← België

Arrest 159400 - - 31/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.400 Rolnummer: A. 153713/X-11958 Zaak: Arrest 159400 - - 31/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 20:34 Fiche Arrest nr 159.400 van 31 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.400 van 31 mei 2006 in de zaak A. 153.713/X-11.

  1. In zake : Philippe SONCK, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen :
  2. de STAD DEINZE, die woonplaats kiest bij Advocaat I. Traest, kantoor houdende te 9000 GENT, Gouvernementstraat 20,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. DE TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : de nv MORTI, die woonplaats kiest bij Advocaat P. Lachaert, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe SONCK op 12 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven -1/2 MORTI NV", aangenomen door de gemeenteraad van de stad Deinze op 28 augustus 2003, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2004; X-11.958-1/12 Gelet op het arrest nr. 141.287 van 25 februari 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien de verzoeken tot voortzetting, op 7 april 2005 ingediend door de eerste en de tweede verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 18 maart 2005 ingediend door de nv MORTI; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 die de tussenkomst van de nv MORTI toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. TRAEST die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat J. VAN LOMMEL die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij en van Advocaat E. VAN BOGAERT die loco Advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; X-11.958-2/12 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de tussenkomende partij een aannemingsbedrijf exploiteert, waarvan een afdeling hout- en metaalbewerking is gevestigd aan de Engelhoekstraat 1 te Deinze, deelgemeente Sint-Martens-Leerne; dat de percelen waarop de genoemde afdeling is gevestigd, zich bevinden in gebieden die volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, zijn bestemd tot woongebied en tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Deinze in 2001 heeft beslist tot de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde bedrijven, waaronder dat van de tussenkomende partij; dat het college in maart 2002 een voorontwerp van bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven heeft opgemaakt, dat betrekking heeft op twee bedrijven, namelijk dat van de tussen- komende partij en dat van de nv MARBRINO; dat het college vervolgens, gelet op de acute milieuvergunningsproblematiek van de tussenkomende partij, het ontworpen plan heeft opgesplitst, en in eerste instantie de behandeling van het "deelplan 1/2: MORTI NV", dat nog enkel betrekking heeft op het bedrijf van de tussenkomende partij, heeft voortgezet; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 24 maart 2003 een gunstig advies heeft verleend over dat deelplan; dat de gemeenteraad op 27 maart 2003 het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg "deelplan NV MORTI" voorlopig heeft aangenomen; dat de betrokken percelen daarin worden bestemd tot "zone voor bedrijfsgebouwen en aanverwante voorzieningen", "zone voor private parkeerplaatsen, opritten, buitenopslag van bouwmaterialen", "zone voor bedrijfswoning", "zone voor woningbijgebouwen", "zone voor koeren, tuinen en hovingen", "voortuinstrook", "bufferzone" en "strook voor lineaire (opgaande) beplanting"; dat van 16 april tot 16 mei 2003 een openbaar onderzoek is gehouden over het ontwerpplan; dat een gezamenlijk bezwaarschrift is ingediend door zes omwonenden, waaronder de verzoeker; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 18 augustus 2003 het bezwaar ongegrond heeft verklaard, en een gunstig advies heeft verleend over het ontwerpplan; dat de gemeenteraad op 28 augustus 2003 het bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven - "deelplan 1/2: MORTI NV" X-11.958-3/12 definitief heeft aangenomen; dat de gemachtigde ambtenaar op 30 oktober 2003 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Bestendige Deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen op 30 oktober 2003 eveneens een gunstig advies heeft verleend; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening bij besluit van 14 april 2004 het bijzonder plan van aanleg heeft goedgekeurd; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep;
