← België

Arrest 159420 - - 31/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.420 Rolnummer: A. 173157/X-12833 Zaak: Arrest 159420 - - 31/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 20:36 Fiche Arrest nr 159.420 van 31 mei 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.420 van 31 mei 2006 in de zaak A. 173.157/X-12.

  1. In zake : Guido SLOOTMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat C. HERMANS, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelsbergstraat 4 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
  2. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido SLOOTMANS op 19 mei 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 8 mei 2006 van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het besluit van 20 februari 2006 wordt ingetrokken en waarbij zijn beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Toerisme Vlaanderen" tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven "Salamander", gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal gekend onder 1ste afdeling, sectie E, nr. 931 r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; X-12.833-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. DEDECKER die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat Th. EYSKENS die loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoeker een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven exploiteert, genaamd "Salamander", gelegen te Maasmechelen, Jos Smeetslaan 280, kadastraal gekend onder 1ste afdeling, sectie E, nr. 931 r20; dat hem en zijn vader daarvoor op 31 augustus 2000 een vergunning is verleend om dat terrein te exploiteren als kampeerverblijfpark voor het plaatsen van 130 openluchtrecreatieve verblijven; dat de aanvraag meer bepaald betrekking had op 112 stacaravans en 18 toeristische kampeerplaatsen; dat er op het ogenblik van de toekenning van de vergunning voor het merendeel van de caravans aanbouwsels waren in PVC; dat Toerisme Vlaanderen enige jaren later, met name naar aanleiding van een algemene inspectie in 2002 van alle vergunde openluchtrecreatieve verblijven, het standpunt heeft ingenomen dat voor die aanbouwsels een stedenbouwkundige vergunning vereist is; dat aan de verzoeker werd medegedeeld dat die aanbouwsels verwijderd moesten worden, tenzij daarvoor alsnog een stedenbouwkundige vergunning verkregen kon worden; dat er tussen 2002 en 2005 herhaalde contacten zijn geweest tussen Toerisme Vlaanderen en de verzoeker, waarbij Toerisme Vlaanderen bij haar standpunt bleef en de verzoeker zich bereid verklaarde om bij de stedenbouwkundige overheid een regularisatievergunning aan te vragen; dat, na een aanmaning aan de verzoeker om de regularisatiebewijzen tegen 31 mei 2005 aan Toerisme Vlaanderen te bezorgen, het hoofd van Toerisme Vlaanderen bij besluit van 27 oktober 2005 de exploitatievergunning van 31 augustus 2000 heeft ingetrokken; dat de verzoeker tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd inzake toerisme; dat de verzoeker op 2 februari 2006 is gehoord door de daarvoor bevoegde beroepscommissie; dat de beroepscommissie bij een advies van dezelfde dag heeft geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren; dat de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme bij besluit van 20 februari 2006 het beroep ongegrond heeft verklaard; dat, op vordering van de verzoeker, de Raad van State bij arrest nr. 156.542 van 17 maart 2006 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit laatste besluit heeft bevolen; dat de minister bij X-12.833-2/10 besluit van 8 mei 2006, enerzijds, zijn besluit van 20 februari 2006 heeft ingetrokken, en anderzijds, opnieuw uitspraak doend over het beroep van de verzoeker tegen het besluit van het hoofd van Toerisme Vlaanderen van 27 oktober 2005, dit beroep andermaal ongegrond heeft verklaard; dat dit besluit van 8 mei 2006 het voorwerp vormt van de voorliggende schorsing;
