id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.449 Rolnummer: A. 168634/VII-35107 Zaak: Arrest 159449 - - 01/06/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 20:39 Fiche Arrest nr 159.449 van 1 juni 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 159.449 van 1 juni 2006 in de zaak A. 168.634/VII-35.107. In zake : 1. Alexandre MAHIEUX, 2. Diane MAHIEUX, 3. Philippe VAN BOCKSTAL, 4. de v.z.w. VORMINGS- EN ONTMOETINGSCENTRUM- KASTEEL VAN VELM, die woonplaats kiezen bij advocaten W.MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : Olivier SCHUPPEN, die woonplaats kiest bij advocaten Fr. JANSSEN en J. ARNAUTS-SMEETS, kantoor houdende te HERSELT, Aarschotsesteenweg 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alexandre MAHIEUX, Diane MAHIEUX, Philippe VAN BOCKSTAL en de v.z.w. VORMINGS- EN ONTMOETINGSCENTRUM-KASTEEL VAN VELM op 15 december 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 oktober 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep dat zij hadden ingesteld tegen het besluit van 24 maart 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende het verlenen aan Olivier SCHUPPEN van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen door uitbreiding van een rundveebedrijf, gelegen aan de VII-35.107-1/10 Halleweg te Sint-Truiden (Velm), ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BEELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat N. DAELMAN die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Fr. JANSSEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Rechtspleging Overwegende dat Olivier SCHUPPEN, begunstigde van het bestreden besluit, met een verzoekschrift van 3 januari 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zijn verzoek kan worden ingewilligd; 2. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak in de huidige stand van het geding als volgt kunnen worden samengevat : VII-35.107-2/10 2.1. De tussenkomende partij exploiteert een rundveebedrijf aan de Halleweg te Sint-Truiden. 2.2. Op 5 november 2004 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot hernieuwing van de lopende vergunningen voor het houden van 263 runderen en voor de aanhorigheden van het veeteeltbedrijf en tevens tot uitbreiding van de bestaande inrichting met 149 bijkomende runderen. Het betreft een vroegtijdige hernieuwingsaanvraag die samenhangt met de overname door de tussenkomende partij van drie andere veeteeltinrichtingen. 2.3. Bij besluit van 24 maart 2005 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunningsaanvraag volledig in. 2.4. Op 3 mei 2005 stellen de verzoekende partijen beroep in tegen het voormeld besluit bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 2.5. Tijdens de beroepsprocedure worden onder meer de volgende adviezen uitgebracht : Het advies van 13 juli 2005 van de Vlaamse Landmaatschappij is gunstig. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen brengt op 20 juli 2005 eveneens gunstig advies uit; de aanvraag wordt in overeenstemming geacht met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften (agrarisch gebied). Op 20 juli 2005 verleent ook het bestuur Milieuvergunningen een gunstig advies. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 25 juli 2005 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en het beroepen besluit te bevestigen. VII-35.107-3/10 2.6. Met het bestreden besluit wordt het beroep van de verzoekende partijen ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg bevestigd; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.1.1. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen het volgende aanvoeren : "De voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen is i.c. aanwezig. Verzoekers betwisten niet dat de percelen waarvoor de milieuvergunning wordt verleend in agrarisch gebied zijn gelegen. Dit betekent echter nog niet dat de eigenaars van de aangrenzende percelen (i.c. verzoekende partijen,) iedere hinder voortvloeiende uit agrarische activiteiten moeten aanvaarden en dat die hinder geen aanleiding kan geven tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een milieuvergunning. Uiteindelijk zijn alle gewestplanbestemmingen t.o.v. mekaar even waardevol en bovendien heeft iedere eigenaar niet alleen het recht om zijn