegd als stuk 4 geeft dus letterlijk overeenkomstig §114 punt 4 Duits Strafgesetzbuch weer wat de schuldaanwijzingen zijn, zoals door de wet vereist. Zonder enige twijfel voldoet het Haftbefehl lastens appellant de dato 6 april 2001 niet aan de vereisten zoals in §114 Duits Strafwetboek voorzien: dienvolgens is enerzijds, en louter subsidiair, de verjaring van de strafvordering (voorzien 9 mei 2001-§78

(3)Strafgesetzbuch: verjaringstermijn van 5 jaar voor misdrijven waarvan de maximumstraf 5 jaar bedraagt-de artikelen op het misdrijf in casu van toepassing zijn §253 en §255 van het Duits Strafgesetzbuch: maximumstraf 5 jaar) niet gestuit en is verjaring ingetreden naar Duits recht, en is anderzijds, in hoofdorde, de uitlevering niet mogelijk overeenkomstig art.3, lid 2 van de Uitleveringswet van 15/03/1874. Art.3 lid 2 Uitleveringswet stelt het volgende: "De uitlevering zal eveneens worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven voor dewelke ze werden verleend en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer... ". Wanneer aldus het mandaat faalt naar het recht van de Verzoekende staat zelf kan België niet uitleveren. Zondermeer. Het staat in deze vast dat het Haftbefehl de dato 6 april 2001 faalt naar Duits recht en dat dienvolgens geen rechtsgeldige uitlevering op basis van dit mandaat kan worden bevolen, welke stukken ook later worden overgemaakt door de Verzoekende Staat (immers anders kan de Verzoekende Staat ter stuiting van de nakende verjaring een Haftbefehl "pour besoin de la cause" uitvaardigen om dit dan later te gaan vervolledigen en de juridische onvolmaaktheid te gaan rechttrekken). Een uitlevering toestaan op basis van het Haftbefehl de dato 6 april 2001 zou betekenen zondermeer dat eenieder op basis van een dergelijk ongemotiveerd mandaat kan worden uitgeleverd, dit kan niet in een Rechtstaat. Het uitleveringsbesluit in hoofde van Arturas Visvaldo Petrauskas de dato 12 januari 2005 door de Minister van Justitie uitgevaardigd schendt dan ook art.3, lid 2 van de Uitleveringswet van 15/03/1874 doordat de uitlevering is gebaseerd op een aanhoudingsmandaat dat faalt naar het recht van de Verzoekende Staat. Het eerste middel is dan ook gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “(...) 4.1. Schending van artikel 3, 2e lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 4.1.1. Verzoeker argumenteert dat het Duitse bevel tot aanhouding van 6 januari 2001 niet voldoet aan de interne Duitse wetsbepalingen, in het bijzonder artikel 114 van het Duitse Strafwetboek, omdat het onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Zonder aan te duiden welke sanctie aan deze gebrekkige motivering zou moeten worden gekoppeld, leidt de verzoeker daaruit af dat het onvolkomen bevel tot aanhouding de verjaring niet geldig heeft kunnen stuiten. Aldus meent verzoeker dat de uitleveringsbeslissing van verwerende partij artikel 3, 2e lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 miskent. Het artikel 3 bepaalt: De uitlevering zal toegestaan worden op overlegging van het origineel of van een authentiek afschrift van hetzij het vonnis of arrest waarbij de veroordeling uitgesproken werd hetzij de beschikking van de raadkamer, het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, of de akte van strafprocedure uitgaande van de bevoegde rechter, waarbij de verwijzing van de beklaagde of de beschuldigde naar het strafgerecht formeel wordt bevolen, of waarbij zulks van rechtswege wordt meegebracht. Zij zal eveneens worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven, voor dewelke ze werden verleend, en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van XIV-21.945-4/13 de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden. De stukken bedoeld in het eerste en het tweede lid mogen per telefax worden overgelegd telkens wanneer een internationale overeenkomst daar uitdrukkelijk