  4. Overwegende dat de verweerder een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van een rechtmatig belang; dat hij aanvoert dat de verzoeker beoogt om een kampeerverblijfpark uit te baten dat niet beantwoordt aan de exploitatievergunning van 31 augustus 2000, namelijk een park waarvan nagenoeg de helft van de verblijfplaatsen zijn opgericht in strijd met de stedenbouwwetgeving en waarvoor geen exploitatievergunning voorhanden is; Overwegende dat de verzoeker met de voorliggende vordering de schorsing van de tenuitvoerlegging beoogt van het besluit van de Vlaamse minister bevoegd inzake toerisme waarbij zijn beroep tegen het besluit van het hoofd van Toerisme Vlaanderen tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven "Salamander" ongegrond wordt verklaard; dat de verzoeker aldus een persoonlijk en rechtstreeks belang bij zijn vordering heeft; dat het eventuele gebruik van verblijven op het betrokken terrein in strijd met de vergunning dat belang niet onwettig maakt; dat trouwens de vraag of het terrein wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunning deel uitmaakt van de vragen die in voorkomend geval bij het onderzoek van de ernst van de middelen aan bod komen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  6. Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, dat de verzoeker aanvoert dat hij niet kan wachten op het resultaat van een gewone schorsingsprocedure, dat hij immers kan vrezen dat zijn trouwe huurders in dat geval reeds zouden zijn uitgeweken naar een ander terrein voor openluchtrecreatieve X-12.833-3/10 verblijven en dat de kans dat zij nog zouden terugkeren naar zijn terrein zeer klein is; dat de verzoeker voorts aanvoert dat hij niet getalmd heeft met het instellen van de voorliggende vordering; Overwegende dat het bestreden besluit tot intrekking van de exploitatievergunning onmiddellijke uitwerking heeft; dat het verder exploiteren van het terrein, zonder vergunning, op grond van artikel 8 van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven strafbaar is; dat in de gegeven omstandigheden het betoog van de verzoeker dat, indien hij moet wachten op het resultaat van een gewone schorsingsprocedure, zijn huurders reeds zullen zijn uitgeweken naar een ander terrein voor openluchtrecreatieve verblijven en dat de kans dat zij nog zullen terugkeren zeer klein is, aannemelijk is; dat de uiteenzetting van de verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering afdoende verantwoordt; Overwegende dat het bestreden besluit aan de verzoeker ter kennis is gebracht met een op 8 mei 2006 ter post aangetekend verzonden brief; dat de verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing verklaart dat deze brief op 10 mei 2006 door de postbode is aangeboden; dat de vordering tot schorsing is ingesteld op 19 mei 2006; dat aldus blijkt dat de vordering tot schorsing met de voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed is ingesteld;
  7. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieel motiveringsbeginsel; dat hij aanvoert dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vergunning wordt ingetrokken omdat niet voldaan zou zijn aan de sanitaire norm en de norm inzake de vaste constructie, dat de verweerder blijkbaar van oordeel is dat de vergunning kan worden ingetrokken op grond van artikel 7, 1/, van het decreet van 3 maart 1993, d.i. op grond dat de voorwaarden bepaald in artikel 6 van het decreet niet worden nageleefd, dat artikel 6 van het decreet verwijst naar de voorwaarden vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de bepalingen van artikel 3, 4/ en 11/, van dat besluit niet worden nageleefd; dat de verzoeker, wat betreft artikel 3, 4/, van dat besluit, aanvoert dat die bepaling onder meer voorschrijft, enerzijds, X-12.833-4/10 dat elk terrein beschikt over een gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen en elk perceel dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven als bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet van 3 maart 1993 aangesloten worden, en anderzijds, dat de andere openluchtrecreatieve verblijven hun afvalwater dienen op te vangen en te lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet, dat aan de verzoeker blijkbaar wordt verweten dat de percelen rechtstreeks zijn aangesloten op het rioleringsnet en dat er geen gebruik wordt gemaakt van speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het rioleringsnet, dat artikel 3, 4/, van het besluit van 23 februari 1995 echter niet verbiedt dat de "andere" openluchtrecreatieve verblijven dan die bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, of m.a.w. de openluchtrecreatieve verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het decreet, op het perceel zelf zijn aangesloten op het rioleringsnet, dat in een dergelijk geval immers a fortiori is voldaan aan de voorwaarde dat het afvalwater wordt opgevangen en geloosd in een speciaal daarvoor bestemd lozingspunt, dat