id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.445 Rolnummer: A. 66841/XII-2825 Zaak: Arrest 159445 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 20:37 Fiche Arrest nr 159.445 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.445 van 1 juni 2006 in de zaak A. 66.841/XII-
- In zake :
- Filip DEWINTER,
- Gerolf ANNEMANS,
- Wim VERREYCKEN,
- Koenraad DILLEN, die woonplaats kiezen bij advocaat P. De Roo, kantoor houdende te Berchem-Antwerpen, Herculusstraat 2, bus 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip Dewinter, Gerolf Annemans, Wim Verreycken en Koenraad Dillen op 14 december 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een beslissing van de Belgische Staat, vertegen- woordigd door de Federale Regering in de persoon van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Heer Van de Lanotte, beslissing houdende goedkeuring van een lijst van extremistische en subversieve verenigingen, genomen op 16 oktober 1995 en bekend gemaakt op 18 oktober 1995”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 21 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2825-1/7 Gelet op de beschikking van 31 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Roo, die verschijnt voor verzoekers, en van adviseur E. Van Rossem, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Situering van de bestreden beslissing
- Overwegende dat sinds 1981 de rijkswacht, op grond van precieze instructies van de minister van Binnenlandse Zaken, aan informatieverzameling inzake bestuurlijke politie doet, met betrekking tot inzonderheid de groeperingen waarvan de activiteiten een reële weerslag kunnen hebben op de openbare rust, veiligheid of gezondheid; dat de minister van Binnenlandse Zaken op een parlementaire vraag van 11 juni 1991 van de eerste verzoeker antwoordt, in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, dat de subversieve en extremistische groeperingen een bijzondere aandacht van de rijkswacht vragen, dat zij op een limitatieve lijst worden vermeld, dat periodiek wordt nagegaan of bepaalde groepen dienen te worden ingeschreven op of afgevoerd van de lijst, dat momenteel dit onderzoek om de zes maanden gebeurt, maar dat niets belet dat deze frequentie verandert; dat op 22 maart 1993 de minister van Binnenlandse Zaken in de kamercommissie voor de Binnenland- se Zaken verklaart, op een interpellatie van de eerste verzoeker : “Om de zes maanden worden de wijzigingen aan mijn goedkeuring onderworpen. Op die manier kan men bepaalde organisaties aan de lijst toevoegen of ervan schrappen. Ik herhaal dat ik in mijn ambtsperiode als minister van Binnenlandse Zaken nooit een beslissing heb moeten nemen over het Vlaams Blok. Ik laat in het midden of het Vlaams Blok op de lijst staat of niet”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat op 7 april 1993 een ontwerp-lijst van bijzonder te volgen groeperingen XII-2825-2/7 aan de minister van Binnenlandse Zaken is voorgelegd en dat de lijst op 28 juni 1993 is goedgekeurd; dat, nog steeds volgens de memorie van antwoord, ook op 1 september 1995 een voorstel van lijst aan de minister is voorgelegd; dat verzoekers uit de krant Het Belang van Limburg van 18 oktober 1995 opmaken dat de minister van Binnenlandse Zaken op 16 oktober 1995 een lijst van subversieve of extremistische bewegingen heeft goedgekeurd; dat op de lijst ook hun partij, het Vlaams Blok, zou voorkomen; Ontvankelijkheid ratione materiae