eigendom op een bepaalde wijze te gebruiken maar ook de plicht om dat te doen op een wijze die geen ernstige hinder veroorzaakt aan zijn nabuur. Als de grens van wat ernstige exploitatiehinder is, als het ware omhoog getrokken wordt door de ligging van de inrichting in agrarisch gebied, wordt zij bijgevolg ook terug naar beneden gehaald doordat de aangrenzende percelen, eigendom van verzoekers, in parkgebied zijn gelegen enerzijds en doordat zij bij besluit van de Gemeenschapsminister van Cultuur d.d. 20.06.1984 als monument en dorpsgezicht zijn beschermd anderzijds (stukken 16 en 17). Specifiek m.b.t. de geluidshinder kan bovendien nog worden opgemerkt dat het Vormingscentrum van het Kasteel van VELM conform art. 4.5.6.1. VLAREM II een stiltebehoevende instelling is. In dit door de Vlaamse Gemeenschap erkend opleidingscentrum worden immers tal van taalcursussen georganiseerd, zowel voor jongeren als voor volwassen (zie stukken 22, 23, 24, 25, 26 en 27). Deze kwalificatie als stiltebehoevende instelling brengt met zich dat ook de drempel van wat ernstige geluidshinder is, lager is. Verder is het zo dat bij de beoordeling van het ernstig karakter van de hinder rekening moet worden gehouden met de reeds bestaande toestand (en derhalve de reeds bestaande hinder). Daarmee wordt de voorwaarde dat het MTHEN moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet miskend. Voor het bevelen van de schorsing is alleen vereist dat de bijkomende hinder die de te verwachten VII-35.107-4/10 totale hinder ernstig maakt, voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In casu behelst de bestaande hinder waarmee verzoekers te kampen hebben niet alleen reeds de exploitatiehinder komende van de inrichting gelegen Halleweg z/n te 3806 Sint-Truiden, maar ook de exploitatiehinder komende van de inrichting gelegen Halleweg 30 te 3806 Sint-Truiden. Het eigendom van verzoekers (Halleweg 32) ligt immers ingesloten tussen deze 2 inrichtingen (zie stuk 21). Bovendien wordt ook deze inrichting geëxploiteerd door de consoorten SCHUPPENnMASI-MAILLET geëxploi- teerd (stuk 21.1.). Gelet op de ligging en de identiteit van de uitbaters zijn verzoekers dan ook van oordeel dat beide inrichtingen een milieu-technische eenheid uitmaken (cf. supra, vierde middel). Voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing was er voor de inrichting Halleweg 30 een vergunning voor het houden van 263 runderen. Verzoekers hebben per brief d.d. 22.11.2005 aan het CBS van de stad Sint-Truiden gevraagd om hen een afschrift te bezorgen van de vigerende milieuvergunning(
- en)voor de inrichting Halleweg z/n (stuk 3). Blijkens het M.B. van 16.07.2004 heeft de Bestendige Deputatie immers op 01.02.2001 een herlocalisatie van 165 runderen van het perceel 217/G (= Halleweg 30) naar het perceel 61/D (= Halleweg z/
- n)vergund (stuk 12, pag. 3, vierde laatste alinea). De vraag over welke milieuvergunning(
- en)de inrichting Halleweg 30 dan nog beschikt is dan ook zonder meer pertinent, aangezien op Halleweg 30 alleszins de facto nog tientallen runderen worden gehouden (zie stuk 21.3 : foto 11 t.e.m. foto 21). De stad Sint-Truiden heeft evenwel nagelaten om verzoekers de gevraagde informatie te verstrekken, zodat verzoekers genoodzaakt zullen worden de openbaarheid af te dwingen, desgevallend via administratief beroep. De termijn van 15 kalenderdagen waarin art. 20 §2 van het decreet van 26.03.2004 betreffende de openbaarheid van bestuur voorziet is immers verstreken. Het past daarbij te vermelden dat de consoorten SCHUPPEN één van de belangrijkste sponsors zijn van de politieke meerderheid in St-Truiden ... (wat uiteraard ook kan verklaren waarom er tot dusver geen gevolg werd verleend aan de klachten van de omwonenden). Feit is alleszins dat er al bovenmatige hinder en overlast was voorafgaandelijk aan de uitbreiding die de bestreden beslissing thans nog eens vergunt. Verzoekers leggen vooreerst een PV van vaststelling voor van een gerechts- deurwaarder met bijhorende foto’s. Uit die stukken blijkt dat verzoekers met een echte vliegenplaag te kampen hebben (stuk 19). Tien dagen niet opruimen en het gevolg is dat verscheidene vertrekken binnen het Kasteel bezaaid liggen met tientallen dode vliegen. Verzoekers leggen ook verscheidene