in voorziet en overeenkomstig de daarin vastgelegde voorwaarden voor echtverklaring. Zodra de vreemdeling ter uitvoering van een der akten hierboven vermeld en na behoorlijke betekening ervan, zal zijn opgesloten, zal de regering het advies inwinnen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden. De terechtzitting gaat door in het openbaar tenzij de vreemdeling erom verzoekt dat ze met gesloten deuren zou worden gehouden. Het openbaar ministerie en de vreemdeling worden gehoord. Deze laatste mag zich door een raadsman laten bijstaan. De proceshandelingen zullen samen met het gemotiveerd advies, aan de minister van Justitie worden toegestuurd binnen een termijn van vijftien dagen lopende vanaf de ontvangst ervan.". 4.1.2. De gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch enige andere wet of verdrag, hebben de Raad van State bevoegd gemaakt om de rechtshandelingen van een buitenlandse rechterlijke macht, in casu het Duitse bevel tot aanhouding, te beoordelen, zowel op inhoudelijk en feitelijk vlak als op hun wettigheid, inbegrepen haar formulering, motivering en opportuniteit. De Raad dient zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van een middel dat ertoe strekt een onregelmatigheid vast te stellen in een akte die door een buitenlands gerecht zou zijn begaan in een akte betreffende de uitleveringsprocedure. Het zal de Duitse rechterlijke macht zijn die het bevel tot aanhouding en de door verzoeker aangevoerde middelen zal beoordelen op waarheid en rechtsgeldigheid. 4.1.3. De Raad van State zal bovendien vaststellen dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij het Hof van beroep te Gent in haar arrest van 14 oktober 2004 de beschikking tot exequatur van de Raadkamer bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent van 24 augustus 2004 heeft bevestigd; hierdoor beval de Belgische rechterlijke macht dat aan het Duitse bevel tot aanhouding in België uitvoering diende te worden gegeven. In het bijzonder oordeelde het Hof van beroep als volgt: "Overwegende dat het bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering te dezen voldoet aan al de wettelijke vereisten; Dat uit de thans voorliggende stukken blijkt dat alle wettelijke en verdragrechtelijke voorschriften werden nageleefd gezien een afschrift van het internationaal aanhoudingsmandaat werd overgemaakt door de Duitse autoriteiten. Overwegende dat het door de buitenlandse overheid overgelegd aanhoudingsmandaat aan de wettelijke vereisten voldoet om als basis voor een uitlevering te dienen; ". Dit arrest is in kracht van gewijsde getreden en bindt de verzoeker. Hij is bijgevolg niet meer bij machte de rechtsgeldigheid van het Duitse bevel tot aanhouding op te werpen. 4.1.4. De Raad van State zal vaststellen dat het Duitse bevel tot aanhouding wel degelijk is gemotiveerd wat betreft de feitelijke toedracht en de opportuniteit van de beslissing, en wel als volgt (in vertaling): [...] wordt de vatting in het kader van het onderzoek bevolen Hij wordt op grond van de door de politie gedane opsporingen er ernstig van verdacht te Hamburg op 09.05.1996 met eenheid van opzet in samenloop
  1. a)door geweld tegen een persoon of onder bedreigingen met aanwezigheid van gevaar voor lichaam of leven een mens in strijd met de wet tot een handeling, dulden of nalaten heeft geleid en daardoor het vermogen van de betrokkene of van een andere schade berokkend, teneinde zich of een derde wederrechtelijk voordeel te verschaffen, en daarbij gebruik te hebben gemaakt van een werktuig of enig ander middel teneinde de weerstand van een ander persoon door geweld of bedreiging te overwinnen of te verhinderen,