derhalve ten onrechte door de verweerder wordt gesteld dat de afwezigheid van een rechtstreekse aansluiting van het privaat sanitair op de kampeerplaats een positieve exploitatievoorwaarde uitmaakt; dat de verzoeker, wat betreft artikel 3, 11 /, van het besluit van 23 februari 1995, aanvoert dat die bepaling onder meer voorschrijft dat op de kampeerplaatsen die een minimumoppervlakte hebben van 80 m2 de bouw wordt toegestaan van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m2, dat de verzoeker een vergunning heeft voor 130 kampeerplaatsen, met name 18 toeristische kampeer- plaatsen en 112 gewone kampeerplaatsen, dat de verweerder van oordeel is dat artikel 3, 11/, van het besluit van 23 februari 1995 geschonden is doordat het 55-tal verblijven (waarvoor er een aanbouwsel is) de oppervlaktegrens van 5 m2 overschrijden, dat die opvatting in het bestreden besluit als volgt wordt gemotiveerd: "dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 3/, van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m2 overschrijden; dat dit ook niet betwist wordt, minstens in alle redelijkheid niet voor betwisting in aanmerking kan komen", dat door de beslissing op die wijze te motiveren, de materiële en de formele motiveringsplicht worden geschonden, dat het overschrijden van de oppervlaktegrens blijkbaar een evidentie is voor de verweerder, maar hij dienaangaande geen enkele concrete vaststelling van de aanbouwsels heeft gedaan, minstens zulke vaststelling niet blijkt uit de bestreden beslissing, dat het voorts voor zich spreekt dat er nooit enige betwisting is geweest over de oppervlaktegrens, nu het al dan niet respecteren van deze oppervlaktegrens in het verleden nooit ter discussie is geweest en het pas in deze fase is dat dit argument wordt aangevoerd; X-12.833-5/10 Overwegende dat artikel 2, § 1, van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven bepaalt dat onder "openluchtrecreatief verblijf" moet worden verstaan: "1/ tent, caravan, mobilhome, kampeerauto, woonauto of iedere andere verblijfsvorm die niet ontworpen is om als vaste woonplaats te dienen of niet als dusdanig wordt gebruikt en waarvoor geen vergunning vereist is overeenkomstig artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; 2/ chalet, bungalow, huisje, paviljoen of iedere andere verblijfsvorm die niet ontworpen is om als vaste woonplaats te dienen of niet als dusdanig wordt gebruikt en waarvoor een vergunning vereist is overeenkomstig artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw"; Overwegende dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de exploitatievergunning van 31 augustus 2000 wordt ingetrokken met toepassing van artikel 7, 1/, van het decreet van 3 maart 1993, met name op grond dat de in artikel 6 van het decreet bedoelde voorwaarden niet meer worden nageleefd; Overwegende dat het bestreden besluit meer in het bijzonder de volgende motivering bevat: "Overwegende dat de exploitatievergunning d.d. 31 augustus 2000 betrekking heeft op verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het Kampeerdecreet, terwijl onbetwist is dat ongeveer de helft van de op het terrein aanwezige verblijfsvormen behoren tot de categorie van verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat dit feitelijk gegeven blijkt uit de onbetwiste vaststelling dat ongeveer de helft van de verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtige verblijfsvormen zijn, en dus behoren tot de categorie van de verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat gelet op het gegeven dat nagenoeg de helft van de verblijven openluchtrecreatieve verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet zijn, de bedoelde exploitatie niet in overeenstemming is met de exploitatievoorwaarden bepaald in artikel 3 van het besluit d.d. 23 februari 1995, als zijnde een uitvoeringsbepaling van artikel 6, 1/, van het Kampeerdecreet; Overwegende dat een perceel dat gebruikt wordt voor het plaatsen van openluchtrecreatieve verblijven zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet aangesloten moet worden op het gesloten intern rioleringsnet waarop de gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen van het terrein zijn aangesloten; dat andere openluchtrecreatieve verblijven zoals kampeerplaatsen X-12.833-6/10 hun afvalwater dienen op te vangen en te lozen in een speciaal daarvoor bestemd lozingspunt (artikel 3, 4/, van het besluit d.d. 23 februari 1995); dat te dezen