verklaringen voor, uitgaande van leerkrachten en studenten (zowel studenten die op internaat zitten, als studenten die enkel tijdens de vakantieperiode op het kasteel verblijven). Vierde verzoek- ster is immers een erkend talencentrum. Uit die verklaringen blijkt telkens weer dat de betrokkenen veel last ondervonden van vliegen en dit zowel in de tuin als binnen, in het kasteel (zie stuk 22). Zo schrijft bijvoorbeeld student A. FELLNER : '(...)' Vertaling : 'Tijdens mijn verblijf op het kasteel van Velm van 1 september 2004 tot 24 juni 2005 als student op internaat ondervond ik regelmatig hinder van vliegen. Meestal tijdens het slapen of aan het zwembad of tijdens het studeren. De koeien maakten veel lawaai, niet alleen overdag maar ook 's nachts'. VII-35.107-5/10 En student Q. DESTECHE : 'Tijdens mijn verblijf op het internaat, als leerling in de jaren '01- '05, had ik U laten merken dat er echt veel vliegen waren. Ik kon niet eens goed studeren aangezien ik altijd gestoord werd; ofwel door de vliegen ofwel door het lawaai gemaakt door al die koeien. En ‘s nachts werken de boeren met hun traktor's en zo. Al dat onrust was een echt gewicht (
- om)te verdragen'. Er is niet veel verbeelding nodig om zich de beschreven vliegen-hinder te visualiseren. Bij het middagmaal komt het ongedierte plaats nemen op het voedsel. Bij het studeren komen de vliegen op je lichaam, op je boeken en op je bureau zitten. Tijdens de lessen cirkelen ze rond je hoofd en verstoren ze je concentratie. En als je je dan eens wil ontspannen, dan beschikt het kasteel weliswaar over een zwembad (zie stuk 21.3) maar dat kan de facto nauwelijks worden gebruikt want je wordt meteen aangevallen door allerlei 'plakkerige' vliegen. Reeds in het advies van de AMV kon m.b.t. deze vliegenplaag worden gelezen (stuk 9, pag. 5) : 'Aspect vliegen Naar aanleiding van een vorige uitbreiding van het aantal dieren van 165 stuks naar 263 stuks waren er klachten van omwonenden over vliegen (bezwaarschrift en beroep bij de minister). Volgens het MB over het beroepsschrift oordeelde de minister : - dat het bestaande bedrijf niet de oorzaak kon zijn van de vliegenplagen van de voorbije jaren, aangezien de vliegenplaag dateert van vóór betreffende inrichting in exploitatie was doch dat de uitbreiding wel een verslechtering van de situatie zou kunnen veroorzaken; - dat dit nauwgezet dient te worden opgevolgd door de gezondheidsinspec- tie; - dat in elk geval op onderhavig bedrijf nauwgezet moet worden toegezien op de hygiënische exploitatie; Gezien de uitspraak van de minister dateert van 16 juli 2004 menen wij dat momenteel nog niet kan geoordeeld worden of de uitbreiding inderdaad voor een overdreven bijkomende hinder heeft gezorgd. Gezien de vliegenplaag er reeds was voor de exploitatie van het bedrijf werd gestart, zal het weigeren van deze uitbreiding de vliegenplaag niet oplossen. Het feit dat in gelijkaardige dossiers zelden of nooit klachten zijn over vliegenplagen laat veronderstellen dat het probleem complexer is dan enkel de oorzaak hij het rundveebedrijf te leggen, zodat we over onvoldoende elementen beschikken om te stellen dat deze uitbreiding aanleiding zal geven tot een overdreven bijkomende vliegenplaag'. (...) Zoals ook uit deze passage duidelijk blijkt was er reeds een vliegenplaag op het ogenblik dat er slechts 263 dieren werden gehouden op de inrichting Halleweg z/n. Dat er een risico is op bijkomende overlast bij een uitbreiding tot 412 dieren kan bijgevolg niet ernstig worden betwist. Dat dit een geldig MTHEN uitmaakt evenmin. De vaststelling dat de vliegenplaag er al was voor de aanvang van de exploitatie op het adres Halleweg z/n impliceert immers niets anders dan dat de vliegenplaag destijds werd veroorzaakt door de exploitatie die door consoorten SCHUPPEN werd gehouden op het adres Halleweg 30! Noch de bestendige deputatie, noch de minister, noch de adviesverlenende instanties hebben zich rekenschap gegeven van het feit dat ter plaatse inderdaad 2 inrichtingen zijn gelegen. De overlast waarmee verzoekers reeds te kampen hadden voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing bleef bovendien niet beperkt tot de vliegenplaag. VII-35.107-6/10 Verscheidene leerkrachten en studenten beklagen zich in de verklaringen