id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.401 Rolnummer: A. 152259/X-11913 Zaak: Arrest 159401 - - 31/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 20:34 Fiche Arrest nr 159.401 van 31 mei 2006 - Beslissing : Verwerping bekendmaking Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.401 van 31 mei 2006 in de zaak A. 152.259/X-11.913. In zake : 1. Jean NAESSENS, 2. Daniel VAN NEVEL, die woonplaats kiezen bij Advocaten C. DE WOLF en K. ROELANDT, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : 1. de gemeente NEVELE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. 2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. DE TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean NAESSENS en Daniel VAN NEVEL op 28 mei 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het bij besluit van 21 oktober 2003 van de gemeenteraad van de gemeente Nevele definitief vastgesteld en bij besluit van 5 maart 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschap- pen en Technologische Innovatie goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoerings- plan "Eeksken" van de gemeente Nevele, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2004; X-11.913-1/14 Gelet op het arrest nr. 139.432 van 18 januari 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de gemeente Nevele in het administratief kort geding wordt afgewezen, en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 18 februari 2005 ingediend door de tweede verwerende partij; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur Jan CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DE WOLF die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat E. VAN BOGAERT die loco Advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat J. VAN LOMMEL die loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij; X-11.913-2/14 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Nevele bij besluit van 25 februari 2003 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" voorlopig heeft vastgesteld; dat van 28 maart tot 28 april 2003 een openbaar onderzoek is gehouden over het ontwerp-uitvoeringsplan; dat beide verzoekende partijen een bezwaarschrift hebben ingediend, waarin zij hebben gewezen op de waterproblematiek; dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening op 30 juli 2003 een voorwaardelijk gunstig advies heeft uitgebracht over het ontwerp- uitvoeringsplan; dat zij overweegt dat, gelet op de laaggelegen situering van het betrokken woonuitbreidingsgebied, een watertoets noodzakelijk is, dat deze watertoets voorafgaande technische maatregelen dient voor te schrijven voor de specifieke afwatering van het gebied, en dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoerings- plan zich dient aan te passen aan de resultaten van de watertoets en aan de voorgeschreven maatregelen; dat de gemeenteraad van de gemeente Nevele bij besluit van 21 oktober 2003 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" definitief heeft vastgesteld; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij besluit van 5 maart 2004 dat gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringspan heeft goedgekeurd; Overwegende dat het bestreden plan betrekking heeft op een gebied dat volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, is gelegen in een woonuitbreidingsgebied; dat het bestreden plan meer bepaald betrekking heeft op de onbebouwde gedeelten van een gebied dat gelegen is aan de oostzijde van de Landegemstraat; dat de eerste verzoeker eveneens woont aan die zijde van de Landegemstraat, maar dat zijn perceel niet opgenomen is in het gebied van het plan; dat de tweede verzoeker woont aan de overzijde van de Landegemstraat; X-11.913-3/14 2. Overwegende dat de verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; dat zij in de toelichting bij het middel aanvoeren dat dit decreet in werking is getreden op 24 november 2003, zodat de tweede verweerder bij het nemen van het bestreden besluit op 5 maart 2004 onderworpen was aan de bepalingen ervan, dat uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het genoemde decreet blijkt dat ook op het niveau van de planvorming een watertoets dient te worden uitgevoerd, dat de eerste verzoeker in zijn bezwaarschrift de problematiek van de wateroverlast in het gebied dat het voorwerp uitmaakt van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" en de omliggende percelen, heeft benadrukt, dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, hierna "GECORO", in haar advies uitdrukkelijk heeft gesteld dat, gelet op de laaggelegen situering van het betrokken woonuitbreidingsgebied, het noodzakelijk was een watertoets te laten uitvoeren voordat het ruimtelijk uitvoeringsplan zou worden goedgekeurd; dat de eerste verzoeker in een schrijven van 26 september 2003 aan het college van burgemeester en schepenen zich erover verwonderde dat de definitieve vaststelling van het plan zou plaatsvinden op de gemeenteraad van 30 september 2003, zonder de resultaten van de door de GECORO noodzakelijk geachte watertoets af te wachten, dat de definitieve goedkeuring van het plan daarop werd verdaagd, dat de gemeenteraad uiteindelijk op 21 oktober 2003 het plan definitief heeft vastgesteld, vermoedelijk op basis van de berekeningen en eerste vaststellingen