blijkt dat de openluchtrecreatieve verblijven inderdaad zijn aangesloten op het gesloten intern rioleringsnet, terwijl zo’n rechtstreekse aansluiting haaks staat op de normale uitrusting van een kampeerplaats; dat een kampeerplaats precies wordt gekenmerkt door de afwezigheid van zo’n voorziening; dat de afwezigheid van zo’n voorziening op een kamperplaats een positieve exploitatievoorwaarde uitmaakt, zodat de kampeerplaats kan worden gebruikt voor een verblijf waar rudimentaire en natuurgebonden omstandigheden kenmerkend zijn; dat de aansluiting op de sanitaire voorzieningen deze rudimentaire en natuurgebonden exploitatievoorwaarde onmogelijk maakt; Overwegende dat op een kampeerplaats die een minimumoppervlakte van 80 m2 heeft, de bouw wordt toegestaan van één vaste constructie met een maximale oppervlakte van 5 m2, voor zover de maximale bezetting van de kampeerplaats niet overschreden wordt en voor zover rekening wordt gehouden met de brandveiligheidsnormen; dat de maximale bezetting op een kampeerplaats beperkt is tot 40 % van de oppervlakte van de kampeerplaats en in ieder geval maximum 48 m2 mag bedragen; dat het vijfenvijftigtal verblijven in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het Kampeerdecreet uiteraard de oppervlaktegrens van 5 m2 overschrijden; dat dit ook niet betwist wordt, minstens in alle redelijkheid niet voor betwisting in aanmerking kan komen; Overwegende dat de naleving van de beide voorwaarden, zoals bepaald in de sanitaire norm en inzake de vaste constructie, essentieel is opdat het terrein beantwoordt aan het vereiste van kampeerplaatsen als bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het Kampeerdecreet, artikel 1, 7/ en 12/, van het Kampeerbesluit (sic); dat dit des te meer geldt nu blijkt dat zo’n 55 van de 130 vergunde plaatsen niet aan deze voorwaarden beantwoorden; dat het aandeel van 55 op 130 wezenlijk van aard is en in redelijkheid toelaat te besluiten dat essentiële vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd; dat de vergunning d.d. 31 augustus 2000 derhalve wordt ingetrokken; Overwegende dat ten overvloede rekening wordt gehouden met het gegeven dat de aanvrager zich anno 2000 verantwoordelijk heeft verklaard voor de bewuste problematiek, ook al stond toen niet vast of er daadwerkelijk een probleem aan de orde was; dat eens ROHM Limburg op 18 december 2003 het probleem heeft scherpgesteld, het bestuur de vergunning niet onmiddellijk heeft ingetrokken, doch de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven om zich in de regel te stellen; dat de aanvrager de mogelijkheid niet op een nuttige wijze heeft aangewend"; Overwegende dat het bestreden besluit uit de vaststelling dat de exploitatievergunning betrekking heeft op verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 1/, van het decreet van 3 maart 1993, terwijl ongeveer de helft van de op het terrein aanwezige verblijfsvormen behoren tot de categorie van verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, op zich geen miskenning van de exploitatievoorwaarden afleidt; dat het bestreden besluit uit de vaststelling dat nagenoeg de helft van de verblijven behoren tot de categorie van verblijven bedoeld X-12.833-7/10 in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet wel afleidt dat de exploitatie niet in overeenstemming is met de voorwaarden bepaald in artikel 6, meer bepaald 4/ en 11/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995; Overwegende, wat betreft de grief gericht tegen het motief gesteund op artikel 3, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995, dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat die bepaling zo gelezen moet worden dat andere openluchtrecreatieve verblijven dan die bedoeld in artikel 3, § 1, 2/, van het decreet, niet aangesloten mogen zijn op het interne rioleringsnet; dat die lezing evenwel niet lijkt te stroken met de geest en de economie van het genoemde artikel 3, 4/; dat dit artikel immers sanitaire minimumnormen lijkt op te leggen waaraan elk terrein voor openluchtrecreatieve verblijven moet beantwoorden; dat, zo andere verblijven dan die bedoeld in artikel 3, § 1, 2/, van het decreet moeten beantwoorden aan de voorwaarde dat ze hun afvalwater opvangen en lozen in speciaal daarvoor bestemde lozingspunten die aangesloten zijn op het interne rioleringsnet, artikel 3, 4/, op het eerste gezicht niet lijkt uit te sluiten dat daaraan beantwoord kan worden door te