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het beroep tegen een “onbestaand voorwerp” is gericht, dat de minister van Binnenlandse Zaken op 16 oktober 1995 geen beslissing heeft genomen waarbij de partij van verzoekers op de lijst van bijzonder te volgen groeperingen is opgenomen, dat die lijst sinds 28 juni 1993 ongewijzigd bleef, dat het laatste voorstel van lijst op 1 september 1995 aan de minister is voorgelegd, maar dat er “tot op heden geen gevolg” aan gegeven is, dat uit het krantenbericht van 18 oktober 1995 hoogstens kan worden afgeleid dat in de eerste helft van de maand oktober een lijst werd voorgelegd aan de verwerende partij; dat verwerende partij besluit dat het beroep als onontvankelijk verworpen dient te worden bij gebrek aan voorwerp; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord reageren dat de memorie van antwoord onontvankelijk is aangezien zij “niet ondertekend is door de gedaagde partij in persoon noch door een op het tableau ingeschreven advokaat”; dat zij voorts vragen dat de neerlegging in het administratief dossier zou worden bevolen van “de betrokken ‘lijst’ en de ministeriële richtlijn op basis van dewelke deze wordt opgesteld”; dat, nog, zij betwisten dat het voorwerp van het annulatieberoep niet zou bestaan; dat zij het bestaan van de “meest recente beslissing tot goedkeuring van de lijst”, genomen op14 oktober 1995, hieruit afleiden dat de minister toegeeft om de zes maanden een beslissing te nemen over de goedkeuring van een lijst, dat hem op 1 september 1995 een nieuw voorstel van lijst werd voorgelegd en dat hij op geen enkele wijze de inhoud van de persberichten in de kranten De Morgen van 16 oktober 1995 en Het Belang van Limburg van 18 oktober 1995 heeft ontkend; Overwegende dat in de laatste memories verzoekers bijkomend doen gelden dat het volstrekt ongeloofwaardig is dat de ontwerp-lijst die op XII-2825-3/7 1 september 1995 aan de minister werd voorgelegd, in oktober 1995 nog steeds niet beoordeeld is, dat het administratief dossier manifest onvolledig is en dat het onderzoek naar het voorwerp van de vordering onmogelijk de beoordeling van de volledigheid van het administratief dossier mag voorafgaan;
- Overwegende dat het voor de beoordeling van de vraag of het beroep al dan niet tegen een bestaande rechtshandeling gericht is, niet ter zake doet of de memorie van antwoord regelmatig ondertekend is; dat een onbestaande rechtshandeling niet voor vernietiging vatbaar is en het beroep ertegen bijgevolg in principe onontvankelijk ratione materiae; dat de ontvankelijkheid ratione materiae van het annulatieberoep desnoods ambtshalve moet worden onderzocht;
- Overwegende dat het annulatieberoep de beslissing viseert waarmee de minister van Binnenlandse Zaken op 16 -volgens het verzoekschrift- of 14 -volgens de memorie van wederantwoord- oktober 1995 een lijst heeft goedge- keurd van subversieve en extremistische verenigingen, waarop het Vlaams Blok zou voorkomen; dat volgens de memorie van antwoord weliswaar op 1 september 1995 een ontwerp-lijst ter goedkeuring aan de minister is voorgelegd, maar hieraan “tot op heden [16 april 1996] geen gevolg gegeven” werd; dat niettemin, ook nog na de memorie van antwoord, verzoekers zich onwrikbaar en exclusief blijven richten tegen een goedkeuring die welbepaald in oktober 1995 is gegeven, niet eerder en niet later; Overwegende dat in deze omstandigheden de Raad van State zijn onderzoek naar het bestaan van het bestreden voorwerp er toe beperkt na te gaan of er al dan niet een in oktober 1995 genomen goedkeuringsbeslissing blijkt te bestaan;
- Overwegende, in zoverre verzoekers menen dat dit onderzoek moet worden voorafgegaan door een aanvulling van het administratief dossier, dat zij meer bepaald op de voorlegging van de volgende stukken aandringen: de ministeriële instructies uit 1981, de lijst die op 28 juni 1993 werd goedgekeurd en de ontwerp-lijst die op 1 september 1995 aan de minister is voorgelegd; dat, blijkens hun laatste memorie, die stukken wezenlijk moeten aantonen, ten eerste, dat de minister de waarheid sprak toen hij in het parlement verklaarde dat de lijst van subversieve organisaties zesmaandelijks ter goedkeuring wordt voorgelegd en, ten tweede, dat de ontwerp-lijst die hem op 1 september 1995 is voorgelegd, inderdaad in oktober 1995 werd goedgekeurd; XII-2825-4/7 Overwegende dat de toevoeging van bedoelde stukken aan het administratief dossier geen bijkomende klaarheid kan verschaffen over het al dan niet bestaan van een goedkeuringsbeslissing in oktober 1995; dat immers door de verwerende partij hoe dan ook niet betwist wordt dat de minister van Binnenlandse Zaken zich geregeld over een actualisering van de lijst uitspreekt en dat hem alleszins daartoe het laatst op 1 september 1995 een ontwerp-lijst is voorgelegd; dat, voorts, de vraag of de minister de ontwerp-lijst metterdaad in oktober 1995 heeft goedge- keurd, zich niet laat beantwoorden aan de hand van stukken van voordien;