  2. b)een mens te hebben opgesloten of op enige andere wijze van zijn vrijheid te hebben beroofd waarbij hij in bewuste en gewilde samenwerking met de reeds in deze zaak veroordeelde Rolandas LAUCIUS en zijn onbekende mededader in de Penny-Markt, Tonndorfer Haupstrasse 112, met de onbekende mededader onder het voorhouden van een angstaanjagend luchtdrukpistool de bedienden Janhke en Handorn in de wasruimte XIV-21.945-5/13 van de damestoiletten drongen en ze daar vastketenden, terwijl LAUCIUS van de filiaalhouder Zander onder voorhouding van een luchtdrukpistool de overhandiging eiste van geld, waarop Zander onder de indruk van de bedreigingen ongeveer 7.000,- DM aan hem gaf, daarop aan een ijzeren plank werd vastgeketend en de daders uiteindelijk de vlucht namen met de buit. [...] Er bestaat vluchtgevaar. De beschuldigde heeft geen vaste woonplaats in het Bondsgebied en verblijft in het buitenland. Gezien de straf die hij dreigt op te lopen kan er niet worden op gerekend dat hij zich vrijwillig ter beschikking van het onderzoek zal stellen. " Het middel mist bijgevolg feitelijke ondersteuning. 4.1.5. Tenslotte zal de Raad vaststellen dat er dus door de verzoekende Duitse autoriteit een bevel tot aanhouding wordt voorgelegd dat voldoet aan de wettelijke bepalingen en dat zal worden beoordeeld naar zijn rechtsgeldigheid door de buitenlandse rechterlijke macht en volgens het interne Duitse rechtssysteem. Het middel is ongegrond. 4.1.6. De Raad zal vaststellen dat zij niet bevoegd is om uit te spreken "voor recht" zoals de verzoeker in het dispositief van zijn verzoek verzoekt.”; 2.1.3.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 3, tweede lid van de Uitleveringswet van 15 maart 1874; dat meer bepaald verzoeker aanvoert dat het door de Duitse autoriteiten op 6 april 2001 uitgevaardigde aanhoudingsbevel (“Haftbefehl”) niet voldoet aan de vormvereisten voorgeschreven door § 114 van het Duitse Strafwetboek; dat verzoeker, enerzijds, meent dat de Belgische autoriteiten bijgevolg niet konden besluiten tot uitlevering zonder hierbij een schending te begaan van artikel 3, tweede lid van de Uitleveringswet van 15 maart 1874; dat, anderzijds, verzoeker er op wijst dat “verjaring (
  3. is)ingetreden naar Duits recht”, aangezien het door een vormgebrek aangetast aanhoudingsbevel de verjaring van de strafvordering niet kon doen stuiten; 2.1.3.2. Overwegende dat artikel 3, tweede lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 luidt als volgt: “Zij (de uitlevering) zal eveneens worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven, voor dewelke ze werden verleend, en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden.”; dat uit stuk 1a van het administratief dossier blijkt dat de Duitse autoriteiten op 21 juli 2004 verzochten om de uitlevering van verzoeker; dat uit datzelfde stuk blijkt dat zij bij dit verzoek een afschrift voegden van het op 6 april 2001 uitgevaardigde aanhoudingsbevel; dat dit aanhoudingsbevel duidelijk beschrijft op basis van welke feiten het werd verleend; dat in het aanhoudingsbevel uitdrukkelijk het volgende wordt gesteld : “(...) der polizeilichen Ermittlungen dringend verdächtig, in Hamburg am 09.05.1996 tateinheitlich gemeinschaftlich
  4. a)durch Gewalt gegen eine Person oder unter Anwendung von Drohungen mit gegenwärtiger Gefahr für Leib oder Leben einen Menschen rechrtswidrig zu einer XIV-21.945-6/13 Handlung, Duldung oder Unterlassung genötigt zu haben und dadurch dem Vermögen des Genötigten oder eines anderen Nachteil zugefügt zu haben, um sich oder einen Dritten zu Unrecht zu bereichern, und dabei ein Werkzeug oder Mittel bei sich geführt zu haben, um den Widerstand einer anderen Person durch Gewalt oder Drohung mit Gewalt zu verhindern oder zu überwinden,