ook over geurhinder (stuk 22). Ze schrijven dat de stank (van de mesthoop) bij wijlen zo indringend is dat het onmogelijk is deuren of vensters te openen. Uiteraard is dat bijzonder hinderlijk. Zo schrijft lerares VERMEIR : 'Bij goed weer is het bijna onmogelijk de klas enigszins te laten verluchten omdat we anders nadien zware geurhinder hebben. Bovendien hebben we voor de rest van de dag te maken met vliegen in de klas'. En studente LIPAROTI : '(...)' Vertaling : 'Naar aanleiding van mijn verblijf op het Kasteel van Velm tijdens de schoolvakanties van Kerstmis, Carnaval, Pasen en augustus 2005, heb ik als leerling steeds meer last ondervonden van de vliegen en de stank afkomstig van de mesthoop. Het was zelfs niet mogelijk om de ramen van onze kamers open te laten. We hadden zelfs geen zin meer om nog naar het zwembad te gaan om dezelfde redenen'. Verder beklagen ook verschillende leerkrachten en studenten zich over lawaaihinder, zowel 's nachts als overdag. Het lawaai wordt voortgebracht door de machinerie en door de koeien (geloei, rammelende kettingen, ...). De studenten schrijven dat het lawaai stoort bij het studeren en bij het slapen (stuk 22). Zo schrijft studente A. VERDICT : '(...)' Vertaling : 'Tijdens het jaar 2004-2005 heb ik als leerling op het Kasteel van Velm tijdens het slapen regelmatig hinder ondervonden van storende geluiden afkomstig van koeien. Daarnaast heb ik tijdens mijn wandelingen in het park en aan het zwembad ook last ondervonden van de stank afkomstig van de mesthoop'. En studente A. BUIJSEN : 'Volgende keer moet je wel wat meer spuiten om die vervelende vliegen weg te jagen ... En heel vroeg wakker worden door die koeien, als ik wat langer mocht blijven slapen, was ook niet zo leuk'. En lerares M.J. BOSLOERS : 'In de zomer is het vaak onmogelijk om het raam te openen om 'goede, frisse lucht' binnen te laten. Een indringende koeiengeur komt binnen. De studenten klagen ook zeer vaak over vliegen en ander ongedierte in en rond het zwembad. Ze schrijven erover in hun evaluatie op het eind van de sessie. Ze klagen ook over het ochtendlawaai van de koeien. Ook in het kasteel zijn er veel vliegen, wat niet zo aangenaam is'. Met een uitbreiding van 263 naar 412 dieren zal ook die geur- en de lawaaihinder er niet draaglijker op worden, wel integendeel. Uiteraard tonen de geciteerde verklaringen niet alleen aan dat vierde verzoekster (het Talencentrum) met een vliegenplaag, geur- en lawaaihinder te kampen heeft. Als vanzelfsprekend tonen die verklaringen ook aan dat eerste, tweede en derde verzoekers, als eigenaars en permanente bewoners van het Kasteel, met de besproken overlast te kampen (...) hebben. Het staat dan ook vast dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing elk van de verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent"; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop onder meer antwoordt dat de beweerde nadelen louter hypothetisch zijn, omdat ze niet worden VII-35.107-7/10 aangetoond noch aannemelijk gemaakt, dat niet wordt aangetoond dat de beweerde vliegenplaag rechtstreeks toe te schrijven is aan het betrokken rundveebedrijf, dat het hoogstens kan gaan om hinder die normaal is voor een exploitatie die in agrarisch gebied plaatsvindt en dat de hinder alleszins slechts tijdelijk is aangezien het talencentrum enkel actief is tijdens de zomermaanden en andere schoolvakanties; 3.2.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij onder meer aanvoert dat het voorwerp van de bestreden milieuvergunning bestaat uit de uitbreiding van een reeds vergunde inrichting met 149 bijkomende dieren en dat die bijkomende dieren volledig ondergebracht worden in de bestaande stallen; dat zij uitvoerig ingaat op de beweerde hinder die van het rundveebedrijf zou uitgaan, namelijk geluids- en geurhinder en hinder door vliegen; dat zij de beweerde geluidshinder minimaliseert door er op te wijzen dat de taalcursussen die de vierde verzoekende partij organiseert slechts gedurende een drietal maanden per jaar plaatsvinden en dat precies tijdens die periode de meeste runderen niet in de nabijgelegen stallen gehouden worden maar op verder gelegen weiden; dat zij voorts doet gelden dat het geluid van koeien inherent is aan een agrarisch gebied