- Overwegende dat ook al op 7 april 1993 een ontwerp-lijst aan de goedkeuring van de minister werd onderworpen; dat zij pas bijna drie maanden nadien, op 28 juni 1993, werd goedgekeurd; dat het dus niet a priori ongeloofwaardig is dat, zoals verwerende partij beweert, de ontwerp-lijst die op 1 september 1995 is voorgelegd, twee maanden later nog altijd niet werd goedgekeurd; dat, om niettemin te stellen dat de goedkeuring van de ontwerp-lijst reeds in oktober 1995 werd verleend, verzoekers in essentie steunen op krantenberichten van 16 en 18 oktober 1995; Overwegende dat een eerste artikel, in De Morgen van maandag 16 oktober 1995, er van gewaagt dat in de zaterdageditie van Le Soir een lijst verscheen, goedgekeurd door de minister van Binnenlandse Zaken, “van organizaties die in het oog mogen worden gehouden door de staatsveiligheid (die afhangt van Justitie) en de militaire veiligheid (die afhangt van Landsverdediging)”; dat verder in het artikel, evenwel, de auteur dan weer laat verstaan dat de staatsveiligheid niet deze lijst gebruikt, maar “nog een langere lijst” “die ter goedkeuring aan de minister van Justitie moet worden voorgelegd”; dat hoe dan ook niet wordt gespecificeerd dat de gepubliceerde lijst een nieuwe of een recent goedgekeurde lijst betreft; dat ten slotte evenmin een kopie van het bericht in Le Soir aan de Raad van State wordt overgelegd; Overwegende dat het tweede artikel, in Het Belang van Limburg van 18 oktober 1995, het er bij houdt dat de lijst van de rijkswacht om de zes maanden wordt herzien en dat “[n]aar verluidt” de minister van Binnenlandse Zaken “net vorige week een nieuwe lijst [kreeg] voorgeschoteld”; dat te dezen echter niet aan te tonen is dat de minister in oktober een nieuwe lijst gepresenteerd kreeg -verwerende partij zelf reveleerde in de memorie van antwoord dat zulks reeds op 1 september 1995 gebeurde-, maar dat hij dat ontwerp in oktober goedgekeurd heeft; XII-2825-5/7 Overwegende bijgevolg dat de berichten, noch afzonderlijk noch tezamen genomen, met een minimum aan overtuigingskracht kunnen staven dat de verwerende partij liegt wanneer zij op 16 april 1996 verklaart dat de lijst die op 1 september 1995 aan de ministeriële goedkeuring is onderworpen, deze goedkeuring nog steeds niet verkreeg; dat de omstandigheid dat de minister niet op de krantenberichten gereageerd heeft, niet tot een ander oordeel noopt;
- Overwegende, minstens ambtshalve, dat moet worden aangenomen dat de minister van Binnenlandse Zaken in oktober 1995 geen lijst heeft goedgekeurd van bijzonder te volgen, al dan niet subversieve of extremistische, groeperingen, waarop het Vlaams Blok voorkomt; dat die vaststelling de verwerping van het beroep dient mee te brengen als onontvankelijk bij gebrek aan voorwerp; dat, volledigheids- halve, die verwerping en de in de verwerpingsgrond gedane vaststelling dat de minister in oktober 1995 geen lijst met het Vlaams Blok heeft goedgekeurd, niet zonder gezag van gewijsde zijn; dat het, indien een dergelijke goedkeuring feitelijk dan toch mocht bestaan of bestaan hebben, met dit gezag van gewijsde onverenigbaar zou zijn om, alleszins in de verhoudingen tussen partijen, in rechte met dat feit en de gevolgen die er eventueel aan gehecht zijn, rekening te houden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 396,64 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een vierde. XII-2825-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2825-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.