  7. Overwegende dat de verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2, § 1, en 14, vierde en vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 14 september 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, en van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat het bestreden besluit goedkeuring verleent aan de indeling van de percelen van de tussenkomende partij in acht verschillende bestemmingen, die alle in hoge mate afwijken van de bestemming als woongebied en landschappe- lijk waardevol agrarisch gebied, zoals vastgesteld in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, terwijl uit de parlementaire voorbereiding van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, evenals uit de omzendbrief RO 2000/01 van 29 september 2000 duidelijk blijkt dat men bij wege van een sectoraal BPA slechts mag afwijken van het gewestplan wanneer zulks wordt ingegeven door "dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijk structuurplanningsproces"; tijdens deze parlementaire voorbereiding en in voormelde omzendbrief eveneens wordt beklemtoond dat een sectoraal BPA nooit kan opgemaakt worden met als enige doel een bouwmisdrijf te regulariseren; een sectoraal BPA a fortiori evenmin als enig doel mag hebben om voor een bedrijf dat sinds geruime tijd, slechts onderbroken door korte tussenpozen op het moment dat onwettelijke milieuvergun- ningen zijn verleend, op illegale wijze zonder milieuvergunning wordt geëxploi- teerd, de mogelijkheid te creëren om alsnog een milieuvergunning te verkrijgen; de tijdelijke mogelijkheid voor gemeenten om af te wijken van een gewestplan, ingevoerd bij artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, is gecreëerd voor gemeenten die nog niet beschikken over een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; deze afwijking, die ontegenspreke- X-11.958-4/12 lijk indruist tegen de hiërarchie der rechtsnormen, zoals zij duidelijk blijkt uit artikel 14, vierde lid, van het decreet van 22 oktober 1996 en de daaraan gelieerde vaste rechtspraak van de Raad van State, dan ook beperkend moet worden geïnterpreteerd; dit standpunt eveneens wordt bevestigd in de voormelde omzend- brief van 29 september 2000, waarin letterlijk wordt gesteld dat een sectoraal BPA is bedoeld "als een voorafname op het gemeentelijk structuurplanningsproces ten behoeve van dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijk structuurplanningsproces"; tevens wordt gesteld dat enkel die bedrijven in aanmerking komen die zijn opgenomen in de gemeentelij- ke inventaris van zonevreemde bedrijven, en die dus bedrijven zijn die "geconfron- teerd worden met hoogdringende problemen en waarover de gemeente een uitspraak wenst te doen"; noch uit de bestreden beslissing, noch uit de verschillende gemeenteraadsbesluiten, noch uit de toelichting bij het BPA deze hoogdringendheid blijkt, temeer daar uit het administratief dossier en de historiek van het bedrijf ondubbelzinnig valt af te leiden dat de illegale toestand waarin de tussenkomende partij zich bevindt, uitsluitend te wijten is aan de houding van de exploitant zelf, die wetens en willens zonder de nodige bouw- en milieuvergunningen zijn bedrijf almaar heeft uitgebreid; dan ook moet worden vastgesteld dat noch de bestreden beslissing, noch de gemeenteraadsbesluiten van 27 maart en 28 augustus 2003, noch de overige stukken in het administratief dossier ook maar enigszins de vereiste dringendheid en noodzaak aantonen die voorhanden dienen te zijn opdat een gemeente gebruik zou kunnen maken van de afwijkingsmogelijkheid geboden door artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördi- neerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat het bestreden bijzonder plan van aanleg voorziet in afwijkingen van het terzake toepasselijke gewestplan, zijnde het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977; Overwegende dat het bestreden bijzonder plan van aanleg is vastgesteld met toepassing van artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat die bepaling, in de versie zoals ze van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, luidt als volgt: X-11.958-5/12 "Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuur- plan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005"; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, waarbij het genoemde lid in artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996 is ingevoegd, blijkt dat die bepaling is bedoeld om gedurende een bepaalde overgangs- periode, in afwachting van het aannemen van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een oplossing te bieden voor zonevreemde bedrijven; dat die oplossing moet steunen op een toetsing van de ruimtelijke draagkracht van de betrokken bedrijven (verslag namens de commissie, Parl. St., Vl. Parl., 1998-99, nr. 1332-8, pp. 36-38); dat aan de bedoeling om een oplossing te bieden voor dringende problemen is herinnerd in de omzendbrief RO 2000/1 van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media van 29 september 2000 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven (inzonderheid in de punten 2.1.1 