en dat het bestreden besluit exploitatievoorwaarden oplegt om de omgevingshinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat zij met betrekking tot de beweerde geurhinder verwijst naar de beoordeling van die hinder in het bestreden besluit alsook naar een studie van een gespecialiseerd studiebureau waaruit zou blijken dat dergelijke hinder van rundveebedrijven "nauwelijks als problematisch" wordt ervaren; dat zij meent dat van enige geurhinder afkomstig van een mestopslag buiten het bedrijf in elk geval geen sprake kan zijn omdat dergelijke opslag niet aanwezig is en de stromest in de stallen zelf opgeslagen wordt; dat zij vervolgens stelt dat de geurhinder afkomstig van rundveebedrijven niet vergeleken kan worden met deze van varkens- en pluimveebedrijven, hetgeen ook zou blijken uit het feit dat enkel voor laatstgenoemde inrichtingen afstandsregels werden ingesteld; dat zij aanvoert dat de verklaringen van de studenten over geurhinder puur subjectief zijn; dat zij, met betrekking tot de vliegenplaag ten slotte, benadrukt dat op geen enkele manier wordt aangetoond dat de directe oorzaak van die overlast ligt bij de vergunde veeteeltinrichting en dat allerminst vaststaat dat die hinder zal toenemen door de uitbreiding van de betrokken inrichting; 3.2.2. Overwegende dat niet wordt betwist dat de vergunde veeteeltin- richting volgens het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, gelegen is in een agrarisch gebied; dat evenmin wordt betwist dat het kasteel van Velm, woonplaats van de eerste, tweede en derde VII-35.107-8/10 verzoekende partijen en plaats waar de maatschappelijke zetel van de vierde verzoekende partij gevestigd is, gelegen is in een parkgebied met "semi-agrarische" functie; Overwegende dat het bestreden besluit de tussenkomende partij voornamelijk toelaat in bedoeld agrarisch gebied een veeteeltinrichting die reeds vergund is voor 263 runderen, te hernieuwen en uit te breiden met 149 runderen ; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet aanvoeren dat de gewestplanbestemming agrarisch gebied van de kwestieuze percelen onwettig is, noch dat de kwestieuze inrichting een landbouwbedrijf is ; dat zij de normale hinder die veroorzaakt wordt door een landbouwbedrijf moeten tolereren, ook al zijn zij zelf niet gevestigd in het betrokken agrarisch gebied ; dat zij dan ook moeten aantonen dat in casu de veroorzaakte hinder dermate groot is dat zij die tolerantiedrempel overschrijdt of dreigt te overschrijden ; Overwegende dat de beweerde geurhinder en lawaaihinder door "machinerie", "geloei en rammelende kettingen", niet als abnormaal kan aangemerkt worden in het betrokken gebied; dat de wijze waarop studenten, die slechts tijdelijk ter plaatse verblijven, dergelijke hinder ervaren, daaraan geen afbreuk doet; dat uit de voorgelegde verklaringen bovendien niet kan opgemaakt worden of de beweerde hinder wel uitsluitend afkomstig is van de kwestieuze inrichting; dat zelfs al zou het Kasteel van Velm om reden dat er taallessen georganiseerd worden beschouwd moeten worden als een "stiltebehoevende instelling" in de zin van artikel 4.5.6.1 van Vlarem II, nog moet vastgesteld worden dat de beweerde geluidshinder inherent is aan een landbouwactiviteit; Overwegende dat de bezwaren in verband met overlast veroorzaakt door vliegen in het bestreden besluit werden onderzocht; dat in de desbetreffende motieven wordt verduidelijkt, onder meer met verwijzing naar de beoordeling van een vroegere uitbreidingsaanvraag, dat niets aantoont dat de directe oorzaak van die plaag uitsluitend gezocht moet worden in het rundveebedrijf van de tussenkomende partij; dat daarenboven niet zonder meer aangenomen kan worden dat die hinder, in de mate dat ze deels zou moeten worden toegeschreven aan het betrokken rundveebedrijf, dermate groot is dat hij de tolerantiedrempel zo overschrijdt dat van een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de Raad van VII-35.107-9/10 State-wet, kan worden gewaagd; dat niet is aangetoond dat aan de voorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Olivier SCHUPPEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-35.107-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.449 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div