  5. b)einen Menschen eingesperrt oder auf andere Weise der Freiheit beraubt zu haben, indem er im bewussten und gewollten Zusammenwirken mit dem wegen dieser Sache bereits verurteilten Rolandas LAUCIUS und einem unbekannten Mittäter im Penny-Markt, Tonndorfer Hauptstraße 112, mit dem unbekannten Mittäter unter Vorhalt einer Schreckschusspistole die Angestellten Jahnke und Handorn in den Waschraum der Damentoilette drängte und sie dort ankettete, während der LAUCIUS den Filialleiter Zander unter Vorhalt einer Schreckschusspistole zur Herausgabe von Geld aufforderte, woraufhin Zander unter Eindruck der Bedrohung ca. 7.000,- DM an ihn übergab, dann an ein Eisenregal gekettet wurde, und die Täter schließlich mit der Beute flüchteten. Verbrechen und Vergehen, strafbar gemäß §§ 253 Abs. 1, 255, 249 Abs. 1, 250 Abs. 1 Nr. 1
  6. b)n.F., 239 Abs. 1, 2 Abs. 1 und 3, 25 Abs. 2, 52 Abs. 1 StGB. Es besteht Fluchtgefahr. Der Beschuldigte ist im Bundesgebiet ohne festen Wohnsitz und hält sich im Ausland auf. Angesichts der ihm drohenden Strafe ist nicht damit zu rechnen, dass er sich dem Verfahren freiwillig stellen wird. (...).”; dat verder uit stuk 3 van het administratief dossier blijkt dat het aanhoudingsbevel op 24 augustus 2004 door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent uitvoerbaar werd verklaard; dat het door verzoeker tegen deze beschikking van de raadkamer ingediende hoger beroep op 14 oktober 2004 door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent werd afgewezen; dat bijgevolg blijkt te zijn voldaan aan de voorwaarden opgelegd in artikel 3, tweede lid van de Uitleveringswet van 15 maart 1874; dat, waar verzoeker voorts aanvoert dat het aanhoudingsbevel zou zijn aangetast door een vormgebrek, dient opgemerkt dat de Raad van State niet bevoegd is zich uit te spreken over handelingen van de rechterlijke macht, laat staan van een buitenlandse rechterlijke macht; dat volledigheidshalve en voor zover als nodig nogmaals kan worden gewezen op de met gezag van gewijsde beklede beschikking van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent van 14 oktober 2004 waarbij exequatur werd verleend aan het Duitse aanhoudingsbevel; dat in deze beschikking onder meer wordt overwogen “dat het bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering te dezen voldoet aan al de wettelijke vereisten”, “dat het door de buitenlandse overheid overgelegd aanhoudingsmandaat aan de wettelijke vereisten voldoet om als basis voor een uitlevering te dienen”, en dat “de procedure en de overgemaakte stukken regelmatig voorkomen”; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “Tweede middel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, m.n. schending van artn. 2 en 3 van de Uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 Eerste onderdeel: De bestreden beslissing is genomen na het advies dd. 23.12.2004 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent. XIV-21.945-7/13 Conform art. 3 van de wet van 15 maart 1874 wordt dit gemotiveerd advies, samen met het bundel van proceshandeling binnen de 15 dagen aan de minister van Justitie toegestuurd. Appellant heeft geen kennis van de inhoud van dit advies. Er blijkt zelfs niet uit de bestreden beslissing of al dan niet ingestemd of afgeweken wordt van het door de Kamer van Inbeschuldigingstelling uitgebrachte advies. Een motivering door verwijzing naar een advies is mogelijk, doch conform de vaste rechtspraak van Uw Raad moet de inhoud van dit advies ter kennis dient te worden gebracht aan de betrokkene, dit advies moet zelf afdoende gemotiveerd zijn, het advies moet dan worden gevolgd door de overheid en er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn. Het doel van de motiveringsplicht wordt dan ook niet bereikt door een verwijzing naar een advies waarvan de inhoud voor de bestuurde onbekend is gebleven (R.v.St. n.v. Bouwbedrijf Reynders, nr. 40.733, 13 oktober 1992). Volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad mag enkel verwezen worden naar stukken die aan de betrokkene ter kennis werden gebracht (R.v. St. De Koninck, nr. 39.433, 21 mei 1992, T. Gem. 1992, 228; R.v.St., n.v. Superconfex, nr. 39.735, 16 juni 1992; R.v.St. Vandermeulen, nr. 52.232, 15 maart 