en 3); Overwegende dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het positief planologisch attest, op 12 februari 2001 aan de tussenkomende partij verleend door het College van burgemeester en schepenen van de stad Deinze; dat uit dit planologisch attest blijkt dat slechts een deel van de aanwezige bebouwing van het bedrijf van de tussenkomende partij behoorlijk vergund is, en dat de tussenkomende partij, hoewel milieuvergunningsplichtig, niet meer over een milieuvergunning beschikt, welke toestand het gevolg is van het feit dat het bedrijf van de tussenkomende partij "omgevings-zonevreemd" is; dat in het attest voorts wordt verwezen naar de motivatie die de tussenkomende partij voor haar aanvraag heeft gegeven, met name het opheffen van de zonevreemdheid om de exploitatie te vrijwaren en om de regularisatie van de niet vergunde delen mogelijk te maken; dat de minister uit die gegevens heeft kunnen afleiden dat het bestreden bijzonder plan van aanleg het geëigende instrument is om, in afwachting van een gemeentelijk X-11.958-6/12 ruimtelijk structuurplan, het probleem van het bedrijf van de tussenkomende partij als zonevreemd bedrijf op te lossen; Overwegende dat, in zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit genomen zou zijn met als enig doel het creëren van de mogelijkheid voor de tussenkomende partij om een milieuvergunning te verkrijgen en om de werken en handelingen die zonder de vereiste stedenbouwkundige vergunning zijn uitgevoerd te laten regulariseren, uit het bestreden besluit blijkt dat het steunt op een ruimtelijke afweging die, hoewel beperkt, strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat met name wordt overwogen dat het bestreden bijzonder plan van aanleg tot stand gekomen is "vanuit de zorg tot verweving van de economische activiteiten (van het bedrijf van de tussenkomende partij) met de functies in (zijn) omgeving, teneinde iedere overmatige burenlast op te lossen en te voorkomen, met een goed nabuurschap als uitgangspunt"; dat in het bestreden besluit voorts wordt aangegeven, met verwijzing naar de concrete inhoud van het bestemmingsplan en de stedenbouwkundige voorschriften, hoe de overlast voor de omgeving zo beperkt mogelijk wordt gehouden; dat aldus blijkt dat, zo het bestreden besluit weliswaar is ingegeven door de bedoeling om voor de tussenk- omende partij een oplossing te zoeken die het haar mogelijk kan maken voor haar bedrijf de nodige vergunningen te verkrijgen, het niettemin steunt op een ruimtelijke afweging die rekening houdt met de gevolgen van het behoud van het bestaande bedrijf voor de omgeving; dat met andere woorden niet enkel met de belangen van de tussenkomende partij rekening gehouden is; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen; 3.
  8. Overwegende dat de verzoeker in een zevende middel de schending aanvoert van artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, doordat het bestreden besluit volledig voorbijgaat aan de zogenaamde "watertoets" die wordt opgelegd door de voornoemde decreets- bepalingen, terwijl artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 bepaalt dat de overheid die zich moet uitspreken over de goedkeuring van een plan, ervoor moet X-11.958-7/12 zorgen dat door het plan geen schadelijk effect ontstaat voor het integraal waterbeleid; artikel 8, § 2, de overheid verplicht een dergelijke beslissing te motiveren, en deze in elk geval te toetsen aan de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid; de minister in de bestreden beslissing dan ook minstens de resultaten van deze watertoets had moeten vermelden; daarenboven de begrenzing van het bijzonder plan van aanleg achteraan wordt gevormd door een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; het decreet van 18 juli 2003 nochtans aan de overheid oplegt na te gaan of door het plan geen schadelijk effect wordt toegebracht, waarbij schadelijk effect onder meer wordt gedefinieerd als "ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit"; de minister in het kader van de watertoets dan ook minstens de effecten van de industriële en hinderlijke activiteiten van het bedrijf en van de vele verhardingen op de bedrijfssite op de waterhuishouding van de achterliggende weilanden in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied had moeten nagaan; 3.
  9. Overwegende dat artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid luidt als volgt: "§
  10. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaar- den op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren"; X-11.958-8/12 Overwegende dat artikel 8, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 bepaalt dat de beslissing die de overheid in het kader van artikel 8, § 1, neemt, wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst; 3.