voldoen aan de strengere norm die geldt voor de verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het decreet, d.w.z. door de betrokken percelen rechtstreeks aan te sluiten op het interne rioleringsnet; dat, door te overwegen dat de afwezigheid van rechtstreekse aansluiting een positieve voorwaarde uitmaakt van een kampeerplaats, waarvan de niet-naleving aanleiding kan geven tot de intrekking van de exploitatievergunning, het bestreden besluit een voorwaarde lijkt toe te voegen aan die welke zijn bedoeld in artikel 7 van het decreet; Overwegende, wat betreft de grief gericht tegen het motief gesteund op artikel 3, 11/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995, dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat de daarin bedoelde oppervlaktenorm geldt voor de openluchtrecreatieve verblijven die stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn; dat het in de genoemde bepaling bedoelde maximum van 5 m2 evenwel geldt voor de ene "vaste constructie" die op een kampeerplaats mag worden gebouwd; dat in het bestreden besluit niet wordt vastgesteld dat er een zodanige constructie is, die niet aan de norm voldoet; dat, in zoverre zou moeten worden aangenomen dat de genoemde oppervlaktenorm ook kan worden toegepast op aanhangsels van stacaravans, het bedoelde maximum in elk geval enkel geldt voor kampeerplaatsen; dat artikel 1, 11/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 een kampeerplaats omschrijft als een gedeelte van een kampeerterrein of kampeerverblijfpark; dat het bestreden besluit X-12.833-8/10 niet vaststelt dat de 55 stacaravans met aanhangsel zouden staan op een deel van het terrein dat als een kampeerplaats kan worden omschreven; dat het besluit op dit punt dan ook niet op voldoende concrete gegevens steunt; Overwegende dat het middel ernstig is;
  8. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoeker een dubbel nadeel inroept; dat hij in de eerste plaats aanvoert dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een zeer groot financieel nadeel zal berokkenen, dat hij zijn winstberekening voor het aanslagjaar 2005 (inkomsten 2004) voorlegt, dat hij uit de voorgelegde gegevens afleidt dat zijn inkomsten bijna volledig voortvloeien uit de exploitatie van het openluchtrecreatief verblijf, dat hij die inkomsten volledig zal verliezen, terwijl hij ondertussen, in afwachting van de uitspraak ten gronde, wel nog allerlei engagementen dient na te leven en het terrein verder moet onderhouden; dat de verzoeker voorts wijst op het morele nadeel ten gevolge van de aantasting van zijn reputatie, zijn eer en zijn goede naam; dat de verzoeker het aldus omschreven nadeel moeilijk te herstellen acht, dat een groot deel van de huurders die een perceel voor een langere tijd huren immers genoodzaakt zullen zijn om uit te wijken naar een ander terrein, en het bijna uitgesloten is dat zij nadien nog zouden terugkeren, dat de beslissing tot intrekking bovendien bekendgemaakt wordt in een brochure van Toerisme Vlaanderen; Overwegende dat de intrekking van de exploitatievergunning tot gevolg heeft dat de beroepsbedrijvigheid van de verzoeker die hem het grootste deel van zijn inkomsten oplevert, moet worden stopgezet; dat dit gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden een nadeel vormt dat als ernstig moet worden beschouwd; dat de verzoeker voorts aannemelijk maakt dat, als zijn huurders met een overeenkomst voor een stilzwijgend verlengbare termijn het terrein moeten verlaten, de kans klein is dat zij nog zullen terugkeren; dat het nadeel ten gevolge van de stopzetting van de exploitatie in die omstandigheden minstens voor een belangrijk deel ook als moeilijk te herstellen moet worden beschouwd;
  9. Overwegende dat is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen; X-12.833-9/10 BESLUIT: Artikel
  10. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 8 mei 2006 van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het besluit van 20 februari 2006 wordt ingetrokken en waarbij het beroep van Guido SLOOTMANS tegen het besluit van 27 oktober 2005 van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Toerisme Vlaanderen" tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven "Salamander", gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal gekend onder 1ste afdeling, sectie E, nr. 931 r20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.833-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.