1995; R.v.St. Magnette, nr. 52.627, 31 maart 1995), of hem bekend zijn (R.v.St. OCMW Sint-Pieters-Woluwe, nr. 44.546, 15 oktober 1993, R.v.St. n.v. Reforme, nr. 74.852, 30 juni 1998). Het is verder zo dat de inhoud van het advies aan de betrokkene ter kennis moet zijn gebracht voor de beslissing genomen werd, of uiterlijk samen met de eindbeslissing (R.v.St. n.v. Sabig, nr. 45.966, 2 februari 1994). Wanneer de stukken waarnaar wordt verwezen niet ter kennis werden gebracht aan de betrokkene of hem niet bekend zijn, kan enkel rekening worden gehouden met de in het besluit zelf opgenomen motieven. In die context dient opgemerkt dat dit voorafgaand advies door de Kamer van Inbeschuldigingstelling verplicht is conform art. 3 van de uitleveringswet van 15 maart 1874. In de bestreden beslissing wordt zelf geen enkele motivering opgenomen, doch louter verwezen naar dit aan appellant onbekende advies, zodat de bestreden beslissing een schending inhoudt van de wet van 29 juli 1991. (zie in die context, I. Opdebeek en A. Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen, Die Keure, 1999, P. 133, nr. 165). Het eerste onderdeel van het tweede middel is dus gegrond. Tweede onderdeel: De motivering van een beslissing moet concreet en precies zijn, standaardformules zijn niet afdoende. Het valt op te merken dat de bestreden beslissing identiek is als een beslissing betreffende uitlevering van de Minister van Justitie zoals weergegeven in een arrest van Uw Raad dd. 13 maart 2001 (R.v.St. Annunziata, nr. 93.881, 13 maart 2001). Terzake kan gesteld worden dat de overheid een zogenaamde stereotype motivering heeft toegepast, waaruit niet blijkt dat de overheid haar beoordelingsbevoegdheid effectief en met kennis van zaken heeft uitgeoefend (R.v.St. De Clerck, nr. 64.939, 28 februari 1997). Uit de bestreden beslissing kan niet worden afgeleid op welke concrete gegevens verweerder zich gesteund heeft teneinde de bestreden beslissing te nemen. Er wordt enkel verwezen naar het aanhoudingsbevel dd. 06.04.2001 van het Ambtsgericht te Hamburg en het advies dd. 23.12.2004 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent. Op geen enkele wijze is uit de bestreden beslissing af te leiden of rekening gehouden is met de concrete situatie van appellant. Ten overvloede kan worden gemeld dat een verwijzing naar het Europees uitleveringsverdrag dd. 13 december 1957 (dat 32 artikelen bevat betreffende tevens o.m. militaire delicten e.d.m.) en de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst dd. 19 juni 1990, zonder specificiteit van de toepasselijke artikelen van het vermelde verdrag en de vermelde overeenkomst, meer verwijzing naar de uitleveringswetten van 1 maart 1833 en 15 maart 1874, terug zonder specificiteit naar de toepasselijke artikelen, niet kan worden aanzien als een afdoende motivering, minstens kan de rechtsonderhorige er niet uit afleiden welke artikelen van de aangehaalde internationale en nationale wetteksten toepassing hebben gevonden (of net geen toepassing hebben gevonden) teneinde tot de beslissing te komen. XIV-21.945-8/13 De bestreden beslissing voldoet dan ook niet aan de zorgvuldigheidsnorm, noch kan sprake zijn van een afdoende motivering. Het tweede onderdeel van het tweede middel is dan ook gegrond.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.2.1. Eerste onderdeel a. Verzoeker stelt in een eerste onderdeel dat hij geen kennis heeft van het advies verleend door de Kamer van Inbeschuldigingstelling en dat dit hem niet bij voorbaat ter kennis werd gebracht zodat (d)e Motiveringswet wordt geschonden. b. In het bestreden besluit wordt in niets afgeweken van het gunstig advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling. c. De verzoeker vergeet dat de uitlevering een uiting is van de internationale samenwerking tussen Staten. In deze context dient de verwerende partij te onderzoeken of aan de