  11. Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat het decreet van 18 juli 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2003, en dat het in werking is getreden op 24 november 2003, dat toen de gemeenteraad het bijzonder plan van aanleg op 28 augustus 2003 aannam, het decreet nog niet in werking was getreden, dat de minister, toen hij op 14 april 2004 het bijzonder plan van aanleg goedkeurde, slechts rekening kon houden met de gegevens waarover de onder toezicht staande overheid beschikte op het ogenblik van het nemen van haar beslissing, dat de minister dan ook niet kon vaststellen dat de gemeenteraad de wet of het algemeen belang had geschonden door geen watertoets te hebben uitgevoerd; dat de tweede verweerder voorts aanvoert dat het begrip "goedkeuring", bedoeld in artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003, doelt op de beslissing van de overheid met de materiële bevoegdheid om het plan aan te nemen en geen betrekking heeft op de goedkeuringsbevoegdheid van een hogere overheid ten aanzien van een beslissing van een lagere overheid; Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert dat de zogenaamde "watertoets", bij gebreke van een uitvoeringsbesluit, nog niet in de stedenbouw en de ruimtelijke ordening is geïmplementeerd, en dat de minister dan ook niet over een specifiek regelgevend kader beschikte waaraan hij het goedkeuren van het sectoraal bijzonder plan van aanleg kon toetsen; Overwegende dat het decreet van 18 juli 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2003; dat het derhalve, bij gebreke van een specifieke regeling inzake de inwerkingtreding, overeenkomstig artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op 24 november 2003 in werking is getreden; X-11.958-9/12 Overwegende dat artikel 8, § 5, van het decreet van 18 juli 2003 weliswaar voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om algemene richtlijnen uit te vaardigen en nadere regels vast te stellen, zowel in verband met de criteria om vast te stellen dat handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken als in verband met het bepalen van de gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren; dat de Vlaamse regering echter niet verplicht wordt om terzake enig uitvoeringsbesluit te nemen; dat, ook bij gebreke van een uitvoeringsbesluit, de betrokken overheden verplicht zijn om in de in artikel 8, § 1, bedoelde gevallen de watertoets uit te voeren; Overwegende dat de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 18 juli 2003 geen plan meer kon goedkeuren zonder zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van het decreet was voldaan; dat het decreet geen onderscheid maakt tussen het initieel vaststellen van een plan en het goedkeuren ervan; 3.
  12. Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat een bijzonder plan van aanleg niet kan worden beschouwd als een "plan" of een "programma", in de zin van artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003; Overwegende dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het genoemde decreet het volgende is opgemerkt: "In aansluiting met het advies van de SERV over het voorontwerp van decreet integraal waterbeleid (...) wordt de watertoets ook toepasselijk gemaakt op plannen en programma’s. Het is inderdaad logisch dat niet enkel op niveau van de vergunningverlening, maar reeds vroeger, tijdens het voortraject van het initiatief of de activiteit, op niveau van de planvorming en programma’s rekening wordt gehouden met mogelijke schadelijke effecten van de voorgenomen initiatieven of activiteiten op het watersysteem. Voor wat betreft de begrippen 'plannen' en 'programma’s' kan worden verwezen naar wat daaronder wordt verstaan in artikel 4.1.1, §1, 4/, DABM (memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23);" X-11.958-10/12 Overwegende dat artikel 4.1.1, §1, 4/, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) het begrip "plan of programma" definieert als "een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voorzover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest"; dat aangezien bijzondere plannen van aanleg aankondigen op welke wijze de overheid haar vergunningenbeleid zal voeren, die plannen onder voormelde definitie vallen; Overwegende dat de overheid die over een bijzonder plan van aanleg beslist, dus gehouden is door de verplichting bedoeld in artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003; 3.
  13. Overwegende, wat de uitvoering van de watertoets betreft, dat noch uit het besluit van de gemeenteraad van 28 augustus 2003, noch uit het bestreden ministerieel besluit van 14 april 2004 blijkt dat de bevoegde overheden zich ervan vergewist hebben dat uit het bestreden bijzonder plan van aanleg geen schadelijk effect voor het milieu voortvloeit of dat, indien daaruit wel een dergelijk effect voortvloeit, dit zoveel mogelijk beperkt of hersteld wordt door maatregelen die in het plan worden vastgesteld; Overwegende dat het bestreden besluit derhalve is genomen met miskenning van de vereisten opgelegd bij artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003; dat het middel in zoverre gegrond is; X-11.958-11/12 BESLUIT: Artikel
  14. Vernietigd wordt het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven -1/2 MORTI NV", aangenomen door de gemeenteraad van de stad Deinze op 28 augustus
  15. Artikel
  16. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.958-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.400 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.