van het studiebureau Haegebaert, gevoegd bij een schrijven van dat studiebureau van 9 oktober 2003, dat die eerste vaststellingen geen betrekking kunnen hebben op het beheersingsgebied van het bestreden plan en dat ze slechts gedaan worden in afwachting van een definitieve versie, dat bovendien uit een latere, op verzoek van de verzoekers uitgevoerde studie van URS Belgium blijkt dat uit de berekeningen van het studiebureau Haegebaert helemaal niet afgeleid kan worden dat de oprichting van 58 woningen in het gebied "Eeksken" geen overlast in het gebied en de omliggende percelen zou veroorzaken, aangezien enkel rekening is gehouden met afvalwater, en niet met hemelwater, dat de eerste vaststellingen van het studiebureau Haegebaert niet beschouwd kunnen worden als een deugdelijke en draagkrachtige watertoets; dat de verzoekers aanvoeren dat de gemeenteraad in zijn besluit van 21 oktober 2003 het bezwaar met betrekking tot de wateroverlast en het X-11.913-4/14 verzoek van de GECORO om een watertoets uit te voeren heeft willen ondervangen door te stellen dat het gemeentebestuur op de hoogte is van het bestaan van een periodieke wateroverlast ter hoogte van de dwarsing van de beek met Egelare, dat in overleg met Aquafin door het studiebureau een oplossing wordt uitgewerkt en binnen korte tijd de nodige voorzieningen zullen worden getroffen o.a. inzake de aanleg van een aangepaste gracht met duiker, dat het hellend karakter van het terrein (een niveauverschil van ca. 3,5
- m)ruimschoots voldoende is voor een vlotte oppervlaktewaterafvoer van het deel van het gebied, en dat men bij het uitwerken van de verkavelings- en bouwdossiers hieraan vooral aandacht zal dienen te besteden, en er in elk geval eventueel aan de hand van een watertoets sluitende maatregelen zullen dienen te worden voorgelegd voor de afwatering van het betrokken gebied; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de tweede verweerder klaarblijkelijk de mening is toegedaan dat op grond van de berekeningen van het studiebureau Haegebaert geen ernstig oordeel gevormd kan worden over de schadelijke effecten, in casu de wateroverlast, die het ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" zou kunnen veroorzaken, aangezien in het bestreden ministerieel besluit zelfs niet naar die berekeningen wordt verwezen, terwijl integendeel wordt erkend dat er een gevaar voor wateroverlast bestaat, nu wordt overwogen "dat uit de ingediende bezwaarschriften gebleken is dat het gebied gevoelig is voor waterover- last; dat het gemeentebestuur zich engageert deze problematiek op te lossen bij de verdere invulling van het gebied"; dat de verzoekers besluiten : "Door het ruimtelijk uitvoeringsplan 'Eeksken' goed te keuren op basis van de intentieverklaring van de gemeente Nevele, om op het niveau van de vergunningverlening de problematiek van wateroverlast te zullen oplossen, schendt (de tweede) verwerende partij de op haar rustende verplichting, bepaald in artikel 8, § 1, van het Decreet Integraal Waterbeleid, om preventief op te treden en de mogelijke schadelijke effecten zelf reeds te beoordelen op het niveau van de planning en, indien nodig, het plan te weigeren of voorwaarden op te leggen (bijv. infiltratiesystemen of gering verhard oppervlak (memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23)), teneinde die schadelijke effecten te voorkomen. De noodzaak om preventief op te treden wordt bovendien bevestigd in het bestreden besluit zelf, aangezien de (tweede) verwerende partij stelt dat 'uit de ingediende bezwaarschriften gebleken is dat het gebied gevoelig is voor wateroverlast'"; X-11.913-5/14 2.1. Overwegende dat artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid luidt als volgt: "§ 1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaar- den op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren"; Overwegende dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het decreet van 18 juli 2003 over artikel 8 het volgende wordt gesteld: "Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een 'watertoets' onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze 'watertoets' kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma's of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de 'watertoets' ook als een belangrijk preventief instrument" (memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23); 2.2. Overwegende dat de eerste verweerster in haar laatste memorie aanvoert dat de zogenaamde "watertoets", bij gebreke van een uitvoeringsbesluit, nog niet in de stedenbouw en de ruimtelijke ordening is geïmplementeerd, en dat de X-11.913-6/14 minister dan ook niet over een specifiek regelgevend kader beschikte waaraan hij het goedkeuren van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kon toetsen; Overwegende dat artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet weliswaar aan de Vlaamse regering opdraagt om een instantie aan te wijzen met een adviserende bevoegdheid; dat het feit dat die instantie nog niet is aangewezen, geen invloed heeft op de regelmatigheid van de te dezen gevolgde procedure, nu deze instantie slechts bevoegd is met betrekking tot vergunningsaanvragen, niet met betrekking tot plannen of programma’s; Overwegende voorts dat artikel 8, § 5, van het decreet weliswaar voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om algemene richtlijnen uit te vaardigen en nadere regels vast te stellen, zowel in verband met de criteria om vast te stellen dat handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken als in verband met het bepalen van de gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren; dat de Vlaamse regering echter niet verplicht wordt om terzake enig uitvoeringsbesluit te nemen; dat, ook bij gebreke van een uitvoeringsbesluit, de betrokken overheden verplicht zijn om in de in artikel 8, § 1, bedoelde gevallen de watertoets uit te voeren; Overwegende dat het decreet van 18 juli 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2003; dat het derhalve, bij gebreke van een specifieke regeling inzake de inwerkingtreding, overeenkomstig artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op 24 november 2003 in werking is getreden; dat de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening vanaf die datum geen plan meer kon goedkeuren zonder zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van het decreet was voldaan; 2.3. Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat een ruimtelijk uitvoeringsplan niet kan worden beschouwd als een “plan” of een "programma", in de zin van artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003; X-11.913-7/14 Overwegende dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het decreet het volgende is opgemerkt: "In aansluiting met het advies van de SERV over het voorontwerp van decreet integraal waterbeleid (...) wordt de watertoets ook toepasselijk gemaakt op plannen en programma’s. Het is inderdaad logisch dat niet enkel op niveau van de vergunningverlening, maar reeds vroeger, tijdens het voortraject van het initiatief of de activiteit, op niveau van de planvorming en programma’s rekening wordt gehouden met mogelijke schadelijke effecten van de voorgenomen initiatieven of activiteiten op het watersysteem. Voor wat betreft de begrippen 'plannen' en 'programma’s' kan worden verwezen naar wat daaronder wordt verstaan in artikel 4.1.1, §1, 4/, DABM" (memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23); Overwegende dat artikel 4.1.1, §1, 4/, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) het begrip "plan of programma" definieert als "een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voorzover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest"; dat aangezien ruimtelijke uitvoeringsplannen aankondigen op welke wijze de overheid haar vergunningenbeleid zal voeren, die plannen onder voormelde definitie vallen; dat artikel 4.1.1 van het decreet van 5 april 1995 overigens een uitdrukkelij- ke, zij het onrechtstreekse, bevestiging inhoudt van het feit dat ruimtelijke uitvoeringsplannen begrepen zijn in de in paragraaf 1, 4/, bedoelde plannen; dat artikel 4.1.1, § 1, 13/, als "initiatiefnemer" immers onder meer beschouwt: "
- a)voor wat de verplichtingen inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen betreft: de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig de artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening"; X-11.913-8/14 Overwegende dat de overheid die over een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beslist, dus gehouden is door de verplichting bedoeld in artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003; 2.4. Overwegende dat de tweede verweerder aanvoert dat, indien wordt besloten dat het ruimtelijk uitvoeringsplan aan de watertoets is onderworpen, de watertoets niet de verplichting kan inhouden om in het ruimtelijk uitvoeringsplan voorwaarden of maatregelen op te nemen, erop gericht het te verwachten schadelijk effect op het watersysteem te verhelpen; dat de overheid dan immers op grond van de watertoets zaken zou moeten regelen die niet ruimtelijk bepalend zijn; dat de voorwaarden en aanpassingen waartoe de toepassing van het decreet integraal waterbeleid aanleiding zou geven, in elk geval de perken van artikel 38, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening niet te buiten kunnen gaan; dat de eigenheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan verhindert dat daarin voorschriften worden opgenomen m.b.t. de watertoets; Overwegende dat artikel 38, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 de elementen opsomt die in een ruimtelijk uitvoeringsplan moeten voorkomen; Overwegende dat die bepaling mede in het licht van artikel 6, 10/, van het decreet van 18 juli 2003 gelezen moet worden, waarin het volgende bepaald wordt: "Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid houden het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut rekening met de volgende beginselen: (...) 