voorwaarden van die samenwerking, zoals bepaald door de wet en de internationale verdragen, is voldaan. Het bestreden besluit is bijgevolg een antwoord op het verzoek dat door Duitsland werd geformuleerd. De motivering geeft voldoende inzicht waarom het verzoek gunstig wordt beantwoord. De verzoeker duidt dus nergens aan waarom het bestreden besluit zou zijn aangetast door een overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, of wegens overschrijding of afwending van macht. d. De verwijzing naar de Formele Motiveringswet is niet terzake nu het concrete middel niet op de motivering betrekking heeft doch wel op de mededeling aan de betrokkene van het concrete advies. Volgens artikel 3, 3e lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 dient de regering verplicht advies in te winnen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling; dit advies is, overeenkomstig het 5e lid van artikel 3, bestemd voor de regering, en niet voor de betrokkene zelf. Nadat deze procedure werd gevolgd, heeft de Minister van Justitie het bestreden besluit genomen, rekening gehouden met het verleende advies (zie de consideranda). Het bestreden besluit is dus op geldige wijze tot stand gekomen; het besluit is even geldig aan de betrokkene bekend gemaakt en deze brengt daarop trouwens geen kritiek. e. Geen enkel wettelijke bepaling voorziet dat het advies aan de verzoeker moet worden medegedeeld; het advies zelf wordt nooit overgenomen in een Ministerieel uitleveringsbesluit. In casu heeft de Kamer van Inbeschuldigingstelling een gunstig advies uitgebracht, overeenkomstig de vordering van de procureur-generaal (daarvan had de verzoeker kennis). f. Immers nog, de motiveringsverplichting zou slechts spelen in de mate dat de tegenpartij van het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling zou afwijken. De inhoud van het advies kan door de Raad van State trouwens niet op zijn wettigheid worden getoetst vermits het uitgaat van de rechterlijke macht; aan de Minister van Justitie komt het evenmin toe van een wettigheidstoezicht uit te oefenen op dit advies (zie o.m. arrest nr. 93.881 van 13 maart 2001 iz ANNUNZIATA). Het komt evenmin aan de Minister toe te antwoorden op de middelen die de betichte heeft aangebracht voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling (zie arrest nr. 89.335 van 18 augustus 2000 iz ISKANDER; arrest nr. 102.2169 van 20 december 2001 iz Martens). 4.2.2. Tweede onderdeel a. In het tweede onderdeel verwijt de verzoeker aan de tegenpartij het gebruik van standaardformules en identieke bewoordingen aan voorgaande Ministeriële besluiten. b. Om de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen dient enkel te worden nagegaan of de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht een vreemdeling is, of de uitlevering wordt verzocht op grond van een bevel tot aanhouding uitgaande van een bevoegde vreemde overheid onder duidelijke omschrijving van de feiten, of de feiten zowel naar Belgisch als naar Duits recht vervolgbaar en strafbaar zijn met een minimum vrijheidsstraf en of de ten laste gelegde feiten tot uitlevering kunnen aanleiding geven; tenslotte dient de tegenpartij na te gaan of de feiten niet als een niet voor uitlevering strafbaar delict kunnen worden beschouwd, noch of het verzoek is ingegeven met de XIV-21.945-9/13 bedoeling een persoon te vervolgen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid. Het voldoen aan deze voorwaarden is voldoende om de uitlevering toe te staan (zie arrest nr. 94.685 van 11 april 2001 iz BUTERASHVILY). c. Het gebruik van een standaardbewoording of -formule duidt niet op enig gebrek in de motivering. Het opsommen van juridische gegevens en beweringen zonder daarbij een antwoord te geven op argumenten aangebracht door de betrokkene, werd als voldoende ervaren door de raad van State (zie het arrest nr.58.971 van 1 april 1996 iz TSAKALAKIS). d. Het eerste middel is ongegrond.”; 2.2.3.