10/ het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening;" X-11.913-9/14 Overwegende dat, gelet op die laatste bepaling, de tweede verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de watertoets tot gevolg zou hebben dat in het ruimtelijk uitvoeringsplan zaken zouden worden geregeld die niet ruimtelijk bepalend zijn; 2.5. Overwegende, wat de uitvoering van de watertoets betreft, dat uit artikel 8, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 juli 2003 volgt dat een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan slechts kan worden goedgekeurd als gebleken is dat het geen aanleiding geeft tot een schadelijk effect, dan wel, indien een dergelijk effect wel kan ontstaan, dat het zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of, in gevallen die te dezen niet relevant zijn, gecompenseerd; 2.5.1. Overwegende dat artikel 3, § 2, 17/, van het decreet van 18 juli 2003, het begrip "schadelijk effect" definieert als volgt: "ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstro- mingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen"; Overwegende dat uit het bestreden besluit van de gemeenteraad van 21 oktober 2003 blijkt dat de gemeenteraad erkent dat er periodieke waterover- last is ter hoogte van de dwarsing van de beek met Egelare; dat hij trouwens oplossingen in het vooruitzicht stelt; Overwegende dat ook in het bestreden ministerieel besluit van 5 maart 2004 wordt vastgesteld "dat uit de ingediende bezwaarschriften gebleken is dat het gebied gevoelig is voor wateroverlast"; Overwegende dat uit een en ander kan worden afgeleid dat, zoals door de verzoekers wordt aangevoerd, het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schadelijke effecten kan doen ontstaan; X-11.913-10/14 2.5.2. Overwegende dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening in haar advies van 30 juli 2003 omtrent de "waterbeheersproblematiek" heeft gesteld wat volgt : "Waterbeheersproblematiek: gelet op de laaggelegen situering van dit woonuitbreidingsgebied is een watertoets noodzakelijk - deze watertoets dient de voorafgaandelijke technische sluitende maatregelen neer te schrijven voor de specifieke afwatering van dit gebied en het GRUP zal zich dienen aan te passen aan de resultaten van deze watertoets en de voorgeschreven maatrege- len"; Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit in verband met de problematiek van de wateroverlast zich ertoe beperkt te overwegen "dat het gemeentebestuur zich engageert deze problematiek op te lossen bij de verdere invulling van het gebied"; dat dit besluit aldus niet zelf voorziet in de maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de wateroverlast vermeden of zoveel mogelijk beperkt wordt; Overwegende dat het bestreden besluit van de gemeenteraad van 21 oktober 2003 evenmin voorziet in dergelijke maatregelen; dat het immers, als antwoord op de ingediende bezwaren en op het advies van de GECORO overweegt, met betrekking tot de "nood aan een 'waterbeheersplan' teneinde waterellende te voorkomen": "Het gemeentebestuur is op de hoogte van het bestaan van een periodieke wateroverlast ter hoogte van de dwarsing van de beek met Egelare. In overleg met Aquafin wordt er door het studiebureau een oplossing uitgewerkt. Binnenkort zullen de nodige voorzieningen worden getroffen o.a. inzake de aanleg van een aangepaste gracht met duiker. Het hellend karakter van het terrein (een niveauverschil van + 3,5
- m)is ruimschoots voldoende voor een vlotte oppervlaktewaterafvoer van het grootste deel van het gebied. Bij het uitwerken van de verkavelings- en bouwdossiers zal men hieraan vooral aandacht dienen te besteden. In elk geval zullen er eventueel a.d.h.v. een watertoets technisch sluitende maatregelen dienen te worden voorgelegd voor de afwatering van dit gebied"; X-11.913-11/14 Overwegende dat een engagement van de gemeente om in overleg met Aquafin een oplossing voor het betrokken gebied uit te werken en om aan de problematiek van de wateroverlast aandacht te besteden bij het onderzoek van individuele verkavelings- en bouwdossiers niet volstaat om te voldoen aan de bij artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 opgelegde verplichting om "door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan" er zorg voor te dragen "dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt"; dat het bestreden ministerieel besluit genomen is met schending van de genoemde bepaling; dat het middel in zoverre gegrond is; 2.6. Overwegende dat het bestreden besluit van de gemeenteraad is aangenomen op een ogenblik dat er nog geen verplichting bestond om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan een watertoets te onderwerpen; dat dit besluit dan ook niet genomen is met schending van de in het middel ingeroepen bepaling; dat het middel in zoverre ongegrond is; Overwegende dat het aan de eerste verweerster staat om zich te beraden over de vraag of haar gemeenteraad een nieuw plan dient aan te nemen; dat een nieuw plan uiteraard zal moeten voldoen aan de vereisten die thans in verband met de watertoets gelden; BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 5 maart 2004 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" van de gemeente Nevele. X-11.913-12/14 Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De bij arrest nr. 139.432 van 18 januari 2005 bevolen schorsing van het besluit van 21 oktober 2003 van de gemeenteraad van de gemeente Nevele houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" van de gemeente Nevele, wordt opgeheven. Artikel 4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 5. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij. X-11.913-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.913-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.401 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.432 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div