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, m.n. schending van de artn. 2 en 3 van de Uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991"; 2.2.3.2.1. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker aanvoert dat hij geen kennis heeft van de inhoud van het krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 verplicht uitgebracht advies van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent van 23 december 2004; dat verzoeker bijgevolg meent dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van de formele motiveringsplicht, aangezien de bestreden beslissing onder meer is gesteund op het hierboven vermelde advies, waarvan de inhoud hem niet bekend is; 2.2.3.2.2. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, in de bestreden beslissing niet louter wordt verwezen naar het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent van 23 december 2004; dat in de bestreden beslissing weliswaar de aandacht wordt gevestigd op het feit dat het krachtens artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 verplicht advies van de kamer van inbeschuldigingstelling wel degelijk werd uitgebracht, doch zulks enkel en alleen met de bedoeling om aan te tonen dat de procedure werd gevolgd; dat de verwijzing naar het hierboven aangehaalde advies met andere woorden geen uitstaans heeft met de motivering van de bestreden beslissing op zich, aangezien, zoals hierna zal blijken, de bestreden beslissing zelf wel degelijk uitgebreid en afdoende werd gemotiveerd; 2.2.3.3.1. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker de Minister van Justitie verwijt een stereotiepe motivering te hebben gebruikt; dat verzoeker aanvoert dat “uit de bestreden beslissing (...) niet (kan) worden afgeleid op welke concrete gegevens verweerder zich gesteund heeft”; dat voorts verzoeker opmerkt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957, naar de Schengen- Uitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990 en naar de uitleveringswetten van 1 maart 1833 en 15 maart 1874 zonder hierbij te specifiëren welke artikelen uit deze verdragen en wetten op verzoeker van toepassing zouden zijn; XIV-21.945-10/13 2.2.3.3.2. Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, tot doel heeft de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat zelfs indien, zoals verzoeker aanvoert, een beslissing een stereotiepe motivering zou bevatten, dit louter feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd; dat de bewering dat een individuele en concrete benadering zou ontbreken, op zich niet kan aantonen dat niet is voldaan aan de formele motiveringsplicht; dat de bestreden beslissing immers duidelijk de reden vermeldt waarop de beslissende overheid haar beslissing steunt; dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat : - verzoeker - de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht - een vreemdeling is aangezien hij de Litouwse nationaliteit heeft; - de uitlevering wordt gevraagd door de verzoekende staat op grond van een bevel tot aanhouding van 6 april 2001 van het “Amtsgericht” te Hamburg, onder duidelijke omschrijving van de feiten, namelijk “diefstal door middel van geweld of bedreiging, feiten gepleegd op Duits grondgebied op 09.05.1996"; - de feiten “zowel naar Belgisch als naar Duits recht strafbaar zijn”, en zulks met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur tenminste één jaar bedraagt of een zwaardere straf, aangezien in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld “dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van (
  7. de)(...) Uitleveringsovereenkomst (tussen de Lid-Staten van de Europese Unie) van 27 september 1996"; - de ten laste gelegde feiten tot uitlevering aanleiding kunnen geven aangezien “niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de betrokkene wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen noch dat zijn positie om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed”; - “de verjaring van de strafvordering naar Duits recht niet is bereikt”; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de door hem bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat het tweede middel niet gegrond is; XIV-21.945-11/13 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “Derde middel: schending van de hoorplicht en het recht van verdediging Aan iedere belanghebbende moet de gelegenheid worden gegeven om nuttig voor zijn belangen op te komen ten aanzien van de determinerende motieven die de overheid aanzetten tot het nemen van de maatregel (R.v.St. Janssens, nr. 23.472, 13 september 1983; R.v.St. Reyniers, nr. 39.156, 3 april 1992). Dat terzake de Minister van Justitie een administratieve beslissing genomen heeft, die onderworpen is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Appellant is noch door de minister gehoord, noch werd hem de kans geboden schriftelijk voor zijn belangen op te komen, noch werd appellant een inzage in het volledige dossier verleend dat de basis vormde voor de bestreden beslissing. Appellant heeft dan ook geen enkele kans gekregen voor zijn belangen op te komen bij de totstandkoming van de bestreden beslissing. Er is dan ook schending van de hoorplicht én van het fundamentele recht van verdediging. Het derde middel is gegrond.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “4.3. Schending van de hoorplicht en het recht van verdediging 4.3.1. Verzoeker verwijt aan de verwerende partij dat hij niet door de Minister werd gehoord noch hem inzage werd verleend in het dossier, en evenmin hem werd de kans geboden zijn belangen voor de Minister te verdedigen. 4.3.2. Verwerende partij verwijst naar de middelen die hij reeds heeft opgeworpen betreffende het tweede middel. De uitleveringsprocedure biedt in België, in vergelijking met het buitenland, reeds belangrijke waarborgen aan de betrokkene door de dubbele tussenkomst van de rechterlijke macht, nl. bij het verlenen van het exequatur van het buitenlandse bevel tot aanhouding en door het advies dat wordt gegeven aan de Regering. Verwerende partij is wettelijk niet gehouden op een verzoekschrift tot niet-uitlevering van de verzoeker in te gaan (zie arrest 58.971 van 1 april 1996 iz TSAKALAKIS). 4.3.3. Vermits de uitleveringsdossiers bovendien de relaties met andere landen, al dan niet diegene die aan België om uitlevering verzoeken of aan wie België om uitlevering verzoekt, kunnen schaden zodat discretie en diplomatiue vooraang dienen te krijgen, is het uitleveringsdossier geheim en wordt er aan derden geen toegang toe verleend, op grond van artikel 4 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 4.3.4. In casu is de verzoeker of zijn raadsman zelfs op geen enkel ogenblik tussengekomen bij de verwerende partij; het opgeworpen middel is dus puur hypothetisch en zonder enige feitelijke grond vermits het uitgaat van het principe dat de verzoekende partij iets had kunnen doen, doch het niet deed. 4.3.5. Het middel is ongegrond”;. 2.3.3.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de hoorplicht en het recht van verdediging”; dat meer bepaald verzoeker aanvoert dat hij “geen enkele kans (heeft) gekregen voor zijn belangen op te komen bij de totstandkoming van de bestreden beslissing”; XIV-21.945-12/13 2.3.3.2. Overwegende dat de uitleveringsprocedure een administratieve procedure is, en geen jurisdictionele, zodat het beginsel van het recht van verdediging bijgevolg niet zonder meer van toepassing is op deze procedure; dat geen enkele regel bepaalt dat de uitleveringsprocedure op tegenspraak moet verlopen; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op dertig mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.945-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.